Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/7.5.2:7.5.2 Artikel 149 Rv en hoor en wederhoor
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/7.5.2
7.5.2 Artikel 149 Rv en hoor en wederhoor
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS305868:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
263
De ondergrens voor de civiele rechter in eerste aanleg die moet oordelen in consumentenzaken die vallen onder de reikwijdte van een consumentenbeschermende EU-richtlijn wordt gevormd door artikel 149 Rv. Hij moet dus buiten de rechtsstrijd treden om invulling te geven aan de door het HvJ EU aan hem toebedeelde plicht, maar hoeft hiervoor niet zelf feiten te vergaren. Die inmenging van het HvJ EU lijkt vergaand, maar dat is vooral zo vanuit Nederlands privaatrechtelijk perspectief. Immers, artikel 7 CPC leert dat er ook een andere invulling aan de rechtsstrijd kan worden gegeven. De Franse civiele rechter is net zozeer gebonden aan de rechtsstrijd, alleen deze is niet beperkt tot de door partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag gelegde stellingen, maar betreft het gehele dossier.
264
Het wordt de Nederlandse civiele rechter verplicht om ambtshalve consumentenrecht toe te passen of daaraan te toetsen en dat, indien nodig, buiten de grenzen van de rechtsstrijd te doen. Daarvan kan uiteraard gezegd worden dat het wat vreemd is naar Nederlands burgerlijk procesrecht, maar dat is in andere lidstaten weer meer geaccepteerd. Het vormt wellicht ook een goed moment om eens te bezien of artikel 24 Rv nog als zodanig bestaansrecht heeft. Immers, het artikel is niet strikt noodzakelijk om het verdedigingsbeginsel te waarborgen. Dat kan ook door partijen te wijzen op punten uit het dossier die zij niet naar voren hebben gebracht en hen daarna (ruimschoots) in de gelegenheid te stellen om daar nog het debat over te voeren. Ook de gedachte dat daarmee een inbreuk zou worden gemaakt op de partijautonomie is wat overtrokken. Uiteindelijk zijn het partijen, zo maakt het HvJ EU ook duidelijk, die bepalen of rechtsgronden die ter vrije dispositie van deze partijen staan, worden toegepast. Het loslaten van artikel 24 Rv zou de taak van de rechter vergemakkelijken en het geschil in een vroeg stadium kunnen ophelderen.