Levering en verpanding van toekomstige goederen
Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.4.2:2.4.2 Codificatie
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.4.2
2.4.2 Codificatie
Documentgegevens:
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS471930:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:237 lid 1 en 3:239 lid 1 BW.
Art. 3.9.4.1 OM verklaarde – in overeenstemming met art. 1220 BW (oud) – een hypotheek op toekomstige goederen uitdrukkelijke nietig. De wetgever schrapte de bepaling wegens haar overbodigheid. Zie MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 806.
Vgl. HR 29 december 1933, NJ 1934/343, m.nt. P. Scholten (Fijn van Draat q.q./Crediet-Maatschappij De Nederlanden) en HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
31. Het nieuwe Burgerlijk Wetboek, dat op 1 januari 1992 in werking is getreden, kent een belangrijke wijziging ten opzichte van het oude recht in de vorm van de inperking van de figuur van de zekerheidseigendom ten faveure van het ingevoerde stille pandrecht.1 Voor het overige vormt de codificatie een bevestiging van de ontwikkeling die zich onder het voormalig wetboek reeds had voltrokken op het punt van zekerheid op toekomstige goederen. Het verschaffen van zekerheid op toekomstige goederen was inmiddels algemeen aanvaard en dit komt met zoveel woorden tot uitdrukking in het nieuwe wetboek. Uit art. 3:97 lid 1 BW in verband met de schakelbepaling van art. 3:98 BW volgt dat toekomstige goederen bij voorbaat kunnen worden bezwaard met een zekerheidsrecht. De vestigingsvereisten voor een stil pandrecht vormen bovendien geen enkele praktische beperking ten aanzien van toekomstige goederen. Men kan volstaan met een enkele (authentieke of onderhandse registreerde) pandakte.2
Het huidige Burgerlijk Wetboek bevat een ruimhartige erkenning van de mogelijkheid om toekomstige goederen bij voorbaat te leveren en beperkte rechten daarop te vestigen. De aanvankelijke terughoudendheid die in het Ontwerp Meijers nog werd gekoesterd ten aanzien van het stille pandrecht – slechts op goederen van een onderneming danwel slechts ten behoeve van kredietinstellingen – is niet opgenomen in de uiteindelijke wet. Niettemin kent ook het huidige wetboek enkele belangrijke beperkingen. Zo kunnen toekomstige registergoederen op grond van art. 3:98 jo. 3:97 BW niet bij voorbaat worden verhypothekeerd. De beperking zoals die onder het oude Burgerlijk Wetboek gold, werd hiermee voortgezet.3 Een andere wettelijke beperking betreft de stille cessie en stille verpanding van toekomstige vorderingen. In dit geval werd in het nieuwe Burgerlijk Wetboek een beperking gehandhaafd die voortvloeide uit de rechtspraak van de Hoge Raad bij de cessie van toekomstige vorderingen.4 Op grond van art. 3:94 lid 3 BW, respectievelijk art. 3:239 lid 1 BW is een stille cessie of verpanding van toekomstige vorderingen op naam slechts mogelijk indien de vordering rechtstreeks zal worden verkregen uit een reeds bestaande rechtsverhouding.