HR, 19-12-2023, nr. 21/04148
ECLI:NL:HR:2023:1765
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-12-2023
- Zaaknummer
21/04148
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1765, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑12‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:895
ECLI:NL:PHR:2023:895, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑10‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1765
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑07‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0225
Uitspraak 19‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Wederspannigheid met enig lichamelijk letsel ten gevolge door zich in trein na overtreding van mondkapjesplicht te onttrekken aan identiteitscontrole door bijzondere opsporingsambtenaren, art. 180 jo. 181.1 Sr. Taakstrafverbod, art. 22b.1.b Sr. Belang bij cassatie? Hof heeft verdachte veroordeeld tot taakstraf (van 30 uren), terwijl niet naast die taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd. Deze door hof opgelegde taakstraf is in strijd met art. 22b.1 Sr. Klacht leidt niet tot vernietiging wat betreft strafoplegging en terugwijzing. Wetgever heeft voorzien in taakstrafverbod voor o.m. art. 181 Sr, vanuit de wens om ernst van dat misdrijf te onderstrepen en belang te benadrukken van bescherming die dit art. geeft aan personen die werkzaam zijn in publieke dienst. Rechter kan dan geen ‘kale’ taakstraf opleggen maar kan uitsluitend voor taakstraf kiezen als naast taakstraf ook onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd (vgl. HR:2018:202). Als rechter ten onrechte geen toepassing geeft aan art. 22b.1.b Sr door te volstaan met ‘kale’ taakstraf, wordt verdachte daardoor in beginsel niet aangetast in een hem rechtens te beschermen belang. Dat is alleen anders als uit toelichting op middel dat klaagt over schenden van taakstrafverbod, blijkt dat verdachte wel voldoende belang heeft bij die klacht. In schriftuur ontbreekt echter zo’n toelichting. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04148
Datum 19 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 september 2021, nummer 21-000841-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.P. Kant, advocaat te Almelo, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof bij de strafoplegging het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) heeft miskend.
3.2.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 17 juli 2020 binnen het baanvak Zutphen-Oldenzaal zich met geweld heeft verzet tegen buitengewoon opsporingsambtenaren, te weten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] (toezichthouders bij vervoersmaatschappij [A] ), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten het staande houden van verdachte bij een vervoerscontrole in verband met het niet dragen van een wettelijk voorgeschreven mondkapje en overtreding van de wet ID door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die buitengewoon opsporingsambtenaren verdachte trachtten te geleiden, terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond bij die [benadeelde 1] ten gevolge heeft gehad.”
3.2.2
Het hof heeft de verdachte voor “wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, en onder vermelding van artikel 181 Sr als toepasselijk wetsartikel, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis.
3.3
Artikel 22b Sr luidt:
“1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:
a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad;
b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 181, 240b, 248a, 248b, 248c en 250.
2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:
1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en
2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 6:3:3 van het Wetboek van Strafvordering de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.
3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.”
3.4
Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor het plegen van het misdrijf strafbaar gesteld in artikel 181 Sr tot een taakstraf, terwijl niet naast die taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd. Deze door het hof opgelegde taakstraf is in strijd met het bepaalde in artikel 22b lid 1 Sr.
3.5.1
Het cassatiemiddel klaagt hierover terecht. Die klacht leidt echter om de volgende redenen niet tot vernietiging wat betreft de strafoplegging en terugwijzing naar het hof voor het opleggen van een andere straf.
3.5.2
De wetgever heeft voorzien in een taakstrafverbod voor (onder meer) het misdrijf van artikel 181 Sr, vanuit de wens om de ernst van dat misdrijf te onderstrepen en het belang te benadrukken van de bescherming die dit artikel geeft aan personen die werkzaam zijn in publieke dienst (vgl. Kamerstukken II 2009/10, 32169, nr. 3, p. 10). Bij een veroordeling voor overtreding van artikel 181 Sr brengt artikel 22b lid 1, aanhef en onder b, Sr met zich dat de rechter geen ‘kale’ taakstraf kan opleggen, maar uitsluitend voor een taakstraf kan kiezen als naast de taakstraf ook een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd (vgl. HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:202).
3.5.3
Als de rechter – zoals in dit geval – ten onrechte geen toepassing geeft aan artikel 22b lid 1, aanhef en onder b, Sr door te volstaan met een ‘kale’ taakstraf, wordt de verdachte daardoor in beginsel niet aangetast in een hem rechtens te beschermen belang. Dat is alleen anders als uit de toelichting op het cassatiemiddel dat klaagt over het schenden van het taakstrafverbod, blijkt dat de verdachte wel voldoende belang heeft bij die klacht. In de schriftuur ontbreekt echter zo’n toelichting.
3.6
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2023.
