Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.F.7
7. Tot slot: ontkoppeling
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS476155:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 21, p. 2-3.
Aldus D.W. Bruil, ‘Kavelruil geregeld?’, p. 631. Zie over de goedkeuring uitgebreid onderdeel G.6.g van het vorige hoofdstuk.
D.W. Bruil, ‘Kavelruil geregeld?’, p. 636.
Civiel en subsidie hebben onder de Rvkw 1954 en Liw een ‘duo’ gevormd, terwijl de fiscale toenadering tot deze ‘tandem’ gedurende de jaren wisselend te noemen is. Zie nader de fiscale episode van dit onderzoek.
Zie voor een nadere uitwerking en onderbouwing van deze enigszins ruwe gedachtenschets onderdeel D van de slotbeschouwing.
Zie in dit kader J.W. Wiltink, ‘Reactie naar aanleiding van het artikel ‘Kavelruil anno 2010: de stand van zaken’ in Agrarisch Recht 2010, p. 316’, p. 10, die de keuze voor decentralisatie op subsidieniveau verdedigt.
Ter afsluiting van het hoofdstuk ‘subsidie’ nog een, voor een goed begrip van de kavelruil onder de WILG noodzakelijke, opmerking: door de decentralisatie, aanvankelijk op grond van het ILG en, meer recent, op grond van het Natuurakkoord, is de subsidie voor kavelruil blijvend ‘ontkoppeld’ van de civiel- en fiscaalrechtelijke gevolgen. De minister merkte dit reeds op in zijn brief van 8 september 2006:
“De subsidiegelden voor kavelruil zijn op grond van de WILG opgegaan in het Investeringsbudget landelijk gebied. Daarmee is het aan de provincies om bij provinciale verordening te bepalen of en onder welke voorwaarden subsidie wordt verstrekt voor ruilverltaveling bij overeenkomst. Daarmee zijn de subsidieverlening en de civielrechtelijke gevolgen van de kavelruilovereenkomst volledig ontkoppeld.”1
Deze ontkoppeling is een duidelijke systeemwijziging ten opzichte van de Landinrichtingswet. In het stelsel van de Landinrichtingswet waren de effecten, zij het op tamelijk onduidelijke wijze, wel gekoppeld, vooral via de goedkeuring van de overeenkomst ex artikel 122 Liw.2
Bruil stelt in dit kader de terechte vraag of de ontkoppeling door de kavelruilpraktijk beschouwd moet worden als vloek of als zegen:
“Of het nu zo verstandig is om de civielrechtelijke effecten van een kavelruil geheel los te koppelen van de subsidies kan worden betwijfeld (…)."3
Gezien het feit dat (een effectieve toepassing van) de kavelruil vooral gebaat is bij stabiliteit en duidelijkheid op het terrein van de regelgeving, neig ik naar de (enigszins ongenuanceerde) conclusie dat de ontkoppeling de kavelruil eerder kwaad dan goed doet. De praktijk zou, bij de inzet van kavelruil, idealiter niet afhankelijk moeten zijn van ‘provinciale grillen’ en (periodiek) wisselende politieke verhoudingen op subsidiegebied. Ook zou de (toevallige) geografische ligging van de in de kavelruil te betrekken onroerende zaken niet van invloed moeten zijn op de omvang en samenstelling van de subsidie.
Ik zou daarom op deze plaats een voorzichtig pleidooi willen houden voor de terugkeer van enige mate van koppeling tussen de subsidie en het civiele (en fiscale) traject. De drie elementen die samen het ‘fundament’ van het kaveiruii-huis vormen, zijn dan (voor het eerst in de historie)4 een echte drie-eenheid. Wellicht kan in de toekomst, mede gezien de recente lotgevallen van het ILG, hernieuwde centralisatie van de subsidieregeling in overweging worden genomen.5 ik abstraheer daarbij gemakshalve van de politieke dimensie van deze discussie;6 voorgaande (voorzichtige) centralisatie-wens is uitsluitend ingegeven vanuit de gedachte dat de inzet van het instrument kavelruil zoveel mogelijk ‘rimpelloos’ dient te geschieden. Ook ben ik mij uiteraard terdege bewust dat een dergelijke ommezwaai op subsidiegebied in de nabije toekomst niet in de rede ligt: bestudering van de historische ontwikkeling leert onder meer dat ‘decentralisatie’ een lang gekoesterde wens en een verworvenheid is, die niet snel teruggedraaid zal worden. Differentiatie en incongruentie tussen de diverse decentrale wetten en regels wordt daarbij vaak gezien als ‘collateral damage.’