De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.7.1:3.7.1 De mate van zelfstandigheid van de VOF ten opzichte van haar vennoten en derden
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.7.1
3.7.1 De mate van zelfstandigheid van de VOF ten opzichte van haar vennoten en derden
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS383406:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De VOF is vanwege het ontbreken van rechtspersoonlijkheid enerzijds ‘goederenrechtelijk transparant’: de gezamenlijke vennoten zijn de rechthebbenden van de vennootschappelijke goederen. Anderzijds heeft het vennootschappelijk vermogen in belangrijke mate een zelfstandige status, omdat het is afgescheiden van de privévermogens van de vennoten én ondergeschikt is aan het doel van de vennootschap. Dit afgescheiden vermogen wordt, zonder formaliteiten zoals inschrijving in het handelsregister of notariële tussenkomst, door middel van het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst tot stand gebracht. Het afgescheiden zijn van het vennootschappelijk vermogen van het privévermogen van een vennoot biedt een waarborg voor zaakscrediteuren, die geen inmenging van privécrediteuren hebben te vrezen. Omdat de zaakscrediteuren exclusief verhaal hebben op ‘het vennootschappelijk vermogen’, hoeven zij zich niet te bekommeren over de vraag of elke vennoot een aandeel heeft in het door hem uit te winnen goed (hetgeen niet vereist is) en of iedere vennoot aansprakelijk is voor de zaaksschuld. Voor derden heeft het vennootschappelijk vermogen in goederenrechtelijke zin dus een zelfstandige status.
De doelgebondenheid van het vennootschappelijk vermogen (d.w.z. de goederen mogen alleen aangewend worden ter bevordering van het vennootschappelijke doel) biedt een waarborg voor de vennoten (intern doel), omdat een medevennoot of zijn privéschuldeiser niet zomaar een vennootschappelijk goed kan vervreemden. Ook voor vennoten heeft het vennootschappelijk vermogen dus in zekere zin in goederenrechtelijk opzicht een zelfstandige status. De reikwijdte van de beschikkingsgebondenheid en de gevolgen bij handelen in strijd daarmee, verschillen al naar gelang het al dan niet ontbonden zijn van de VOF en het beschikken over een aandeel in een afzonderlijk goed of over een aandeel in de ‘gemeenschap als zodanig’. Zolang de VOF niet is ontbonden, is een vennoot onbevoegd om over een aandeel in een goed te beschikken (maar een verkrijger te goeder trouw kan beschermd worden tegen beschikkingsonbevoegdheid), terwijl een aandeel in de gemeenschap als zodanig onoverdraagbaar is (bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid is niet mogelijk). Als de VOF is ontbonden maar de vennootschappelijke gemeenschap nog niet is verdeeld, dan is een vennoot beschikkingsonbevoegd ten aanzien van zijn aandeel in een goed (art. 3:190 BW; derdenbescherming mogelijk), terwijl hij over een aandeel in de gemeenschap als zodanig in beginsel vrij kan beschikken. Dit laatste is echter anders als uit de rechtsverhouding tussen de vennoten anders voortvloeit (art. 3:191 BW), bijvoorbeeld omdat zij zijn overeengekomen dat de onderneming met de daartoe behorende goederen wordt voortgezet.
Titel 3.7 BW biedt zowel privé- als zaakscrediteuren waarborgen zodra de gemeenschap vatbaar is voor verdeling. Zo kan de privécrediteur een pand- of hypotheekrecht vestigen op het aandeel van zijn schuldenaar en kan de zaakscrediteur zich tegen verdeling verzetten (en de verdeling te zijnen behoeve vernietigen als toch wordt verdeeld; art. 3:193 lid 3 BW). Beide waarborgen zijn echter zeer relatief als men bedenkt dat de ontbinding van de VOF niet (aan de schuldeisers) bekend hoeft te worden gemaakt. Verzet tegen verdeling is niet mogelijk als al verdeeld is. Beide groepen schuldeisers houden echter wel verhaal op de privévermogens van de vennoten. Een benadeelde zaakscrediteur staat daarnaast de pauliana ten dienste. Voor vennoten maakt het niet bekend hoeven maken van ontbinding het mogelijk om zonder inmenging van derden de onderneming voort te zetten, wat de continuïteit van de onderneming ten goede komt.
De VOF kan failliet worden verklaard, zonder dat het faillissement van de VOF noodzakelijkerwijs en automatisch het faillissement van de vennoten met zich brengt. Dit bevestigt de zelfstandige positie van de VOF in het maatschappelijk verkeer. Wel moeten de aanvragers van het faillissement steeds de namen van de vennoten vermelden bij hun aanvraag. Andersom brengt het faillissement van een vennoot ook niet het faillissement van de VOF mee, maar leidt dit wel tot (gedeeltelijke, namelijk ten aanzien van de failliete vennoot) ontbinding van de VOF.