Conclusie 31‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Middel 1 klaagt over de bewezen verklaarde wederspannigheid met enig lichamelijk letsel tot gevolg. Middel 2 klaagt dat het arrest innerlijke tegenstrijdigheid is. Middel 3 klaagt over ’s hofs oordeel dat het taakstrafverbod (art. 22b lid 1, onder b, Sr) niet van toepassing is. Middel 1 en 2 falen. Middel 3 slaagt. Taakstraf kan niet worden opgelegd i.g.v. veroordeling voor art. 181, aanhef en onder 1, Sr. Conclusie strekt tot vernietiging (t.a.v. strafoplegging) en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04148
Zitting 31 oktober 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. De verdachte is bij arrest van 22 september 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens "wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.P. Kant, advocaat te Almelo, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste klaagt over de bewezen verklaarde wederspannigheid met enig lichamelijk letsel tot gevolg. Het tweede middel klaagt dat het arrest innerlijk tegenstrijdig is. Het derde middel richt zich tegen de door het hof opgelegde taakstraf.
De bewezenverklaring
4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“Hij op 17 juli 2020 binnen het baanvak Zutphen-Odenzaal zich met geweld heeft verzet tegen buitengewoon opsporingsambtenaren te weten [benadeelde 2] en [benadeelde 1] (toezichthouders bij vervoersmaatschappij [A] ), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten het staande houden van verdachte bij een vervoerscontrole in verband met het niet dragen van een wettelijk voorgeschreven mondkapje en overtreding van de wet ID door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die buitengewoon opsporingsambtenaren verdachte trachtten te geleiden, terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond bij die [benadeelde 2] ten gevolge heeft gehad.”
De bewijsvoering
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (onderstrepingen mijnerzijds):
“1. Het proces-verbaal van bevindingen, in wettelijke vorm opgemaakt door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , beiden toezichthouder bij [A] B.V. en buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten en ondertekend op 17 juli 2020, voor zover van belang als relaas van de verbalisanten inhoudende (pag. 3 e.v.):
Op 17-07-2020, omstreeks 22.06 uur voerden wij, in burgerkleding gekleed en tevens met handhaving belast, tijdens onze dienst een vervoerbewijscontrole uit in treinnummer 31271. Deze trein reed op genoemde tijdstip op het traject Zutphen-Oldenzaal. We waren in burger gekleed en hadden een actie die gericht was op het dragen van mondkapjes in het openbaar vervoer welke verplicht zijn gesteld per 1 juni 2020.
Tijdens deze controle zie ik een man zitten in de rijrichting van de trein in het zwart gekleed met een groene trainingsbroek aan. Ik zag dat de man geen wettelijk voorgeschreven mondkapje droeg. Ik zag dat de man zijn trui die was voorzien van een rits over zijn mond deed. Ik zei tegen de man dat de man in overtreding was voor het niet dragen van een wettelijk voorgeschreven mondkapje. Ik hield de man staande als verdachte voor het niet dragen van een mondkapje. Ik vroeg de verdachte om zijn identiteit en heb me gelegitimeerd als buitengewoon opsporingsambtenaar openbaar vervoer. Ik hoorde de verdachte zeggen die heb ik niet bij me. Ik vorderde de verdachte zijn identiteitsbewijs. Ik zag dat de verdachte hier niet aan voldeed. Ik vroeg de verdachte of hij iets anders bij zich had waar een naam op stond. Ik hoorde de verdachte zeggen ‘dat heb ik niet ’. Ik zei tegen de verdachte dat ik eerst wilde dat hij zijn zakken leeg zou maken. Ik wilde de verdachte in een volle trein niet gaan fouilleren. Ondertussen waren we aangekomen bij station Hengelo Gezondheidspark. Ik zag dat de verdachte langs mij heen sprong. Ik pakte de verdachte vast om te voorkomen dat hij de trein uit zou gaan. Mijn collega kwam ondertussen assistentie verlenen. Ik zag en voelde dat de verdachte verzet vertoonde tegen de daadwerkelijke staande houding. Dit was te merken aan de bewegingen die hij maakte met zijn armen. Met behulp van diverse passagiers uit de trein hebben we de verdachte onder controle gekregen. Ik heb de verdachte van achteren vastgepakt en naar de grond gebracht. Mijn collega [benadeelde 2] had de verdachte aan de linkerkant en ik had de verdachte aan de rechterkant vast bij zijn armen. Tijdens deze aanhouding is mijn collega gewond geraakt aan het hoofd waar foto's van zijn bijgevoegd.
Identificerende persoonsgegevens verdachte:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1999
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige, in wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent van politie, gesloten en ondertekend op 18 juli 2020, voor zover van belang als verklaring van getuige [betrokkene 1] inhoudende (pag. 7 e.v.):
Op vrijdag 17 juli 2020 omstreeks 22.00 uur zat ik in de trein. De trein ging naar Oldenzaal. Ik zag dat de conducteur met iemand aan het praten was. Ik zag dat hij geen uniform droeg maar ik zag wel dat hij zich identificeerde. Volgens mij hadden zij het over het mondkapje.
