Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/18.7.1
18.7.1 Voorzienbaarheid van het faillissement en het tekort
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS404673:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vermue 2011, p. 39-47. A-G Strikwerda heeft overwogen: “De mate van voorzienbaarheid [van benadeling] bepaalt of de handelwijze al dan niet als onbetamelijk en daarom als paulianeus moet worden aangemerkt.” (In HR 22 december 2009, NJ 2010, 273, JOR 2011/19 (Van Dooren q.q. III), conclusie overweging 27).
Zie bijvoorbeeld Wibier 2003, Van Hees 2006 en De Weijs 2007.
Zie hierover (en voor verwijzing naar de relevante literatuur en rechtspraak) De Weijs 2010a, p. 245 en Faber 2005, p. 328.
HR 17 november 2000, NJ 2001, 272 (Bakker q.q./Katko). Zie ook HR 1 oktober 1993, NJ 1994, 257 (Ontvanger/Pelicaan).
De Weijs merkt hierover op: “Waar de kans op benadeling niet voldoende is voor het aannemen van de wetenschap van benadeling, lijkt het andere uiterste – in de zin dat absolute zekerheid dient te bestaan dat benadeling zal volgen – ook geen hanteerbaar criterium op te leveren en is dit ook niet vereist.” (De Weijs 2010a, p. 245).
HR 22 december 2009, NJ 2010, 273, JOR 2011/19 (Van Dooren q.q. III), r.o. 3.7.
Positief: Wibier 2010. Kritisch: Faber in zijn JOR-noot bij het arrest en Van der Weijden 2012, p. 110.
De Weijs bepleit (mijns inziens terecht) een flexibele benadering van het wetenschapsvereiste, waarin de “wetenschap van benadeling wordt ingevuld door zowel de aard en de inhoud van de rechtshandeling als de mate waarin ten tijde van de rechtshandeling de insolventie van de schuldenaar te voorzien was”. Zijns inziens is het onwenselijk om één absoluut peilmoment vast te stellen waarbij alle rechtshandelingen die daarvoor verricht zijn toegestaan, en die daarna zijn verricht als paulianeus kwalificeren (De Weijs 2007, p. 850). Zie ook Ter Beek-Ehren & Laagland 2011, die op basis van een analyse van de rechtspraak die na ABN Amro/ Van Dooren q.q. III is verschenen, concluderen dat wetenschap van benadeling eerder wordt aangenomen indien de wederpartij “dichter bij de onderneming staat”; bijvoorbeeld bij een meerderheidsaandeelhouder/ financier.
Art. 42 Fw bepaalt dat voor een succesvol beroep op de pauliana de debiteur (en in het geval van een rechtshandeling om baat tevens de wederpartij) wist of behoorde te weten dat crediteuren als gevolg van de rechtshandeling benadeeld zouden worden. Niet is vereist dat er een oogmerk tot benadeling bestond. De wetenschap van benadeling is wellicht het belangrijkste vereiste in de regeling. In dit element schuilt het paulianeuze karakter van de rechtshandeling dat (onder omstandigheden) noopt tot haar vernietiging.1 Het mag dan ook niet verbazen dat het vereiste in de loop der jaren veel pennen in beweging heeft gebracht.2 Een belangrijk punt van discussie betrof de vraag of voor wetenschap van benadeling altijd vereist is dat het faillissement van de vennootschap in een zekere mate voorzienbaar was.3 Benadeling van schuldeisers manifesteert zich immers pas op het moment dat schuldeisers overgaan tot verhaalsuitoefening en in het daarop volgende faillissement constateren dat onvoldoende resteert om alle crediteuren te voldoen.
In 2001 heeft de Hoge Raad een aanzet gegeven tot een nadere invulling van het wetenschapsvereiste; in zijn arrest inzake Bakker q.q./Katko overwoog hij dat voor een succesvol beroep op de pauliana, onvoldoende is dat partijen wisten of hadden moeten weten dat als een faillissement zou volgen, benadeling van schuldeisers het gevolg van de gewraakte rechtshandeling was geweest.4 De Hoge Raad overwoog dat immers niet voldoende is dat wetenschap bestaat van een kans op benadeling.5 In het ABN AMRO/Van Dooren q.q. III overwoog hij vervolgens dat de schuldenaar en zijn wederpartij wetenschap van benadeling hebben “wanneer zij op het moment van het verrichten van de rechtshandeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid kunnen voorzien”.6 In de literatuur is de door de Hoge Raad gegeven invulling aan het wetenschapscriterium wisselend ontvangen.7 Hoewel daarmee vaststaat dat voorzienbaarheid van het faillissement vereist is, blijft niettemin onduidelijk in welke gevallen het faillissement en het tekort met een redelijke mate van waarschijnlijkheid voorzienbaar zijn. De open norm is kortom ingevuld met een weliswaar iets meer afgebakende, maar nog steeds vrij open norm. De concrete toepassing van het criterium en de daarmee gepaard gaande afwegingen blijven mijns inziens sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het concrete geval.8