Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.0.II.A
I.II.A Achtergronden en veronderstellingen
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624131:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Asser/Perrick 2013 (4), nr. 148: ‘Doorgaans staat men de erflater niet toe zijn testeerbevoegdheid aan een ander te delegeren.’ Zie voorts het verslag van Rookmaker 2003b, dat als doel had de in een discussiebijeenkomst naar voren gebrachte knelpunten rondom delegatie weer te geven. Het verslag betreft de afscheidsbijeenkomst van R.J.W. Meyer als voorzitter van de Vereniging van Estate Planners in het Notariaat (EPN) met als onderwerp: ‘De grenzen van delegatie van erfrechtelijke bevoegdheden.’ Voor de afwijzende invalshoek zie: Breemhaar 1992, nr. 18, 42, 72 en 74-77 (‘het verbod van wilsdelegatie’) en Kleijn 2004a, p. 82: ‘Uit de duidelijke bepalingen van artikel 4:42 lid 3 en 7:177 BW volgt dus dat delegatie van het maken van uiterste wilsbeschikkingen niet door de wetgever is toegestaan. De toekenning van erfrechtelijke aanspraken kan slechts, mijns inziens, inhoudelijk geschieden door de erflater zelf en wel bij testament. Hiermee meen ik de opvatting dat delegatie van uiterste wilsbeschikkingen is toegestaan in zijn algemeenheid te moeten verwerpen.’
Zie in dit verband ook art. 4:115 BW: ‘Een erfstelling is een uiterste wilsbeschikking, krachtens welke de erflater aan een of meer daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin nalaat (curs. NB).’ Art. 4:115 BW en zijn relatie tot het delegatievraagstuk behandel ik in paragraaf 5.2 ‘Erfstelling’.
Zwalve 1983, p. 157.
Suijling/Dubois 1931, nr. 95: ‘Omdat de erflater persoonlijk moet beschikken, mag hij niet aan derden overlaten, in zijne plaats erfrechtelijke voorzieningen te treffen. Zelfs mag hij zijne beschikking niet van de goedkeuring van derden afhankelijk stellen.’
Kleijn 1969, p. 281 noemt onder het kopje ‘Bezwaren tegen delegatie van uiterste wilsbeschikkingen aan te voeren’ als eerste bezwaar de regel dat de uiterste wil van de erflater hoogstpersoonlijk is. Wilsdelegatie is daarmee zijns inziens evenwel niet uitgesloten. Kleijn publiceerde in de jaren daarna meerdere artikelen over het delegatievraagstuk. Zie: Kleijn 1996; Kleijn 2004a; Kleijn 2004b; Kleijn 2004c; Kleijn 2007.
Breemhaar 1992, nr. 72, 74-77. Breemhaar concludeert tot een verbod van wilsdelegatie, dat zijns inziens voortvloeit uit het bepaaldheidsvereiste in verbinding met de hoogstpersoonlijkheid van de uiterste wilsbeschikking. Ik kom op deze visie van Breemhaar terug in paragraaf 3.5.3 ‘Hoogstpersoonlijk karakter en bepaaldheidsvereiste’.
Van Mourik 2008, nr. 46. Van Mourik merkt op dat het antwoord op de vraag waar de grenzen bij delegatie van uiterste wilsbeschikkingen liggen, mede wordt gegeven ‘in het besef dat uiterste wilsbeschikkingen een persoonlijk karakter hebben en aan strenge vormvereisten zijn onderworpen’. Van Mourik 2013, nr. 46 geeft aan dat het hoogstpersoonlijke karakter op het eerste gezicht op gespannen voet staat met art. 4:42 lid 3 BW, maar dat de verwijzing naar ‘de hoogstpersoonlijke aard’ van de uiterste wilsbeschikking in de literatuur met weinig sympathie wordt omringd.
F. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 116 waar opgemerkt wordt dat uit het feit dat de uiterste wilsbeschikking een hoogstpersoonlijke rechtshandeling is, voortvloeit dat de erflater de invulling van zijn uiterste wil niet onbeperkt aan een derde kan overlaten.
Kleijn 2004a.
Kamerstukken II 1992/93, 17141, 12, p. 39 (MvA II), Parl. Gesch. Inv. p. 1771. Zie ook Kamerstukken II 1991/92, 17141, 11, p. 15 (VV II), Parl. Gesch. Inv. p. 1771 en Zwalve 1983 naar aanleiding waarvan de vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer de vraag stelt.
Wanneer we het geringe aantal pagina’s in de literatuur over testamentaire delegatie erop naslaan, valt op dat het delegatievraagstuk overwegend vanuit een terughoudende en zelfs afwijzende invalshoek wordt benaderd.1 Deze benadering kan hoofdzakelijk worden toegeschreven aan art. 4:42 lid 3 BW, waarin het hoogstpersoonlijk karakter van de uiterste wilsbeschikking tot uitdrukking komt:2
‘Een uiterste wilsbeschikking kan alleen bij uiterste wil en slechts door de erflater persoonlijk worden gemaakt en herroepen (curs. NB).’
Meerdere auteurs zien in dit persoonlijke karakter een belangrijk bezwaar tegen het delegeren bij uiterste wil. Zo schrijft Zwalve:
‘In hoeverre staat het een testator vrij zijn testeerbevoegdheid aan een ander af te staan? De hierboven gestelde vraag pleegt over het algemeen ontkennend te worden beantwoord en wel omdat het testament een hoogstpersoonlijke wilsverklaring bevat en de wil van de erflater derhalve niet mag worden vervangen door de wil van een ander.’3
Ook Suijling/Dubois,4 Kleijn,5 Breemhaar,6 Van Mourik,7 en F. Schols8 merken op dat het delegeren van testeerbevoegdheden niet goed valt te rijmen met de hoogstpersoonlijke aard van de uiterste wilsbeschikking. Daar waar Breemhaar en Kleijn9 wilsdelegatie in beginsel van de hand wijzen, brengen de andere schrijvers een relativering aan. Wat erflater niet is toegestaan, is zijn beschikking afhankelijk te stellen van de willekeur van een ander. De minister oordeelt eveneens zo. Hij antwoordt op de vraag van de vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer of in het Nederlandse erfrecht behoefte bestaat aan een wettelijke regeling van het legaat met keuzemogelijkheid overeenkomstig het Duitse en het Italiaanse erfrecht als volgt:
‘Het derde lid van artikel 4.3.1.2 regelt uitdrukkelijk dat een uiterste wilsbeschikking slechts door de erflater persoonlijk kan worden gemaakt. Daarmee blijft de mogelijkheid bestaan dat de erflater in zijn testament een derde aanwijst die zal bepalen wie van de verscheidene door de erflater genoemde personen het legaat zal genieten. Wat de erflater niet is toegestaan is zijn beschikking afhankelijk te stellen van de willekeur van een ander.’10
‘Willekeur’ lijkt hiermee een graadmeter voor het delegatievraagstuk te zijn, althans volgens de minister. Maar wat is willekeur en welke delegatiebepalingen zijn op basis van dit criterium (hierna te noemen: ‘het willekeurcriterium’) dan toegestaan? Is het willekeurcriterium een terechte graadmeter? Hoe verhoudt het willekeurcriterium zich tot het persoonlijke karakter van de uiterste wilsbeschikking, zoals dat tot uitdrukking komt in art. 4:42 lid 3 BW? En wat betekent art. 4:42 lid 3 BW voor de toelaatbaarheid van wilsdelegatie? Het antwoord op deze vragen is nog met veel onzekerheden omkleed. In dit onderzoek poog ik deze onzekerheden weg te nemen door de grenzen van wilsdelegatie op te sporen.