Ik hoorde aan het stemvolume en zag dat zij in discussie waren met elkaar. Ik zag dat de persoon langs de conducteur sprong en er vandoor wilde gaan. Ik zag dat de conducteur hem vastgreep. Ik zag dat er een worsteling plaatsvond.
3. Een schriftelijk bescheid te weten een verwijsbrief van Spoedzorg Huisartsen [plaats] van 18 juli 2020, voor zover van belang inhoudende:
Persoonsgegevens
Geboortedatum: [geboortedatum] 1956(64)
Naam: [benadeelde 2]
Verwijsgegevens
Objectief: Wond op het hoofd: schaafwond, bloed nog iets na
Rechter flank: drukpijnlijk in de onderste ribben
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 11 februari 2021, voor zover van belang als verklaring van [benadeelde 1] inhoudende:
Verdachte ken ik. Hij is een veelpleger, want hij reist vaak zonder een kaartje. Ik vind dat iedereen een tweede kans verdiend. Ik heb verdachte in eerste instantie niet herkend, omdat hij zijn trui tot over zijn neus had. Pas op het perron hoorde ik zijn naam en toen wist ik dat hij het was. Verdachte was al aangehouden toen ik hoorde om wie het ging.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 11 februari 2021, voor zover van belang als verklaring van [benadeelde 2] inhoudende:
Op het eerste moment wist ik nog niet dat de discussie ging over het wel of niet dragen van een mondkapje. Op het moment dat er werd ingegrepen door de [benadeelde 1] stond ik op twee meter afstand. Iemand die ik niet ken heeft “ [verdachte] ” geroepen. Ik hoorde het pas later dat het om verdachte ging en zelfs toen had ik er nog geen beeld bij. Het klopt dat ik letsel heb opgelopen. Ik heb letsel opgelopen op mijn hoofd en aan de zijkant van mijn buik. Ik had een zwaar gekneusde rib.”
6. Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het hof onder meer het volgende overwogen (onderstrepingen mijnerzijds):
“Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, (…) . Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.
Buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 1] , toezichthouder bij [A] , was bevoegd om verdachte staande te houden teneinde zijn identiteit vast te stellen toen hij verdachte op 17 juli 2020 in de trein tussen Zutphen en Hengelo (Ov.) zonder mondkapje aantrof. Uit niets blijkt dat hij verdachte direct bij naam kende, wat ook begrijpelijk is aangezien verdachte zijn trui over zijn mond en neus had getrokken waardoor alleen zijn ogen zichtbaar waren. Uit het door de raadsman bedoelde videofragment komt naar voren dat de verbalisanten verdachte pas herkenden op het moment dat hij op de grond lag. Maar zelfs als [benadeelde 1] verdachte onmiddellijk had herkend, had hij nader onderzoek mogen doen naar de identiteit en – voor zover noodzakelijk ter vaststelling van de identiteit – onderzoek mogen doen aan de kleding en aan voorwerpen die verdachte bij zich droeg. Niet alleen een achternaam is van belang om iemands identiteit vast te stellen, maar ook de voornaam, geboortedatum en geboorteplaats. Verder stelt het hof vast dat verdachte niet is gefouilleerd: hem is gevraagd en niet gevorderd zijn zakken leeg te maken.
Het berust eveneens op een misverstand dat buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 1] en zijn collega verdachte, die de trein wilde verlaten terwijl hij in verband met het niet-dragen van een mondkapje was staande gehouden en niet aan de vordering van [benadeelde 1] had voldaan om een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden, niet hadden mogen vastpakken. Een opsporingsambtenaar mag een verdachte bij diens staande houding zo nodig dwingen stil te blijven staan en daartoe proportioneel geweld aanwenden. Bovendien was er een verdenking dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan het strafbaar feit van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht en kon hij daarvoor op heterdaad worden aangehouden.
De raadsman heeft betoogd dat de toezichthouders meinedige verklaringen tegenover de politierechter hebben afgelegd en dat daarom aan het hele relaas van de verbalisanten in hun proces-verbaal van bevindingen moet worden getwijfeld. In het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 februari 2021 is het volgende opgenomen:
[benadeelde 2] heeft verklaard: ‘Iemand die ik niet ken heeft “ [verdachte] ” geroepen. Ik hoorde pas later dat het om verdachte ging en zelfs toen had ik er nog geen beeld bij.’
[benadeelde 1] heeft verklaard: ‘Ik heb verdachte in eerste instantie niet herkend, omdat hij zijn trui tot over zijn neus had. Pas op het perron hoorde ik zijn naam en toen wist ik dat hij het was. Verdachte was al aangehouden toen ik hoorde om wie het ging.’
[benadeelde 2] heeft niets verklaard over ‘het perron’. De relevante zinsneden in de verklaring van [benadeelde 1] houden in dat hij verdachte eerst niet herkende en dat verdachte al was aangehouden toen hij hoorde om wie het ging. Die beweringen, bepalend voor het moment waarop [benadeelde 1] verdachte herkende, worden door het dossier ondersteund. Dat hij zich mogelijk heeft vergist in de locatie - perron in plaats van gangpad - maakt nog niet dat aan het hele relaas van de verbalisanten moet worden getwijfeld.
