Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/3.3
3.3 Organisatorische en functionele ontwikkeling van de belastingadministratie
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS374071:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Nationaal Archief, Archief Uitvoerend Bewind, inv. nr. 42, 20 juli 1798, no 26, ‘missive agent van Financiën aan Uitvoerend Bewind, d.d. 31 mei 1798’.
Algemeen Reglement voor de Departementale Besturen, Wet van 10 juli 1805.
Nationaal Archief, Collectie Gogel, inv. nr. 59, 6 november 1807, nr. 2, ‘Memorie over de organisatie, administratie, toevoorzigt, en de wijze van heffing der beschrevene en onbeschrevene middelen.’
De opziener dient volgens instructie persoonlijk na te gaan of de administratie van de geldmiddelen op de diverse ontvangkantoren in orde is, of de belastingambtenaren in het veld volgens de voorschriften werken en of de belastingen volgens de ordonnanties worden geheven. Staatsbesluiten, 20 december 1805, nr. 17a, ‘provisionele instructie voor de opzieners over de middelen te lande’.
Voor de verdere uitvoering heeft de opziener de beschikking over hoofdcommiezen, commiezen en bedienden ter recherche; deze laatsten houden zich voornamelijk bezig met het bestrijden van smokkel en belastingfraude en worden dan ook veelal gezien als de voorlopers van de huidige rechercheurs van de FIOD.
De Belastingdienst stond in latere jaren model voor onder andere de nationale organisaties zoals het postwezen. J.P.A. Coopmans, Van beleid van politie naar uitvoering en bestuur 1700-1840. In: Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, 104 (1989), p. 579-591.
Franse wet van 23 november 1798 (3 firmaire VIII) voor de grondbelasting en de Wet op het personeel van 29 maart 1833, art. 31.
P.J.A. Adriani en J. van Hoorn, Het belastingrecht. Zijn grondslagen en ontwikkeling, 3 delen (Amsterdam, 1954-1955), II 265-270; en F.N. Sickinga, Geschiedenis der Nederlandse belastingen, I, p. 99-108.
T.J.E.M. Pfeil, Op gelijke voet. De geschiedenis van de Belastingdienst, 2009, p. 236.
De zogenaamde Raden van beroep voor de directe belastingen, Verzameling van voorschriften, 1929, nr. 3499. Wet van 19 December 1914 (Stb. 564), houdende instelling van raden van beroep voor de directe belastingen en procedure.
T.J.E.M. Pfeil, Op gelijke voet. De geschiedenis van de Belastingdienst, 2009, p. 362.
Zie bijvoorbeeld de inhoud van de volgende brief van de inspecteur te Den Helder aan de directeur te Amsterdam van 5 oktober 1899 waarin hij schrijft: ‘In het algemeen deugen, waar het doel surveillance voor Personeele belasting en Grondbelasting uit te oefenen, rijwielen niet in de binnendienst. Daar toch geldt niet het plotseling overvallen van iemand, maar de feiten welke daarvoor geconstateerd moeten worden, vereischen een kalm, langzaam en voortdurend toezicht, waarbij het beter is dat de ambtenaar te voet is.’ Bibliotheek voor Fiscale Geschiedenis (BFG), Brievenboek Inspectie Den Helder, Den Haag.
T.J.E.M. Pfeil, Op gelijke voet. De geschiedenis van de Belastingdienst, 2009, p. 375.
Verzameling van voorschriften, nr. 5200, ‘De algemeene instructie voor de ambtenaren der directe belastingen met betrekking tot de heffing der belastingen naar inkomen en vermogen’, d.d. 2 mei 1927.
De Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) start op 20 september 1945 zijn nationale werkzaamheden in het opsporen van belastingfraude. Daarvoor bestond al wel enige jaren een landelijke Douane recherchedienst om de smokkel van deviezen tegen te gaan.
Brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 mei 2015 inzake de investeringsagenda van de Belastingdienst, Kamerstukken II 2014/15, 31 066, nr. 236, p. 5.
