De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.9:9.9 Conclusie
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.9
9.9 Conclusie
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS375827:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Algemeen
Vakbonden beschikken sinds 1971 over de enquêtebevoegdheid. De achterliggende gedachte is dat het beleid van de vennootschap ook anderen dan alleen aandeelhouders regardeert. Het werknemersbelang is in het bijzonder bij dat beleid betrokken (§ 9.2). Dit betekent niet dat vakbonden het enquêterecht slechts kunnen inzetten tegen sociale of economische beleidsfouten die de belangen van werknemers schaden. Ieder beleid dat de continuïteit van de vennootschap en daarmee de werkgelegenheid van haar werknemers in het geding brengt, geeft de vakbond mijns inziens een belang bij het doen van een enquêteverzoek (§ 9.4.2).
In de rechtspraak levert de toepassing van de vereisten van art. 2:347 BW over het algemeen geen onduidelijkheden op (§ 9.3). Zolang de rechtspersoon een actieve onderneming heeft zal de toepassing van die vereisten immers niet ingewikkeld zijn. Dat ligt anders indien de vakbond ten tijde van het indienen van het enquêteverzoek geen leden meer telt onder de ‘in de onderneming werkzame personen’ als gevolg van een bepaalde gebeurtenis. Daarnaast is het de vraag hoe invulling wordt gegeven aan de woorden ‘in de onderneming werkzame personen’ bij de toepassing van het enquêterecht van vakbonden in concernverhoudingen.
De enquêtebevoegdheid bij de enkelvoudige vennootschap
Indien ten tijde van het indienen van het enquêteverzoek geen werknemers meer in dienst zijn bij de onderneming als gevolg van een reorganisatie of faillissement brengt dat niet noodzakelijkerwijs mee dat de vakbond geen enquêtebevoegdheid toekomt. Volgens de OK brengen de aard en strekking van het enquêterecht mee dat aan de voorwaarde ‘werkzaam in de onderneming’ van art. 2:347 BW is voldaan, indien de vakbond ten tijde van de (eventueel) te onderzoeken gedraging(en) leden telt bij de te onderzoeken rechtspersoon en dit vanwege het faillissement van de rechtspersoon ten tijde van het indienen van het enquêteverzoek niet langer het geval is. Het uitgangspunt is dus dat de vakbond leden in de onderneming van de rechtspersoon heeft in de periode waarover het onderzoek zich uitstrekt. De omstandigheid dat er vanaf een bepaald moment geen leden meer werkzaam zijn in de onderneming van de rechtspersoon als gevolg van een reorganisatie of faillissement leidt mijns inziens echter niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid van het enquêteverzoek (§ 9.4.4). In dat geval kan voor de ontvankelijkheid van de vakbond een parallel worden getrokken met de ontvankelijkheid van partijen die hun kwalificatie als lid respectievelijk aandeelhouder (zo goed als) zijn verloren door een oorzaak die buiten hun invloedssfeer ligt (§ 9.4.5). Ook hier komt derhalve de gedachte terug dat wanneer een enquêteverzoeker als gevolg van een gebeurtenis niet langer voldoet aan de toegangsvereisten, dit niet in de weg staat aan zijn ontvankelijkheid, mits het verzoek (mede) betrekking heeft op die gebeurtenis en de verzoeker stelt dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid omtrent die gebeurtenis (§ 3.4).
De enquêtebevoegdheid in concernverhoudingen
Een vakbond heeft doorgaans alleen leden die werkzaam zijn in de onderneming van een dochtervennootschap en niet in de holding. Voor vakbonden kan niettemin de behoefte bestaan om het (concern)beleid van de moedervennootschap en andere concernvennootschappen van de vennootschap in wier onderneming haar leden zijn aan de orde te stellen. Het beleid van de moedervennootschap kan echter alleen onderwerp van de enquête zijn als de vakbond bij de moedervennootschap enquêtebevoegd is. Uit art. 2:347 BW blijkt dat die bevoegdheid afhankelijk is van de vraag of de vakbond in de onderneming van de rechtspersoon werkzame personen onder haar leden telt. Bij de toepassing van het enquêterecht van vakbonden in concernverhoudingen komt het derhalve aan op de betekenis van de woorden ‘in de onderneming werkzame personen’. Er zijn twee situaties te onderscheiden waarin aan de enquêtebevoegdheid van vakbonden een concernrechtelijke uitleg kan worden gegeven.
De eerste situatie betreft het gezamenlijk drijven van een onderneming. In dat kader is met name de Janssen Pers-beschikking relevant. In die zaak stelt de OK vast dat de betrokken rechtspersonen feitelijk één onderneming vormen waarvoor een gemeenschappelijke ondernemingsraad is ingesteld. De enquêtebevoegdheid van de vakbond die leden telt onder het in die onderneming werkzame personeel is daarmee gegeven (§ 9.5.3). In zijn algemeenheid betekent dit dat als de OK in een zaak vaststelt dat er voor de ondernemingen van de te onderzoeken rechtspersonen een gemeenschappelijke ondernemingsraad is ingesteld, de vakbond die leden telt onder het in die onderneming werkzame personeel de enquêtebevoegd toekomt bij alle rechtspersonen (9.5.8).