Het hof verwerpt de verweren van de raadsman.”
Het eerste middel
7. Het middel bevat de klacht dat het hof “ten onrechte heeft geoordeeld dat buitengewoon opsporingsambtenaren (…) werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening” en daardoor ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf ‘wederspannigheid’.
De toelichting op het eerste middel
8. De verdachte is door twee buitengewoon opsporingsambtenaren (hierna ook wel: boa’s) in de trein aangesproken wegens het niet dragen van een – op dat moment – wettelijk voorgeschreven mondkapje. De boa’s hebben de verdachte vervolgens staande gehouden en gevraagd naar zijn identiteit. De steller van het middel klaagt dat de verdachte daarbij enkel is gevraagd zijn identiteitsbewijs te tonen, althans zijn zakken leeg te maken “om te kijken of er iets van een legitimatiebewijs in zat”, terwijl géén van beide boa’s de verdachte heeft gevraagd naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, alsmede zijn adres. De boa’s hebben van de bevoegdheid om de verdachte staande te houden dan ook geen gebruik gemaakt, aldus de steller van het middel, en dat heeft volgens hem tot gevolg dat de verdachte – nadat hij langs een van de boa’s was gesprongen, door hem was vastgepakt en met behulp van de andere boa (en omstanders) naar de grond was gebracht – zich aan de onterechte vrijheidsbeneming mocht trachten te onttrekken. De boa’s waren immers niet werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. De verdachte heeft zich, anders dan het hof heeft geoordeeld, niet schuldig gemaakt aan het misdrijf wederspannigheid.
9. Alvorens ik toekom aan de inhoudelijke bespreking van het middel, merk ik het volgende op. In zijn cassatieschriftuur tracht de steller van het middel zijn standpunt te onderbouwen door te wijzen op verschillende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering, waaronder artikel 52 Sv. Op grond van artikel 52 Sv is iedere opsporingsambtenaar bevoegd de verdachte naar zijn personalia te vragen, op de wijze als bedoeld in artikel 27a lid 1, eerste volzin, Sv en hem daartoe staande te houden. De in artikel 52 Sv omschreven bevoegdheid gaat niet verder dan het vragen naar zijn personalia en identiteitsbewijs en de verdachte daartoe gedurende een moment staande te houden.1.
10. Daarnaast zijn opsporingsambtenaren bevoegd tot het vorderen van inzage in een identiteitsbewijs van personen, voor zover dat “redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak” (artikel 8 lid 1 van de Politiewet 2012).2.Deze bepaling geldt tevens voor buitengewoon opsporingsambtenaren (artikel 8 lid 2 van de Politiewet 2012). Op grond van artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht is eenieder die ouder is dan veertien jaar verplicht om op eerste vordering een identiteitsbewijs te tonen aan een ambtenaar in de zin van artikel 8 van de Politiewet 2012.3.Anders dan bij staandehouding op grond van artikel 52 Sv geldt op grond van artikel 8 van de Politiewet 2012 niet de eis dat er sprake moet zijn van een verdenking van een strafbaar feit.4.Weigert een persoon aan de vordering een identiteitsbewijs te tonen, te voldoen dan is deze strafbaar op grond van artikel 447e Sr.
11. Uit voorgaande maak ik op dat een verdachte weliswaar niet verplicht is om op de vraag naar zijn personalia te antwoorden, maar dat op hem ingevolge artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht wel de verplichting rust zijn identiteitsbewijs aan de opsporingsambtenaar ter inzage aan te bieden, tenzij hij nog geen veertien jaar is.
De bespreking van het eerste middel
12. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte bij een vervoerscontrole in de trein door twee buitengewoon opsporingsambtenaren staande is gehouden “teneinde zijn identiteit vast te stellen” wegens het niet dragen van een wettelijk voorgeschreven mondkapje. Het dragen van een mondkapje (in het openbaar vervoer) was sinds 1 juni 2020 verplicht gesteld. Het niet voldoen aan deze verplichting leverde een strafbaar feit op.5.Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de boa die de verdachte staande heeft gehouden daarover heeft verklaard: “Ik hield de man staande als verdachte voor het niet dragen van een mondkapje. Ik vroeg de verdachte om zijn identiteit (…). Ik hoorde de verdachte zeggen die heb ik niet bij me. Ik vorderde de verdachte zijn identiteitsbewijs.” Deze feitelijke gang van zaken is in cassatie niet betwist.
13. Als ik de steller van het middel goed begrijp, klaagt hij dat de boa’s de verdachte niet op rechtmatige wijze staande hebben gehouden omdat zij hem direct naar zijn identiteitsbewijs hebben gevraagd in plaats van enkel naar de in artikel 27a lid 1, eerste volzin Sv bedoelde gegevens. Gelet op het hiervoor door mij uiteengezette kader, faalt deze klacht evident. De boa was immers bevoegd om de verdachte op de voet van artikel 52 Sv te vragen naar zijn personalia én identiteitsbewijs en hem daartoe gedurende een moment staande te houden.6.Daarmee heeft ook de daarop voortbordurende klacht dat, nu de boa’s niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, de verdachte zich mocht trachten te onttrekken aan de vrijheidsbeneming, waardoor het misdrijf wederspannigheid niet bewezen kan worden verklaard, geen kans van slagen.