Verzameling van voorschriften, 1926, nr. 2768, ‘Koninklijk Besluit van 20 februari 1926, nr. 28’.
A.A. Thie (e.a.) Focus op fiscus. Het reilen en zeilen van de Belastingdienst in de jaren 1940-1985, 1990, p. 261-265.
Art. 70 Wet op de Inkomstenbelasting 1914. Art. 70: ‘De aangever die ingevolge de wet verplicht is boek te houden is, desgevraagd, gehouden, den voorzitter der schattingscommissie of den inspecteur inzage te verleenen van boeken of andere bescheiden, die tot staving der aangifte of zijner nadere beweringen kunnen dienen’. In art. 42 Wet op de Oorlogswinstbelasting 1916 was een soortgelijke formulering opgenomen; zie ook T.J.E.M. Pfeil, Op gelijke voet, de geschiedenis van de Belastingdienst, 2009, p. 361-362: ‘Met de invoering van de Wet inkomstenbelasting 1914 krijgt de Belastingdienst de bevoegdheid om bij burgers en bedrijven boekenonderzoeken uit te voeren; het doel hiervan is om naleving van de wettelijke verplichtingen te verzekeren’.
Wet tot heffing van eene omzetbelastingwet 1933 (25 oktober 1933, Stb. 1933, 546).
De term ‘veldtoets’ ontleende zijn vertrouwen aan de eeuwenoude cultuur van het ‘heffen ter velde’; de term geniet binnen de Belastingdienst nog steeds een grote bekendheid, en wordt veelvuldig toegepast ter onderscheiding van onder andere de ‘kantoortoets’ en de ‘bureautoets’. Internationaal is de term ‘field audit’ nog steeds in gebruik.Zo hanteert de IRS deze term in onderscheid met ‘office audit’. ‘The IRS manages audits either by mail or through an in-person interview to review your records. The interview may be at an IRS office (office audit) or at the taxpayer’s home, place of business, or accountant’s office (field audit).’, https://www.irs.gov/businesses/small-businesses-self-employed/irs-audits, geraadpleegd: 19 september 2017.
Voor het begrip ‘gezag’ sluit ik aan bij de socioloog Max Weber: ‘de kans dat beoogde personen een bepaald bevel zullen opvolgen’, M. Weber, Wirtschaft und Gesellschaf, Tübingen, Mohr Siebeck, 1980, p, 28.
T.J.E.M. Pfeil, Op gelijke voet. De geschiedenis van de Belastingdienst, 2009, p. 367.
H. Franken e.a., InLeiden tot de rechtswetenschap, Arnhem, Gouda Quint, 1999, p. 63.
T.J.E.M. Pfeil, Op gelijke voet. De geschiedenis van de Belastingdienst, 2009, p. 50. De fraude vindt bijvoorbeeld plaats door op dezelfde vrachtbrief (‘paspoort van uitvoer’) meerdere ladingen te vervoeren of door de voor export bestemde drank op de binnenlandse markt af te zetten, terwijl tegelijkertijd water in plaats van gedistilleerd wordt uitgevoerd.
Kamerstukken 1891/92, 125, nr. 7, p. 18, par. 13, 1e alinea.
‘(…) art. 20 der Wet van 5 Mei 1889 (Staatsblad nr. 48) (…); de hier bedoelde schending van ambtsgeheim kan met de daar behandelde op eene lijn worden gesteld.’ Onder verwijzing naar artikel 47 lid 1, Wet op de Vermogensbelasting 1892, 27 september 1892, Stb. 1892, 223.
J. Verburg, Een gesplitste inkomstenbelasting, De vermogens- en bedrijfsbelastingen van minister Pierson. In: Fiscaliteit in Nederland, 50 jaar Belastingmuseum ‘Prof. dr. Van der Poel’ (J.Th. de Smidt e.a., red.), 1987, p. 148.
A.K.J.M. van Steenbergen, Legitimiteit en fiscale rechtshandhaving: Juridische en sociaalwetenschappelijke aspecten. 2013, p. 122.
