De verklaring voor recht
Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/11:11 Rechtsvordering, vorderingsrecht en subjectief recht
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/11
11 Rechtsvordering, vorderingsrecht en subjectief recht
Documentgegevens:
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS394684:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Jongbloed, GS Vermogensrecht, titel 11, Boek 3, Inleiding op art. 296-305D, aant. 3 (losbladig en online).
Snijders en Stein 1994, p. 5.
Snijders en Stein 1994, p. 5.
Snijders en Stein 1994, p. 5.
Star Busmann/Rutten 1972, p. 111.
Star Busmann/Rutten 1972, p. 111.
Snijders en Stein 1994, p. 5.
Jongbloed, GS Vermogensrecht, titel 11, Boek 3, Inleiding op art. 296-305D, aant. 3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 3:302 BW maakt deel uit van titel 11 van boek 3. In deze titel worden diverse aspecten van rechtsvorderingen geregeld. De bepalingen van deze titel kunnen worden onderverdeeld in vier categorieën. De eerste zes bepalingen van titel 11 hebben betrekking op de vordering tot nakoming en reële executie (art. 3:296 tot en met art. 3:301 BW). Daarna volgen acht specifieke bepalingen over (de reikwijdte van) rechtsvorderingen (art. 3:302 tot en met 3:305d BW). De derde categorie bestaat uit bepalingen over de bevrijdende verjaring (art. 3:306 tot en met 3:325 BW). En de vierde categorie bestaat uit een schakelbepaling die ziet op de toepasselijkheid van de bepalingen uit de titel buiten het vermogensrecht (art. 3:326 BW). De bepaling waarin de mogelijkheid is opgenomen om een verklaring voor recht te vorderen (art. 3:302 BW), valt dus onder het begrip ‘rechtsvorderingen’.
Over de definitie van het begrip ‘rechtsvordering’ bestaat verwarring en discussie in de literatuur. Dat is begrijpelijk, gelet op het feit dat het woord in de wet op verschillende wijzen wordt gebruikt.1 In sommige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek wordt met rechtsvordering bedoeld de bevoegdheid om een materieel recht (of subjectief recht) geldend te maken.2 Dit wordt ook wel ‘de materiële betekenis’ van het begrip ‘rechtsvordering’ genoemd (zie bijvoorbeeld art. 3:306 BW). In andere bepalingen wordt met een rechtsvordering bedoeld het middel waarmee het subjectieve recht geldend wordt gemaakt.3 Dit wordt ook wel ‘de formele betekenis’ van het begrip genoemd (zie bijvoorbeeld art. 3:218 BW). Volgens sommige auteurs dient het begrip ‘rechtsvordering’ te worden gebruikt voor beide betekenissen.4 Volgens anderen dient het slechts te worden gebruikt in formele zin, dus om aan te geven met welk middel een eis wordt ingesteld.5 Om het materiële aspect van het begrip ‘rechtsvordering’ aan te geven, gebruiken deze auteurs de term ‘vorderingsrecht’.6 De term ‘vorderingsrecht’ wordt op zijn beurt echter in het vermogensrecht ook gebruikt om de relatieve vermogensrechten aan te duiden.7
Gelet op het voorgaande is het van belang om steeds na te gaan in welke betekenis(sen) het woord ‘rechtsvordering’ wordt gebruikt, opdat verwarring zoveel mogelijk kan worden voorkomen. In art. 3:302 BW is de term ‘op vordering van’ opgenomen. Deze term geeft aan op welke wijze of met welk middel de onmiddellijk bij een rechtsverhouding betrokken persoon een verklaring voor recht kan vragen: hij dient de verklaring voor recht te vorderen in een dagvaardingsprocedure.8 Volledigheidshalve merk ik op dat een verklaring voor recht zowel in conventie als in reconventie (art. 136 Rv) kan worden gevorderd. Kortheidshalve schrijf ik hierna steeds over ‘eiser’. Tenzij ik expliciet anders vermeld, kan daarvoor zowel eiser in conventie als eiser in reconventie worden gelezen.