14. Voor zover de steller van het middel (mede) beoogt te klagen dat de verdachte niet verplicht was om aan de vordering om zijn identiteitsbewijs te tonen, gehoor te geven, geldt dat iedere persoon ouder dan veertien jaar verplicht is om – op grond van artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht in verbinding met artikel 8 lid 2 van de Politiewet 2012 – zijn identiteitsbewijs op eerste vordering aan een boa ter inzage aan te bieden voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn politietaak. ’s Hofs kennelijke oordeel dat de vordering van de boa in dit geval redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitvoering van zijn politietaak, acht ik niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre faalt het middel.
Het tweede middel en de toelichting daarop
15. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof zijn arrest onbegrijpelijk en onvoldoende met redenen heeft omkleed, in het bijzonder omdat het hof heeft bewezen verklaard dat het door de verdachte gepleegde misdrijf “enig lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond bij die [benadeelde 2] ten gevolge heeft gehad”, terwijl het tegelijkertijd heeft overwogen dat “niet duidelijk is hoe dat lichamelijk letsel is opgelopen”. Het arrest is daardoor innerlijk tegenstrijdig, aldus de steller van het middel.
Het beoordelingskader inzake wederspannigheid met lichamelijk letsel
16. Indien sprake is van wederspannigheid (artikel 180 Sr) kan, wanneer het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feiten en omstandigheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben, een (hogere) sanctie worden opgelegd (artikel 180 aanhef en onder 1 Sr). Tussen de ambtsdwang en de wederspannigheid en het lichamelijk letsel dient een causaal verband te bestaan. Het strafverzwarende gevolg moet zich openbaren bij de personen tegen wie de daad of het verzet is gericht.7.Dat gevolg behoeft niet voort te vloeien uit het geweld zelf, maar kan ook voortkomen uit andere omstandigheden die met die wederspannigheid in verband staan.8.
De bespreking van het tweede middel
17. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 1] heeft verklaard dat zijn collega tijdens de aanhouding van de verdachte “gewond (is) geraakt aan het hoofd”. Daarnaast heeft buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 2] verklaard: “Het klopt dat ik letsel heb opgelopen. Ik heb letsel opgelopen op mijn hoofd (…)”. Uit de als schriftelijk bescheid opgenomen verwijsbrief van de Spoedzorg volgt dat [benadeelde 2] een “wond op hoofd” heeft opgelopen. Het hof heeft geoordeeld dat het aan de verdachte ten laste gelegde misdrijf wederspannigheid wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond bij die [benadeelde 2] ten gevolge heeft gehad.
18. De innerlijke tegenstrijdigheid van het bestreden arrest is volgens de steller van het middel gelegen in het feit dat het hof naast zijn bewezenverklaring ten aanzien van de schadevergoedingsvordering van [benadeelde 2] heeft overwogen dat “(…) nog daargelaten dat niet duidelijk is hoe [benadeelde 2] het letsel heeft opgelopen – het letsel te gering is om tot toekenning van smartengeld te kunnen komen”. Voornoemde overweging moet m.i. echter zo worden begrepen dat het hof daarmee enkel heeft willen aangeven dat niet duidelijk is geworden op welke wijze – dus door welke handeling van de verdachte (bijvoorbeeld slaan, schoppen, trappen) – de buitengewoon opsporingsambtenaar het letsel heeft opgelopen. Dat de buitengewoon opsporingsambtenaar tijdens de aanhouding letsel heeft opgelopen, en dat er dus een causaal verband bestaat tussen de ambtsdwang en de wederspannigheid en het lichamelijk letsel, blijkt genoegzaam uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Van innerlijke tegenstrijdigheid is dan ook geen sprake.
19. Het middel faalt.
Het derde middel
20. Het derde middel klaagt dat het hof de verdachte heeft veroordeeld tot een taakstraf van dertig uur, terwijl het taakstrafverbod van toepassing is. Daarmee heeft het hof artikel 22b Sr geschonden, aldus de steller van het middel.
Het beoordelingskader inzake het taakstrafverbod
21. Het taakstrafverbod is opgenomen in artikel 22b Sr. Artikel 22b lid 1, onder b, Sr bepaalt dat een taakstraf – voor zover hier relevant – niet kan worden opgelegd in geval van veroordeling voor een van de misdrijven omschreven in artikel 181 Sr. De wetgever is van oordeel dat de ernst van de in deze bepaling omschreven misdrijven en de bescherming die het artikel beoogt te geven aan personen werkzaam in publieke dienst, reden zijn om het opleggen van een kale taakstraf uit te sluiten.9.