Kamerstukken II 1970/71, 10 927, nr. 1. Verslag van een mondeling overleg met de staatssecretaris van Financiën inzake belastingfraude.
A.A. Thie (e.a.) Focus op fiscus. Het reilen en zeilen van de Belastingdienst in de jaren 1940-1985, 1990, p. 365-369.
Kamerstukken II 1970/71, 10 927, nr. 1. Verslag van een mondeling overleg met de staatssecretaris van Financiën inzake belastingfraude, p. 2.
Kamerstukken II 1979/80,15 975, nr. 1, Kamervragen naar aanleiding van interview met directeur-generaal der Belastingen, C.J. Sleddering. In: Wij van Financiën, 35 (1980), nr. 6.
Kamerstukken II, 1979/80, 16 180, nr. 1. Zie ook Kamerstukken II 1979/80, 16 180, nr. 2, Aard en omvang van de belastingfraude.
Vgl. R.I.N. Westra, Fiscale fraudebestrijding: grenzen aan sturing (diss.), 2006, p. 47-54. De conclusies van Van Bijsterveld zijn in de daaropvolgende jaren bevestigd door de rapporten van de Interdepartementale Stuurgroep Misbruik en Oneigenlijk gebruik (ISMO).
Zie voor deze definities het interimrapport van de Interdepartementale Stuurgroep Misbruik en Oneigenlijk gebruik (ISMO) uit 1981, Kamerstukken II 1981–1982, 17 050, nr. 1, p. 4.
De Miljoenennota 1993 (Kamerstukken II 1992–1993, 22 800, nr. 1.) gaf de impuls tot een intensivering van de fraudebestrijding (ten aanzien van belastingen en sociale zekerheid) die vooral de inbedding en verankering van de (aandacht voor) fraudebestrijding in de primaire processen van de uitvoeringsorganen beoogde, Kamerstukken II 1997/98, 17 050, nr. 202, p. 4.
Directeur-generaal C.J. Sleddering en plv. directeur-generaal C. Boersma, Wij van Financiën, 35 (1980) nr. 6.
Kamerstukken II, 1983/84, 17 050 en 17 522, nr. 3, Zie ook van latere datum Kamerstukken II 1997/98, 17 050, nr. 202, p. 7.
Zie het interimrapport van de Interdepartementale Stuurgroep Misbruik en Oneigenlijk gebruik (ISMO) uit 1981, Kamerstukken II 1981/82, 17 050, nr. 1, p. 4. Zie ook van latere datum Kamerstukken II 1997/98, 17 050, nr. 202, p. 6. De intensivering van de samenwerking vindt met name plaats ter bestrijding van fraude en misbruik van belastingheffing, sociale zekerheid en subsidies. In dit onderzoek besteed ik slechts aandacht aan de invloeden vanuit ISMO voorzover dit relevant is voor het algemene toezicht en het delen van gegevens voor het toezicht door andere bestuursorganen (zie par. 6.6.3).
Zie onder andere de nota Gegevensuitwisseling ter bestrijding van Misbruik en Oneigenlijk gebruik van 19 maart 1992, Kamerstukken II 1991/92, 17 050, nrs. 145– 146.
De taken en reikwijdte van het mandaat voor belastingdiensten variëren internationaal zeer sterk. In sommige landen betreft het alleen de belastingen op centraal overheidsniveau; in andere landen alleen directe of indirecte belastingen. Ook behoren douanetaken niet altijd tot de taak van de centrale belastingdienst. Voor een uitgebreidere behandeling van het mandaat van de belastingdienst in internationaal perspectief verwijs ik naar M. Alink en V. van Kommer, Handbook on Tax Administration, 2011, par. 2.2.
Aanschrijving Afdeling Directe Belastingen, H. Postma, 19 juli 1944, nr. 47 (Nationaal Archief, ministerie van Financiën: Bureau Zuiveringsaangelegenheden en taakopvolgers, toegangsnummer 980).
