Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/2.3.3.4
2.3.3.4 Vrijstelling van het kartelverbod; artikel 81 EG, derde lid
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS581206:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Kapteyn & VerLoren van Themaat 2003, p. 661.
Zie ook reeds HvJ EG 13 juli 1966, gevoegde zaken 56/64 en 58/64 (Grundig-Consten), Jur. 1966, p. 449.
Kapteyn & VerLoren van Themaat 2003, p. 662. Het HvJ EG verwoordt het in gevoegde zaken 56/64 en 58/64 (Grundig-Consten) als volgt: 'Dat zodanige verbetering niet samenvalt met de in het algemeen onbetwistbare voordelen welke partijen aan de overeenkomst voor hun productie of distributie ontlenen, voordelen op grond waarvan de overeenkomst hun wel in al haar onderdelen onmisbaar moet voorkomen; dat zodanige subjectieve opvatting echter, waarbij het begrip 'verbetering' van de contractuele verhoudingen tussen partijen afhankelijk wordt gesteld, niet met de doelstellingen van art. 85 in overeenstemming is; dat bovendien uit het feit dat het verdrag verlangt, dat de beperking van de mededinging voor bedoelde verbetering 'onmisbaar' is, ten duidelijkste blijkt van welk groot gewicht zij dient te zijn.'
Zie de vrijstellingsverordening voor specialisatie; Verordening 2658/2000, PbEG 2000, L 304/3.
Zie ook Kapteyn & VerLoren van Themaat 2003, p. 662.
HvJ EG 13 juli 1966, gevoegde zaken 56/64 en 58/64 (Grundig-Consten), Jur. 1966, p. 449.
Zie ook Slot, Swaak & Mulder 2007, p. 85. Zie ook GvEA EG 21 maart 2001, zaak T-206/99 (Métropole), Jur. 2001, p. II-1057.
Kapteyn & VerLoren van Themaat 2003, p. 662-663.
HvJ EG 22 oktober 1986, zaak C-75/84 (Metro III), Jur. 1986, p. 3021. Zie ook Kapteyn & VerLoren van Themaat 2003, p. 663.
Kapteyn & VerLoren van Themaat 2003, p. 663 en de daar vermelde jurisprudentie. Zie bijvoorbeeld HvJ EG 14 mei 1975, gevoegde zaken 19/74 en 20/74 (Kali-Salz), Jur. 1975, p. 499 en HvJ EG 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78 t/m 215/78 en 218/78 (Fedetab), Jur. 1980, p. 3125. In Kapteyn & VerLoren van Themaat wordt gewezen op het feit dat voor de uitleg van de tweede negatieve eis een richtsnoer kan worden gevonden in de omschrijving van art. 65 lid 2 sub c EGKS waaruit blijkt dat het in belangrijke mate gaat om de vraag of een kartel als marktbeheersend kan worden aangemerkt tegenover een belangrijk deel van de leveranciers of afnemers. Tevens wordt gewezen op het feit dat de rechtspraak behorende bij art. 82 EG betreffende misbruik van een economische machtspositie een inspiratiebron kan vormen bij de vraag of leveranciers of afnemers over een uitwijkmogelijkheid beschikken waarbij een daadwerkelijke mededinging kan blijven bestaan, zoals ook te zien is in HvJ EG 28 februari 1991, zaak C-234/89 (Delimitis), Jur. 1991, p. 1-935. Is dit laatste het geval dan zal niet snel sprake zijn van marktbeheersing.
De groepsvrijstellingsverordeningen van de Commissie zijn gegeven op basis van de op art. 83 EG gebaseerde machtigingsverordeningen die zijn aangenomen door de Raad. Zie ook Kapteyn & VerLoren van Themaat 2003, p. 661.
Richtsnoeren betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag. Mededeling van de Commissie van 27 april 2004, PbEU 2004, C 101/97.
Zo heeft Pijnacker Hordijk gewezen op het feit dat een systematische verwijzing naar precedenten onbreekt en de richtsnoeren haaks staat op de benadering die de Commissie in specifiekere richtsnoeren ten aanzien van verticale en horizontale overeenkomsten en ten aanzien van technologielicenties volgt. Zie Pijnacker Hordijk 2004a, p. 129-132.
PbEG 1999, L 336.
PbEG 2002, L 203.
PbEG 2000, L 304.
PbEG 2000, L 304.
PbEG 2004, L 123.
PbEU 2003, L 53.
PbEG 1991, L 143.
PbEG 1987, L 374.
PbEU 2006, L 272.
PbEG 2000, L 100.
