Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.3.3
3.3.3 Professionalisering van de deskundige
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701979:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wijting 1984, p. 267.
Naast uiteraard taxatie van de werkelijke waarde van het onteigende en de eventuele waardevermindering van het overblijvende.
Daar bestond overigens nogal wat discussie over. Rb. Amsterdam 5 mei 1868, W. 1868, 3013 vindt van niet, anders daarover Rb. Rotterdam 27 februari 1871, W. 1871, 3296 en Rb. Amsterdam 19 mei 1868 W. 1868, 3014.
HR 15 juni 1868, W. 1868, 3017.
Avant la lettre weliswaar, want van reconstrueren of liquideren als zodanig sprak de Hoge Raad nog niet. HR 31 juli 1882, W. 1882, 4803.
Verpaalen 1974, p. 132.
Sluysmans & Procee 2016, p. 136; Sluysmans 2011, p. 179; Wijting 1984, p. 273.
Lubbers 1919, p. 4.
Lubbers 1919, p. 4.
Dankzij de digitalisering van het Weekblad van het Regt door Maastricht University en het Fonds Academisch Erfgoed Maastricht is het thans mogelijk (relatief) systematisch te zoeken naar onteigeningsrechtspraak uit de periode 1860-1920. Het Weekblad is overigens ook te raadplegen via Delpher.nl.
Met name Verpaalen 1974, p. 156, voetnoot 15.
Verpaalen 1974, p. 156 voetnoot 15. Zie ook: Verpaalen, De Pacht 1967, nr. 3/4, p. 9-10.
W.J.I. van Wijmen 1945, p. 142.
Toen de Hoge Raad in 1864 de ‘boeien van Thorbecke afzaagde’,1 stelde hij zichzelf voor de taak om het materiële schadeloosstellingsrecht te gaan ontwikkelen. De wetgever had immers geen rekening gehouden met een volledige schadeloosstelling dus aan de wetgeschiedenis kon de praktijk geen handvatten ontlenen. Bij die inkleuring werd er veel gevraagd van de deskundigen. Zij zijn immers als eerste ‘aan zet’ bij het begroten van de schadeloosstelling. Het was aan hen om zelfstandig, los van partijen, op zoek te gaan naar de juridisch relevante schadecomponenten. Van de deskundigen werd verwacht om voor ieder onteigeningsgeval na te gaan of een gegeven schadecomponent nog als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening kon worden gezien. 2Zij moesten zich dientengevolge al snel gaan buigen over allerhande kwesties: is er sprake van verplaatsing- en/of stagnatieschade bij de onteigening van een winkelpand?3 Komen aankoopkosten van een nieuwe woning voor vergoeding in aanmerking?4 Zou een ‘redelijk handelend ondernemer’ zijn onderneming liquideren of reconstrueren?5 Met andere woorden: welke schadepost is nog wel en welke schadepost is niet meer, een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening?
Dergelijke afpalingen van causaliteit zijn typisch rechterswerk en leiden ertoe dat de onteigeningsdeskundigen niet langer konden volstaan met louter taxatie-technische kennis. 6In tegendeel; de beantwoording van deze vraagstukken vereist juridische kennis. Het is tegen die achtergrond dat de commissie van deskundigen begon te professionaliseren: als voorzitter een jurist, geëquipeerd met kennis van het onteigeningsrecht, geflankeerd door twee technische taxateurs.7 Dat de rechtspraak deze praktijk toejuichte, blijkt uit het feit dat er bij verschillende rechtbanken vaste commissies van deskundigen werden ingesteld. Lubbers gaf zich in 1919 rekenschap van deze ontwikkelingen en overwoog in zijn proefschrift:
“Enkele Rechtbanken volgen de laatste jaren de goede gewoonte, om in belangrijke gevallen naast de z.g.n. vakmenschen [lees: taxateurs – SS], steeds een jurist als deskundige te kiezen. Als deze zijn taak goed opvat, zal hij vaak er toe kunnen medewerken, dat zijn mede-deskundigen vele der klippen, waarop zij anders zouden stranden, thans omzeilen. Hij zal uit den aard van zijn werkkring vaak beter dan zij, zich een oordeel kunnen vormen over kwesties van finantieelen of administratieven aard; hij zal ook op de taxatie zelve een invloed ten goede kunnen uitoefenen en kunnen voorkomen dat onjuiste overwegingen de cijfers beïnvloeden.”8