P.H.J. Essers, Belast verleden, Het Nederlandse belastingrecht onder nationaalsocialistisch regime, 2012, p. 228-229.
NIOD, Archief Finance Division Office of Military Goverment for Germany (toegangsnummer 208), inventarisnummer 45008-14: verslag van Dr. Eckhardt van een ‘Dienstreise nach Holland’, Berlijn, 31 oktober 1940, p. 1.
In extreme discussies omtrent privacy wordt soms verwezen naar die tijd: het gevaar van de huidige gegevensverwerking wordt daarbij als nog groter geduid. Zie Gewoon-nieuws.nl, 21 juni 2013, https://www.gewoon-nieuws.nl/2013/06/overheid-beschouwt-eigen-burger-als-vijand/, geraadpleegd: 17 november 2017.
A.A. Thie (e.a.), Focus op fiscus, Het reilen en zeilen van de Belastingdienst in de jaren 1940-1985, 1990, p. 145-231.
Wij van Financiën, 1946, nr. 9.
Besluit van 5 juli 1945, betreffende Besluit intrekking bank- en muntbiljetten van honderd gulden, Stb. 1945, F 115 en Machtigingsbesluit Geldzuivering van 3 augustus 1945, Stb. 1945, F 133.
Deviezenbesluit 1945, 10 oktober 1945, Stb. 1945, F 222.
Besluit Herstel Rechtsverkeer van 17 september 1944 Stb. 1944, E100; Besluit Vijandelijk Vermogen van 20 oktober 1944, Stb. 1944, E 133; Deviezenbesluit 1945, 10 oktober 1945, Stb. 1945, F 222.
Wet van 24 december 1998 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 2271/96 van de Raad van de Europese Unie van 22 november 1996.
Besluit van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 5 december 2011, nr. WJZ/11172898, tot aanwijzing van toezichthouders Douane, Besluit aanwijzing toezichthouders Belastingdienst 2012, Stcrt. 2011, 22325.
Wet van 29 september 2011, houdende regels inzake de controle op diensten die betrekking hebben op strategische goederen (Wet strategische diensten).
Wet van 4 juli 1990, houdende regels met betrekking tot het consumentenkrediet.
Art. 1 letter c, Besluit van de minister van Financiën en de minister van Justitie van 18 juli 2008, nr. FM 2008-01794 M, Directie Financiële markten, Afdeling Integriteit, tot aanwijzing van personen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme gestelde regels (Besluit aanwijzing toezichthouders Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme), Stcrt. 2008, 142. Met wijzigingen in het besluit van 15 juli 2011, FM 2011/9360 M, Stcrt. 2011, 13552 en 6 september 2013, FM 2013/1120M, Stcrt. 2013, 25564.
Bureau Financieel Toezicht (Stcrt. 2012, 12056), Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants en de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (Stcrt. 2012, 12055) en Stichting Autoriteit Financiële Markten (Stcrt. 2012, 12057).
De instructie informatieverstrekking (IIV), vastgesteld op 16 december 1982, nr. 582-26319 en de instructie informatieverstrekking Douane (IIVD), vastgesteld op 3 april 1989, nr. AFZ89-993.
Voorschrift informatieverstrekking 1993 (VIV 1993), 14 december 1992/nr. AFZ 92/9318, Stcrt. 1992, 251, zoals dit is gewijzigd bij besluit van 1 december 1998, nr. AFZ98/3534N, Stcrt. 1998, 243. De ontheffingsbepaling was als volgt geformuleerd: ‘Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod’, art. 67 lid 2 AWR (oud).
Besluit van 18 januari 2008, nr. CPP2007/3066M, Stcrt. 2008, 21.