De bepalingen van het eerste lid van artikel 81 EG kunnen, anders dan onder het regime van de oude Verordening 17/62, onder de nieuwe Verordening 1/2003 door de nationale rechter buiten toepassing worden verklaard voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen, voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen, en voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen die voldoen aan twee positieve eisen en twee negatieve eisen.1
De eerste positieve eis is dat het kartel bijdraagt aan de verbetering van de productie of van de verdeling der producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang. Bij deze eis is van belang in het oog te houden dat enkel subjectieve voordelen voor de betrokken onderneming niet voldoende zijn om de simpele reden dat partijen nu eenmaal altijd beter denken te worden van een kartelafspraak.2 Het moet gaan om objectieve voordelen die opwegen tegen de nadelen van de beperking van de mededinging.3 Zo valt bijvoorbeeld te denken aan specialisatieovereenkomsten waardoor elke partij zich kan specialiseren in de taken waarin wordt geëxcelleerd.4 Deze afspraak kan een verlaging van de prijs of een verbetering van de kwaliteit van de producten ten gevolg hebben, waardoor de consument of de afnemer erop vooruit gaat.5
De tweede positieve eis is dat een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt. Onder gebruiker wordt dan naast de consument ook de afnemer verstaan. Bij deze eis kan gedacht worden aan het vergroten van het aanbod van producten en diensten of lagere prijzen die het gevolg zijn van lagere kosten als gevolg van de kartelafspraak. Vervolgens moet aan de twee negatieve eisen worden voldaan.
De eerste negatieve eis is dat geen beperkingen aan de betrokken ondernemingen mogen worden opgelegd welke voor het bereiken van de positieve doelstellingen niet onmisbaar zijn.6 De beperking van de mededinging moet dan ook werkelijk onmisbaar zijn om de doelstelling te bereiken.7 Deze voorwaarde moet los worden gezien van de afweging die moet worden gemaakt bij de eerste positieve eis.8
De tweede negatieve eis is dat overeenkomsten niet de mogelijkheid mogen bieden om voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen. Op het eerste gezicht een voor de hand liggende eis die volledig aansluit bij de uitgangspunten van het mededingingsrecht en de eerste drie eisen van het derde lid van artikel 81 EG. De concurrenten die overblijven door deze laatste negatieve voorwaarde verzekeren op deze wijze dat de voordelen van de kartelafspraak niet afhankelijk zijn van een dominante positie en uiteindelijk ook terechtkomen bij de verbruikers.9 De toepassing van deze voorwaarde vereist een nauwgezet onderzoek naar de relevante markt, waarbij voorop moet staan dat leveranciers aan de ene kant of afnemers aan de andere kant over uitwijkmogelijkheden moeten blijven beschikken met als gevolg dat een markt met daadwerkelijke mededinging kan blijven bestaan.10 Er dient dan ook voldoende restconcurrentie over te blijven waardoor wordt gegarandeerd dat het voordeel wordt doorgegeven aan de gebruikers.
Het derde lid van artikel 81 EG kan zijn toegepast in een groepsvrijstellingsverordening van de Commissie, maar kan onder de nieuwe Verordening 1/ 2003 door de nationale rechter ook in een individuele zaak worden toegepast.11 De Commissie heeft richtsnoeren opgesteld voor de toepassing van artikel 81 lid 3 EG .12 De Richtsnoeren zijn in de eerste plaats bedoeld als hulpmiddel voor de nationale rechters in de 27 lidstaten bij de toepassing van artikel 81 lid 1 en lid 3. Of de richtsnoeren echt behulpzaam zijn valt te bezien.13
De groepsvrijstellingsverordeningen kennen het zogenaamd safe havenprincipe, dat is aangevuld met een zwarte lijst. Zolang een vastgesteld marktaandeel niet wordt overschreden, profiteert de overeenkomst van het groepsvrijstellingsvoordeel (de zogenaamde safe haven) zolang de overeenkomst geen hardcore restricties bevat (de restricties die op de zogenaamde zwarte lijst staan).
De belangrijkste groepsvrijstellingsverordeningen zijn de verordeningen over verticale overeenkomsten (Verordening 2790/199914 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen; Verordening 1400/ 200215 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector), horizontale samenwerkingsovereenkomsten (Verordening 2658/200016 van de Commissie betreffende de toepassing van artikel 81,1id3, van het Verdrag op groepen specialisatieovereenkomsten), industriële eigendom en mededingingsrecht (Verordening 2659 /200017betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen onderzoekt- en ontwikkelingsovereenkomsten; Verordening 772/200418 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen overeenkomsten inzake technologieoverdracht), de verzekeringssector (Verordening 358/2003;19 Verordening 1534/91,20 laatstelijk gewijzigd door Verordening 1/2003), luchtvervoer (Verordening 3976/87;21 Verordening 1459/ 200622) en lijnvaart (Verordening 823/200023).