Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/9.5
9.5 De relatie tussen de redelijke tegemoetkoming en de oplossing van HR 23 februari 1955, BNB 1955/158
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS412004:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 oktober 1956, BNB 1956/335.
De KNOR-oplossing leidt niet alleen ertoe dat de belastingplichtige ter zake van het foutenherstel geen nadeel leidt, maar zorgt er tevens voor dat – door het uitstel van belastingheffing naar de (verre) toekomst – voor de belastingplichtige zelfs een zeer voordelige situatie kan ontstaan. Door toepassing van de redelijke tegemoetkoming in plaats van de KNOR-oplossing kan het voordeel voor de belastingplichtige echter worden begrensd. Voor nadelen aan de KNOR-oplossing moge ik verwijzen naar hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.1.
In paragraaf 9.3 van dit hoofdstuk heb ik HR 23 februari 1955, BNB 1955/158, genoemd als voorbeeld van een redelijke tegemoetkoming met betrekking tot het tijdstip waarop het herstel plaatsvindt. Het werd de belanghebbende in die zaak toegestaan om niet alleen zijn eindbalans, maar ook zijn beginbalans van het oudste nog openstaande jaar naar het nieuwe waarderingsstelsel in te richten. Zoals beschreven in hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.1, wordt het bedrag waarmee het vermogen in de beginbalans van het oudste nog openstaande jaar afwijkt van het vermogen in de eindbalans van het laatstvastgestelde jaar niet definitief aan de totaalwinst onttrokken; dit waarderingsverschil wordt opgenomen in de zogenoemde KNOR, waarover in de toekomst dient te worden afgerekend. Deze KNOR-oplossing zal in beginsel slechts aan de orde zijn, ingeval:
de belastingplichtige door de belastingadministratie wordt gedwongen tot het verlaten van een stelsel, dat niet in overeenstemming was met goed koopmansgebruik, doch tevoren met goedkeuring van de belastingadministratie door hem was aangehouden, en
de belastingplichtige als gevolg daarvan een aanmerkelijk nadeel zou ondervinden, doordat in het desbetreffende jaar een abnormaal grote winst tot uitdrukking komt, die door een scherp progressief belastingtarief wordt getroffen1.
Hoe verhoudt zich deze – vanaf 1955 ontwikkelde – jurisprudentie nu met de hiervóór beschreven jurisprudentie ten aanzien van de toepassing van de redelijke tegemoetkoming? Er zijn naar mijn mening geen tekenen dat de ontwikkeling van de redelijke tegemoetkoming ertoe heeft geleid dat de KNOR-oplossing thans niet meer zou mogen of kunnen worden toegepast. Zo werd in HR 19 december 1990, BNB 1991/93, het beroep van belanghebbende op de KNOR-oplossing niet principieel verworpen, doch afgewezen omdat reeds op andere wijze was voorzien in een redelijke tegemoetkoming. Ik ben van mening dat de redelijke tegemoetkoming de functie van de KNOR-oplossing in vele gevallen zou kunnen overnemen. Deze oplossing was immers erop gericht te voorkomen dat een stille reserve, welke geleidelijk in de waardering van een vermogensbestanddeel is ontstaan, in het jaar van stelselwijziging in de winst wordt betrokken met alle voor de belastingplichtige daaraan in verband met de progressie van het tarief verbonden bezwaren. Deze nadelige situatie is evenzeer te voorkomen door een redelijke tegemoetkoming met betrekking tot het bedrag van de belasting toe te kennen. Hierdoor wordt het nadelige effect van het herstel van de fout weggenomen en wordt men (lees: de belastingadministratie) bovendien niet geconfronteerd met de nadelige gevolgen van de KNOR-oplossing2.