Als voorbeeld noem ik het verstrekken van gegevens voor de uitvoering van de Sociale Verzekeringen en Bijstandsuitkeringen (art. 64 Participatiewet); het vaststellen en innen van de bijdrage voor de maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget voor opvang volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (art. 5.2.3. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015); de inkomensindicatie van de bewoners van een huurwoning (art. 252a lid 4 Boek 7, Burgerlijk Wetboek). Bij de redactionele wijziging van dit artikel is aangegeven dat het gaat om een wettelijke verplichting en de Belastingdienst geen discretionaire bevoegdheid heeft, Kamerstukken II 2015/16, 34 374, nr. 3. Zie ook RvS 3 oktober 2018, ECLI:NL: RVS:2018:3215.
Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2002, 247 en laatstelijk gewijzigd, met de Regeling van de staatssecretaris van Financiën van 29 december 2016, nr. 2016-0000225960, tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen, Stcrt. 2016, 71813.
Het uit 1928 daterende Rijkskledingsbesluit maakt dat de Douane per 1946 een geüniformeerd dienstonderdeel is van de Belastingdienst.
Voor een uitgebreide beschrijving van de geschiedenis van de Douane in de twintigste eeuw, verwijs ik naar P. Spapens en K. van Kemenade, De Grens gemarkeerd, p. 77-102 en A.A. Thie (e.a.) Focus op fiscus. Het reilen en zeilen van de Belastingdienst in de jaren 1940-1985, 1990, p. 32-36, 196-203, 253-259, 377-383, 462-467. In de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 is de Douane als zelfstandig onderdeel opgenomen van de Belastingdienst.
Op 12 juni 1985 tekenen de landen België, Nederland, Luxenburg, Duitsland en Frankrijk het verdrag, dat een vrij verkeer tussen personen mogelijk maakt binnen de verdragslanden (de zogenaamde ‘Schengenruimte’).
De Douane richt zich primair op het naleven van wet- en regelgeving met betrekking tot goederenstromen. De grensbewaking vindt sinds 1814 plaats door de Marchaussee, Reglement op de policie, de discipline en dienst der marechaussee KB 30-1-1815 en huidige Politiewet 2012. Tot invoering van de Algemene wet Douane en Accijns konden (onder)officieren van de Marechaussee wel worden benoemd tot buitengewoon ambtenaar van de Rijksbelastingen; naast de taak van het bij Reglement uit 1815 tot het beschermen van de belastingdienstmedewerkers konden zij toentertijd ook fiscale taken uitvoeren.
De bevoegdheden van de Douane (onder andere opgenomen in de Algemene Douanewet en AWR) vallen, voorzover zij niet binnen de AWR vallen, buiten het kader van deze studie, en worden niet verder behandeld.
Wet van 24 april 1986, Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB), Stb. 1986, 249.
Zie Verordening (EG) 1798/2003, Raad van de Europese Unie van 7 oktober 2003 ten aanzien van de wederzijdse bijstand op het gebied van de indirecte belastingen (Commissie van de Europese Gemeenschappen, Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de toepassing van regelingen betreffende administratieve samenwerking op het gebied van bestrijding van Btw- fraude, Brussel 16 april 2004, COM, 2004, 260).
Op hoofdlijnen kent de WIB de volgende vier vormen van bijstand: het op verzoek uitwisselen van inlichtingen (art. 5 WIB), het automatisch uitwisselen van inlichtingen (art. 6 WIB), het spontaan uitwisselen van inlichtingen (art. 7 WIB) en de bijstand in persoon (art. 9 WIB). Hoewel Belastingdienst mannelijk is, wordt in dit verband gesproken over ‘zusterdiensten’, zie o.a. Kamerstukken II 2017/18, 31 066 nr. 393, p. 28. Maar met Shakespeare, What’s in a name.