De bespreking van het derde middel
22. Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft (artikel 181, aanhef en onder 1, Sr), en de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“Oplegging van straf en/of maatregel
(…)
Het hof is van oordeel dat oplegging van een taakstraf van 35 uur in beginsel passend en geboden is. Ter compensatie van de tijd die verdachte te lang is opgehouden – verdachte is voor een niet-voorlopige hechtenisfeit 03.42 uur te lang opgehouden voor onderzoek – zal het hof vijf uur in aftrek brengen, zodat een taakstraf voor de duur van 30 uur zal worden opgelegd.”
Slotsom
24. Het eerste en het tweede middel falen. Het derde middel slaagt.
25. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑10‑2023
Vgl. HR 31 mei 2011, NJ 2011/374. Vgl. ook de conclusie van Vegter voorafgaand aan HR 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1536.
Zie Handreiking handhaving Boa’s domein IV Covid-19 en de Wet publieke gezondheid.
K.K. Lindenberg in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns, M.J. Dubelaar & M.J.M. Verpalen (red.), Tekst & Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer (elektronische versie, bijgewerkt tot 1 februari 2023), art. 181 Sr, aant. 5. Vgl. ook de conclusie van Paridaens voorafgaand aan HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:724, randnr. 46, en de conclusie van Spronken voorafgaand aan HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1554.
Beroepschrift 24‑07‑2022
CASSATIESCHRIFTUUR
Hoge Raad der Nederlanden
Schriftuur houdende drie middelen van cassatie
Van: mr. D.P. Kant, advocaat te Almelo
In de zaak van:
De heer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1999, wonende te [woonplaats], verzoeker tot cassatie van het door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Zwolle, op 22 september 2021 onder parketnummer 21-000841-21 uitgesproken arrest.
Middel I
Het recht — in het bijzonder artt. 180 Sr. en 181 Sr. — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, ten onrechte heeft geoordeeld dat buitengewoon opsporingsambtenaren [benadeelde 1] en [benadeelde 2] werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening en doordat het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen heeft geacht dat verzoeker tot cassatie het ten laste gelegde feit, art. 181 Sr. heeft begaan.
1. Toelichting middel I
1.1.
Zoals in het door de politie opgemaakte proces-verbaal van 21 juli 2020 omschreven, in het bijzonder het daarvan deel uitmakende proces-verbaal van bevindingen van de buitengewoon opsporingsambtenaren [benadeelde 1] en [benadeelde 2], zat verzoeker tot cassatie in de trein, toen hij werd aangesproken door een van deze beide buitengewoon opsporingsambtenaren, [benadeelde 1].
1.2.
Verzoeker tot cassatie werd volgens deze buitengewoon opsporingsambtenaar door hem aangezien als verdachte van een strafbaar feit, namelijk het niet dragen van het wettelijk voorgeschreven mondkapje.
1.3.
Aansluitend vroeg deze buitengewoon opsporingsambtenaar verzoeker tot cassatie naar zijn identiteit. Uit het door deze buitengewoon opsporingsambtenaar opgemaakte proces-verbaal van bevindingen kan worden begrepen dat daarmee werd bedoeld dat van verzoeker tot cassatie om een identiteitsbewijs werd verzocht.
1.4.
Deze buitengewoon opsporingsambtenaar vorderde vervolgens van verzoeker tot cassatie zijn identiteitsbewijs. Aan deze vordering kon verzoeker tot cassatie niet voldoen. Voordat de vordering werd gedaan had verzoeker tot cassatie deze buitengewoon opsporingsambtenaar reeds meegedeeld dat hij geen identiteitsbewijs bij zich had.
1.5.
Nadat de buitengewoon opsporingsambtenaar verzoeker tot cassatie had gevraagd of hij iets bij zich had waarop zijn naam stond en verzoeker tot cassatie deze buitengewoon opsporingsambtenaar had meegedeeld dat hij niets bij zich had, verzocht de buitengewoon opsporingsambtenaar verzoeker tot cassatie zijn zakken leeg te maken, volgens blz. 3 van het proces-verbaal, ‘om te kijken of er iets van een legitimatiebewijs in zat’.
Er is niet een wettelijke verplichting om aan een dergelijk verzoek te voldoen.
1.6.
Verzoeker tot cassatie heeft deze buitengewoon opsporingsambtenaar nog wel aangeboden zich te laten fouilleren, doch van dat aanbod heeft de buitengewoon opsporingsambtenaar om hem moverende redenen geen gebruik gemaakt.
1.7.
Verzoeker tot cassatie is vervolgens langs de buitengewoon opsporingsambtenaar gesprongen, waarna deze laatste verzoeker tot cassatie heeft vastgepakt en, met behulp van de tweede buitengewoon opsporingsambtenaar (en omstanders), naar de grond gebracht.
1.8.