In de tweede situatie gaat het om de invloed die de moedervennootschap uitoefent op het gewraakte beleid bij de dochtervennootschap. Voor opwaartse concernenquêtes van vakbonden dient mijns inziens de omgekeerde maatstaf van Landis te gelden: moedervennootschap en dochtervennootschap moeten zodanig verweven zijn dat binnen de dochtervennootschap zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid ten opzichte van de moedervennootschap ontbreekt. Bepaalt de moedervennootschap het gewraakte beleid van haar dochtervennootschap volledig, dan raakt het beleid en de gang van zaken van de moedervennootschap de belangen van de werknemers bij de dochtervennootschap daardoor evenzeer en op gelijke wijze als het beleid van de dochtervennootschap zelf. Het beleid van de moedervennootschap en dochtervennootschap is immers een en hetzelfde. Onder deze omstandigheden zijn de moedervennootschap en dochtervennootschap zodanig met elkaar verweven dat geen sprake meer is van gescheiden situaties en kan worden aangenomen dat de moedervennootschap de onderneming van de dochtervennootschap mede in stand houdt. De strekking van het enquêterecht brengt mijns inziens dan mee dat een vakbond wiens leden werkzaam zijn in de dochtervennootschap (mede) bevoegd is tot het indienen van een enquêteverzoek bij de moedervennootschap. Het enquêterecht strekt ertoe de werknemers te beschermen met het bevorderen van de beginselen van behoorlijk ondernemerschap. Die bescherming van de werknemers, als strekking van het enquêterecht, komt hier tot uiting in aspecten als openheid, sanering, vaststelling van de verantwoordelijkheid voor het mogelijk blijkend wanbeleid en preventie op het niveau van de dochtervennootschap zelf en de moedervennootschap (§ 9.5.8).
Net als bij concernenquêtes van aandeelhouders dient het zwaartepunt mijns inziens dus niet te liggen bij het ‘raken-vereiste’, maar bij het al of niet ten opzichte van de moedervennootschap zelfstandig bepaalde en gevoerde bestuursbeleid (§ 6.9).
Gebruik van het enquêterecht door vakbonden in de praktijk en de positie van de ondernemingsraad
De vakbonden maken sporadisch gebruik van hun enquêtebevoegdheid (§ 9.7). Een oproep aan de vakbonden om actiever gebruik te maken van de enquêtebevoegdheid is reeds in de literatuur gedaan, maar tot op heden zonder succes. Die geringe enquêtebereidheid heeft tot gevolg dat met enige regelmaat de terechte vraag rijst of het enquêterecht (niet ook) aan de ondernemingsraad moet toekomen (§ 9.8.3). Ik meen dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. De in dit hoofdstuk besproken argumenten tegen toekenning van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad overtuigen mij niet (§ 9.8.4).
Het belangrijkste terugkerende argument tegen enquêtebevoegdheid voor de ondernemingsraad is het gevaar voor een lichtvaardig gebruik van het enquêterecht en de onmogelijkheid om bij afwijzing van het enquêteverzoek de schade te verhalen. De ondernemingsraad heeft geen rechtspersoonlijkheid, geen eigen vermogen en biedt dus geen verhaal bij aansprakelijkheid. Het steeds aanhalen van deze omstandigheid mist naar mijn mening praktische relevantie nu een kostenveroordeling in het enquêterecht nimmer is uitgesproken. De vrees dat de ondernemingsraad (te) lichtvaardig gebruik zal maken van het enquêterecht deel ik evenmin. De ervaringen met het gebruik van het beroepsrecht op grond van de WOR zijn van dien aard, dat het niet de verwachting is dat de ondernemingsraad veelvuldig of te lichtvaardig gebruik zal maken van het enquêterecht. De norm misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW) en de toewijzingseis voor een enquêteverzoek – de gegronde redenen – bieden mijns inziens een waarborg tegen lichtvaardig gebruik (§ 9.8.4.10).
Bij toekenning van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad dient de enquêtebevoegdheid van de vakbond behouden te blijven. Het enquêterecht van de vakbond en hetzelfde gewenste recht voor de ondernemingsraad zijn complementair aan elkaar. De enquêtebevoegdheid van de ondernemingsraad naast die van de vakbond biedt een oplossing voor de gevallen waarin de vakbonden de enquêtebevoegdheid missen vanwege de teruglopende organisatiegraad van werknemers. Het is in mijn ogen niet langer van deze tijd dat bij een onderneming waarin geen vakbondsleden werkzaam zijn, voor de werknemers geen mogelijkheid bestaat om een enquête aanhangig te maken (§ 9.8.5.1). Een competentiestrijd tussen de ondernemingsraad en vakbonden op het terrein van het enquêterecht zal zich naar mijn verwachting niet voordoen. Zij kunnen dat recht immers onafhankelijk van elkaar inzetten, net zoals andere enquêtegerechtigden dat kunnen. Wel dient de ondernemingsraad voorafgaand aan zijn enquêteverzoek de vakbond in de gelegenheid te stellen om van haar gevoelen te doen blijken, zoals de vakbond dat thans moet op grond van art. 2:349 lid 2 BW. Dit ontvankelijkheidsvereiste zorgt ervoor dat vakbonden en ondernemingsraden over en weer bekend zijn met elkaars voornemen tot het indienen van een enquêteverzoek en dat verzoek desgewenst kunnen ondersteunen (§ 9.8.5.2).