Van belastingadministratie naar Belastingdienst
De ontwikkeling naar een algemeen belastingstelsel is ook de aanleiding voor het centraliseren van een belastingadministratie. Een van de redenen is het streven naar fiscale gelijkheid: het uit 1579 daterende beginsel van het ‘eenpaerlick’ belasting heffen, doet nog steeds opgeld. In 1798 adviseert Gogel aan het Uitvoerende Bewind (als uitvoerend orgaan van het parlement) hierover: ‘Het belang van het algemeen vordert, dat in derzelver administratie eenheid en orde en gelijkvormige werking door al de verschillende deelen plaats hebben, en het is om hiertoe langs de kortste en meeste geschikte wijze te kunnen werkzaam zijn, dat ik mij tot Ulieden wende met instantelijk verzoek om bij speciaale resolutie het geheele oppertoezicht en algemeene directie over dit vak, zo in de gewesten als wat aan betreft de overige landsmiddelen van inkomsten, aan Ulieder agent van financiën ten volle te demandeeren.’1
De regering geeft uitvoering aan dat advies. Met ingang van 1806 krijgt de secretaris van staat (en later de minister van Financiën) bij wet de verantwoordelijkheid voor de belastingheffing.2 De aansturing van onder hem ressorterende departementen, met de feitelijke heffing en inning, vindt plaats door ontvangers- generaal met de raden van Financiën.3 De inspecteurs-generaal oefenen namens hem het interne (kwaliteits)toezicht uit op alle ambtenaren belast met het uitvoerende proces van heffen en innen van belastingen.4 Hiervoor heeft hij medewerkers met de taakverwante namen als opziener of controleur.5 De nationale Belastingdienst is geboren.6
Een veranderde rol van de Belastingdienst
Met de verandering in 1814 naar een algemeen belastingstelsel, treedt zoals gezegd tevens een wijziging op van de heffingsgrondslag naar ‘waarden’. Dit laatste is van grote invloed op het heffingsproces. Een objectieve wijze van schatting van het inkomen krijgt zijn beslag binnen het proces van belastingheffing. De verantwoordelijkheid voor het vaststellen van de belastingschuld verschuift geleidelijk aan naar de Belastingdienst.
Vanuit de ontwikkeling naar het doen van een schatting en het opleggen van een aanslag, is er gedurende de achttiende en gehele negentiende eeuw een nauwe betrokkenheid toebedeeld aan de burgers. Het zogenaamde zetterscollege waarin onder andere de burgemeester en meerdere belastingplichtigen participeren, hebben een formele taak in het proces van aanslagregeling.7 Het vaststellen van de belastingschuld vindt namelijk plaats met inspraak van de gemeenschap. De belastingambtenaar is lijdelijk en volgt die uitkomst.8 De belastingmedewerkers – de huidige ontvangers hebben dan nog steeds de veelzeggende namen als (hoofd) gaarders en (commiezen-) collecteurs – hebben voornamelijk de taak om de aanslag op te leggen en zorg te dragen dat de gelden administratief juist worden verantwoord. Het gaat voornamelijk om het administreren van de ontvangen belastingen. Door interne controle (toezicht) behoudt de minister van Financiën de controle over ‘zijn’ belastingadministratie.
De verantwoordelijkheid van de Belastingdienst breidt zich geleidelijk aan uit. De burgerinbreng vermindert eind negentiende eeuw. De belastingambtenaar krijgt zelfstandig de bevoegdheid om de belastingschuld (bij aanslag) vast te stellen. De reden hiervoor is dat de Belastingdienst zelf over voldoende kennis en informatie kan beschikken om de aanslagen integer, correct en tijdig vast te stellen, zo meent de regering.9 Aanvullend hierop zijn er onafhankelijke rechtscolleges als waarborg om geschillen met de Belastingdienst over de omvang van de belastingschuld te beslechten.10 Het opleggen van de aanslagen kan echter niet zonder de betrokkenheid van de burgers en de maatschappelijke omgeving. Zij blijven een rol vervullen maar op een andere wijze.
Een groeiende behoefte aan informatie en bevoegdheden
De wijziging van de verantwoordelijkheid van de Belastingdienst gaat gepaard met een groeiende behoefte aan informatie en bevoegdheden die te vergaren. Vanuit de gedachte dat de Belastingdienst zonder medewerking van anderen niet zelfstandig kan komen tot een juiste belastingheffing, vindt een uitbreiding plaats van de bevoegdheden van de belastingambtenaren. Zij dienen immers zelfstandig over informatie te kunnen beschikken van zowel de belastingplichtigen als van anderen.