Toen verzoeker tot cassatie door de beide buitengewoon opsporingsambtenaren op de grond was gebracht en daar onder bedwang werd gehouden, hebben beide buitengewoon opsporingsambtenaren gezegd ‘We weten inmiddels wie het is. Ja, meneer [verdachte].’
Deze mededeling blijkt uit het videobestand dat door de raadsman van verzoeker tot cassatie in het geding is gebracht op 9 oktober 2020.
1.9.
Wettelijk kader
1.9.1.
Art. 52 Sv.:
Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in art. 27a, eerste lid, eerste volzin, en hem daartoe staande te houden.
1.9.2.
Art. 27a lid 1 Sv.:
- (1)
De verdachte wordt ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit gevraagd naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats.
- (2)
Het vaststellen van zijn identiteit omvat tevens een onderzoek een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
1.9.3.
Art. 55c lid 1 Sv.:
De ambtenaren, bedoeld in artikel 141, en de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012 en de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder c, van die wet, voor zover zij zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie en zij tevens buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142 zijn, stellen de identiteit van de aangehouden verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste en tweede volzin.
1.9.4.
Art. 55b lid 1 Sv.:
- (1)
De bij of krachtens artikel 141 aangewezen ambtenaren alsmede bepaalde door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen categorieën van andere personen, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn bevoegd een staande gehouden of aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit.
- (2)
De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, oefenen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, alleen dan in het openbaar uit, indien dit redelijkerwijs noodzakelijk is om wegmaking of beschadiging van voorwerpen waaruit de identiteit van die verdachte zou kunnen blijken,te voorkomen.
1.10.
De bevoegdheid tot staande houden van de verdachte houdt in:
- ✓
Het vragen naar
- •
Naam
- •
Voornamen
- •
Geboorteplaats en
- •
Geboortedatum,
- •
Het adres waarop de verdachte in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven en
- •
Het adres van zijn feitelijke verblijfplaats,
en, als dat nodig is om de identiteit vast te stellen terwijl bovendien gevaar bestaat dat voorwerpen waaruit de identiteit blijkt worden weggemaakt of beschadigd, pas dan mag de verbalisant de staande gehouden verdachte fouilleren.
1.11.
Afgezien daarvan dat de identiteit van verzoeker tot cassatie bij de buitengewoon opsporingsambtenaren bekend was blijkens hetgeen zij hebben gezegd terwijl zij verzoeker tot cassatie onder bedwang hielden toen deze op de grond lag, geen van beide buitengewoon opsporingsambtenaren heeft verzoeker tot cassatie naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum alsmede zijn adres gevraagd.
Het enige dat verzoeker tot cassatie is gevraagd, voordat deze wegsprong bij verbalisant [benadeelde 1], is zijn identiteitsbewijs te tonen (waarop verzoeker tot cassatie duidelijk heeft gemaakt dat hij geen identiteitsbewijs bij zich had), althans zijn zakken leeg te maken ‘om te kijken of er iets van een legitimatiebewijs in zat’. Nadat verzoeker tot cassatie verbalisant [benadeelde 1] had meegedeeld ‘fouilleer me maar dan’, is deze opgestaan en heeft deze verzoeker tot cassatie gezegd dat hij eerst wilde dat verzoeker tot cassatie zijn zakken leeg zou maken (een wettelijke bevoegdheid daartoe had verbalisant [benadeelde 1] niet).
1.12.
De buitengewoon opsporingsambtenaren hebben verzoeker tot cassatie derhalve niet naar de in 1.10 hierboven genoemde gegevens van hem gevraagd.
Verzoeker tot cassatie is gevraagd zijn identiteitsbewijs te tonen (waaraan deze niet kon voldoen omdat hij een dergelijk bewijs niet bij zich had), althans zijn zakken leeg te maken om te onderzoeken of verzoeker tot cassatie dat identiteitsbewijs misschien wel bij zich had (die bevoegdheid had de verbalisant niet; verzoeker tot cassatie heeft aangeboden zich te laten fouilleren doch van dat aanbod heeft de verbalisant naast zich neergelegd).
De buitengewoon opsporingsambtenaren hebben van de bevoegdheid verzoeker tot cassatie staande te houden derhalve geen gebruik gemaakt.
1.13.
Toen verzoeker tot cassatie langs verbalisant [benadeelde 1] sprong stond hem dat vrij.
Nadat deze verbalisant, met hulp van de tweede verbalisant en omstanders, verzoeker tot cassatie had vastgepakt, mocht verzoeker tot cassatie trachten zich van deze onterechte vrijheidsbeneming door de buitengewoon opsporingsambtenaren te onttrekken.
De beide buitengewoon opsporingsambtenaren waren namelijk niet werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Verzoeker tot cassatie was niet staande gehouden en hij mocht gaan naar waar hij wilde gaan.
