Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/10.2:10.2 Art. 683 lid 2 Burgerlijk Wetboek (oud)
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/10.2
10.2 Art. 683 lid 2 Burgerlijk Wetboek (oud)
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS488419:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Diephuis 1846, p. 328.
Asser/Beekhuis 1990 (3-II),p. 196.
Land 1901, p. 258; anders Opzoomer 1876, p. 367, noot 1.
Diephuis 1846, p. 328.
Land 1901, p. 258.
Pitlo/Brahn 1980, p. 277.
Diephuis 1886, p. 189.
Land 1901, p. 258.
Land 1901, p. 259.
Diephuis 1846, p. 330.
Diephuis 1846, p. 329.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens Diephuis1 bestond onder het regime van het oude recht de algemene regel inhoudende dat
‘hij, die uit hoofde eener hem toebehorende zaak tot iets verpligt is, zich van die verplichting kan ontdoen door afstand te doen van die zaak.’
In het bijzonder kwam dit tot uitdrukking in art. 736 BW (oud) (erfdienstbaarheden). Door afstand werd de oorspronkelijk gerechtigde ontslagen uit de plicht tot het betalen van kosten, zowel de toekomstige als die uit het verleden.2
Afstand was naar oud recht een eenzijdige, vormvrije rechtshandeling. Weigering van de afstand door de buurman was niet mogelijk.3 Bij de vestiging van mandeligheid konden partijen overeenkomen dat afstand niet mogelijk zou zijn. Een beperking van de mogelijkheid tot het doen van afstand was gelegen in art. 683 lid 2 BW (oud). Ten aanzien van
‘schragende en steunende scheidsmuren en afscheidingen in de bebouwde kom’
was afstand niet mogelijk. Met als reden:
‘daar hij (de mede-eigenaar; JGG) natuurlijk geenen muur, voor eigen gebruik noodzakelijk, door anderen kan laten onderhouden.’4
Afstand van een muur impliceert – volgens Land – afstand van de grond.5 De andere eigenaar verkrijgt de muur – en volgens Land de onderliggende grond voor zover behorende tot het buurperceel – in privé-eigendom. Er zou gesproken kunnen worden van aanwas.6
Ingeval door een van de mede-eigenaren afstand is gedaan blijft het voor de dan volle eigenaar ook mogelijk om afstand te doen.
‘Kunnen zo alle medeëigenaren afstand doen, dan kan ook een muur, die om te blijven bestaan herstelling noodig heeft, zonder herstelling blijven en dien ten gevolge vervallen; maar dit zal geen bezwaar opleveren, omdat de afstand slechts onder zekere voorwaarden is toegelaten, en de muur dus noch tot steun van een gebouw noch tot afsluiting nodig moet zijn; niets belet dan ook de vroegere eigenaren om nog den muur af te breken, en de bouwstoffen, gelijk ook den nu vrijgeworden grond, te deelen.’7
Land merkt opdat ingeval ook de andere eigenaar afstand doet, de bouwstoffen aan geen van beide van de oorspronkelijke eigenaren toebehoren.8 Wie de eigendom van de muur verkrijgt ingeval beide eigenaren na elkaar afstand doen – terwijl de muur in stand blijft – is onduidelijk.
Zo de muur door de enige eigenaar wordt afgebroken heeft degene die afstand heeft gedaan geen rechten meer, noch op vrijgekomen materialen, noch op de ondergrond.9 Diephuis vindt dit onbillijk, maar acht zich niet bevoegd daaromtrent anders te oordelen nu de wet daarover niets bepaalt.10
Afstand is niet mogelijk ingeval de kosten voor risico komen van de eigenaar die afstand wenst te doen. Art. 1401 BW (oud) blijft van kracht.11