Lubbers was blijkens zijn bewoordingen positief gestemd over deze ontwikkeling. Lubbers’ proefschrift is voorts interessant vanwege zijn uitvoerige jurisprudentieanalyse (periode 1864-1918). Bestudering van de lagere onteigeningsrechtspraak leidde Lubbers reeds in 1919 tot de volgende conclusie:
“Er gaat van een goed opgesteld deskundigenrapport een suggestieve kracht uit, die niet mag worden onderschat. En al is de rechter aan dit rapport geenszins gebonden (…) gewoonlijk staat hem geen andere weg open dan het taxatierapport in hoofdzaak over te nemen. En daarmede (ook) de cijfers, die wellicht mede te danken hebben aan de stilzwijgende, misschien onbewuste overweging der deskundigen.”9
Indien wij meer willen weten over de vaste deskundigencommissies, en in het bijzonder over de onteigeningsdeskundige-jurist, worden wij niet veel wijzer van raadpleging van de gepubliceerde rechtspraak. Van de namen van de ingeschakelde deskundigen werd in de periode na 1864 geen melding gemaakt.10 Enige houvast kan worden ontleend aan de herinneringen van de reeds eerder aangehaalde – en nog vaker aan te halen – wijlen hoogleraar Otto Verpaalen.11 Aan zijn drieluik onteigeningsgeschriften ontlenen wij thans niet alleen kritische geluiden met betrekking tot de positie van de onteigeningsdeskundige (§ 1.3), maar ook de wetenschap dat de eerste professionele onteigeningsdeskundige-jurist ene mr. Seylhouwer moet zijn geweest.
Het deskundigenadvies van deze Seylhouwer floreerde vanaf de jaren 1920. Aan het woord laat ik Verpaalen, die beschrijft hoe de praktijk van vaste deskundigencommissies in onteigeningszaken tot stand is gekomen:
“(…) Mr. D.G. Seylhouwer doordat hij in de twintiger jaren, fungerend als voorzitter van deskundigen, door het uitbrengen van diepdoordachte deskundigenadviezen wezenlijke bijdragen leverde tot de ontwikkeling van het onteigeningsvergoedingsrecht. Daardoor creëerde hij het nieuwe beroep van vaste voorzitter van deskundigen hetgeen weer leidt tot het (…) systeem vaste deskundigen te benoemen.”12
Wat tevens goed doorschemert in bovenstaande passage is hoe de onteigeningsdeskundige zich steeds meer op de stoel van de rechter begaf. Ook W.J.I. van Wijmen merkte op dat de deskundigen steeds vaker het voortouw namen bij het zoeken naar de relevante schadecomponenten:
“(…) Dat zij [de deskundigen - SS] hierbij vaak genoodzaakt zullen zijn te treden in de beoordeling van rechtskwesties, is, gezien de materie, niet te ontkennen. Intusschen zullen zij zich ook te dezen aanzien voor oogen moeten blijven stellen, dat hun taak adviseerend is. Zij behooren derhalve geen rechtskwesties te beslissen. Daarmede zouden zij op den stoel des Rechters gaan zitten! Doch zij mogen zeer zeker wel – ja moeten heel dikwijls – stelling nemen ten opzichte van zuiver juridische vraagstukken om tot een behoorlijke motiveering van hun standpunt te kunnen komen.”13
W.J.I van Wijmen benadrukt nogmaals, geheel in de geest van Thorbecke, het belang van een zelfstandige rechterlijke oordeelsvorming.
Ik vat het voorgaande als volgt samen. De verandering van de onteigeningsdeskundige van rekenkundig taxateur naar materieel onteigeningsspecialist was een onafwendbaar gevolg van de ontstane discrepantie tussen het materiële en het procedurele schadeloosstellingsrecht, of anders gezegd: tussen onteigeningswet en onteigeningsrecht. Toen de Hoge Raad in 1864 het startschot gaf voor de ontwikkeling van het materiële schadeloosstellingsrecht zijn de procedureregels niet mee veranderd met die steeds complexer wordende materie. Het takenpakket van deskundigen werd dientengevolge aanzienlijk uitgebreid. Niet langer konden zij volstaan met het enkel geven van een cijfermatige invulling van de twee wettelijke schadecomponenten, want zij moesten ook bij de zoektocht naar de schadeposten het voortouw nemen en bezien of die schadeposten ook juridisch relevant zijn in het kader van het causale verband tussen de onteigening en de schadepost.