Middel II
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, het arrest van 22 september 2021 onbegrijpelijk en onvoldoende met redenen omkleed heeft gemotiveerd. Immers, het gerechtshof heeft enerzijds geoordeeld dat het ten laste gelegde feit, ‘wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft’, wettig en overtuigend bewezen is, terwijl het gerechtshof anderzijds, bij de beoordeling van de vordering benadeelde partij, heeft geoordeeld dat niet duidelijk is hoe dat lichamelijk letsel is opgelopen. Daardoor is het arrest innerlijk tegenstrijdig, en dus niet naar de eis van de wet toereikend en begrijpelijk, gemotiveerd.
2. Toelichting middel II
2.1.
Het gerechtshof heeft verzoeker tot cassatie veroordeeld tot een taakstraf omdat het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen heeft geacht dat verzoeker tot cassatie het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande (samengevat) dat hij zich heeft verzet tegen buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 2], werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (…) terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond bij die [benadeelde 2] ten gevolge heeft gehad.
2.2.
Verzoeker tot cassatie heeft ontkend dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de hem verweten wederspannigheid. Ook heeft hij ontkend dat hij buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 2] enig letsel heeft toegebracht.
2.3.
In het arrest heeft het gerechtshof geen enkele overweging gewijd aan het letsel dat buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 2] beweerdelijk heeft opgelopen door het handelen van verzoeker tot cassatie.
In het proces-verbaal (pagina 6) wordt verwezen naar een verslag van Spoedzorg Huisartsen [a-plaats] d.d. 18-07-2020, waarin is aangegeven ‘Is BOA, voorval gehad gisteravond tegen 23.30 uur, wond re voorhoofd (…)’, terwijl verzoeker tot cassatie volgens dit proces-verbaal (blz. 12) op 17 juli 2020 om 22.50 uur is voorgeleid voor een hulpofficier van justitie. Voorts is in het proces-verbaal geen enkele verklaring (van een verbalisant) opgenomen waaruit volgt hoe dit beweerdelijke letsel van buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 2] is ontstaan. Enig causaal verband tussen de verzoeker tot cassatie verweten wederspannigheid en het gestelde letsel van [benadeelde 2] ontbreekt.
2.4.
Ten aanzien van de door voornoemde [benadeelde 2] ingediende vordering benadeelde partij heeft het gerechtshof in voornoemd arrest bovendien overwogen en geoordeeld:
‘De benadeelde partij heeft, volgens de gegevens van Spoedzorg huisartsen [a-plaats] van 18 juli 2020 een schaafwond opgelopen aan zijn hoofd. De beoordeling van een vordering tot vergoeding van immateriële schade is mede afhankelijk van de aard en de ernst van het letsel. Het hof is van oordeel, dat — nog daargelaten dat niet duidelijk is hoe [benadeelde 2] het letsel heeft opgelopen — het letsel te gering is om tot toekenning van smartengeld te kunnen komen.’ (accentuering tekst toegevoegd, advocaat)
2.5.
Het gerechtshof heeft dus in zijn arrest verzoeker tot cassatie veroordeeld tot een taakstraf omdat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het misdrijf dat is omschreven in art. 181 Sr., wederspannigheid tegen een ambtenaar, [benadeelde 2], werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten een hoofdwond bij die [benadeelde 2],
terwijl
het gerechtshof in zijn arrest ook heeft geoordeeld dat het niet duidelijk is hoe (voornoemde) [benadeelde 2] het letsel — zoals het gerechtshof heeft omschreven: een schaafwond aan zijn hoofd — heeft opgelopen.
2.6.
Dit betekent dat het gerechtshof enerzijds heeft geoordeeld dat verzoeker tot cassatie [benadeelde 2] letsel heeft toegebracht toen verzoeker tot cassatie zich verzette tegen het handelen van [benadeelde 2], terwijl het gerechtshof tevens heeft geoordeeld dat niet duidelijk is hoe [benadeelde 2] dat letsel heeft opgelopen.
Het gerechtshof oordeelde dus enerzijds dat verzoeker tot cassatie [benadeelde 2] letsel heeft toegebracht en anderzijds oordeelde het gerechtshof tegelijkertijd dat niet duidelijk is hoe [benadeelde 2] dat letsel heeft opgelopen.
Een dergelijk oordeel is innerlijk tegenstrijdig en dat brengt met zich mee dat het arrest van het gerechtshof niet in stand kan blijven en behoort te worden vernietigd.
Middel III
Het recht — in het bijzonder art. 22b Sr. — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, verzoeker tot cassatie ten onrechte heeft veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uur.
3. Toelichting middel III
3.1.
Het gerechtshof heeft bewezen geacht dat verzoeker tot cassatie zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van art. 181 Sr. Op grond daarvan heeft het gerechtshof verzoeker tot cassatie veroordeeld tot een taakstraf van 30 uur.
3.2.
Art. 22b, lid 1 onder b Sr. luidt:
‘Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:
(…)
- b.
Een van de misdrijven omschreven in de artikelen 181, 240b, 248a, 248b, 248c en 250.’
3.3.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. D.P. Kant, advocaat te Almelo, die verklaart daartoe door verzoeker tot cassatie bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Almelo, 24 juli 2022
Advocaat