Het fysieke toezicht op ‘de vrije grond’ verplaatst zich naar ‘achter de voordeur’. De belastingambtenaren mogen ten dienste van de belastingheffing verder treden dan de voordeur van burgers en bedrijven. Zij treden daarmee – mede doordat een belangrijke grondslag voor de heffing inkomen/winst is – letterlijk en figuurlijk binnen in het persoonlijke domein. De burgers, maar niet in het minst de belastingdienstmedewerkers zelf, moeten wennen aan die cultuuromslag. Deze gereserveerde opstelling komt voort uit een lange – negentiende-eeuwse – traditie van staatsonthouding, waarbij de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de particuliere eigendommen het hoogste politieke gebod is.11
Met terughoudendheid oefent de Belastingdienst op een zo beheerst mogelijkerwijze zijn (voortdurende) toezicht uit. Ook in de letterlijke zin dient dat kalm en langzaam plaats te vinden.12 Met de introductie van de Wet op de Oorlogswinstbelasting komt de Belastingdienst tot de ontdekking dat voor het controleren van (oorlogs)winst inzage in boeken en bescheiden nodig is. Het boekenonderzoek doet zijn intrede.13
Met de verantwoordelijkheid van de inspecteur om de aanslag zelf vast te stellen, wordt de informatie over de belastingplichtige steeds belangrijker. De Belastingdienst richt zich daarom steeds meer op het verkrijgen van informatie. Dit gaat zelfs behoren tot de hoofdtaken van de inspecteurs.14
De Belastingdienst voegt aan het bestaande systeem van dossiers, kaarten en leggers een registratiesysteem van contragegevens (renseignementen) toe. De belastingambtenaren beginnen allerlei gegevens te vergaren uit onder andere kranten, akten en relevante boekwerken over belastingplichtigen. Een taak die aan het einde van de vorige eeuw grotendeels wordt uitgevoerd door de Inlichtingendienst van de FIOD.15 Informatie wordt steeds meer een wezenlijk bestanddeel voor het uitvoerende proces van belastingheffing. Onder invloed van het gebruik van de zogenaamde Big Data – om betere voorspellingen te doen en gerichtere controles uit te kunnen voeren – spreekt de staatssecretaris van Financiën begin 21e eeuw over ‘informatiegestuurd toezicht’.16 Een visie – die begin vorige eeuw in de ontwikkeling van kantoortoets naar veldtoets nog ondenkbaar was – maar ongetwijfeld van invloed zal zijn op het vergaren van fiscale gegevens in de toekomst.
Van kantoortoets naar veldtoets
De toenemende verantwoordelijkheid (taakinhoud) van de Belastingdienst leidt begin twintigste eeuw (1926) tot een dusdanige werkdruk, dat administratief personeel (‘reclamanten’) bepaalde werkzaamheden moeten gaan uitvoeren.17 Dit blijkt nog niet de gewenste verlichting te geven en de Belastingdienst besluit later om te differentiëren in het schenken van de aandacht aan de aangiften: ingewikkelde posten krijgen een grondige aanpak en de eenvoudige posten een globale behandeling (‘het systeem van grondig-globaal’).18 De eeuwenoude honderd-procent filosofie blijkt in de twintigste eeuw niet meer uitvoerbaar te zijn. Een flexibele benadering vanuit de complexiteit is geboren.
Daarnaast kan het feitenonderzoek met het oog op het vaststellen van de aanslag niet meer beperkt blijven tot het belastingkantoor. De belastingambtenaar krijgt met het invoeren van de Wet op de Inkomstenbelasting, de bevoegdheid om de boeken van de belastingplichtige te controleren: ‘(…) De aangever die ingevolge de wet verplicht is boek te houden is, desgevraagd, gehouden (…) inzage te verleenen van boeken of andere bescheiden, die tot staving der aangifte of zijner nadere bewerkingen kunnen dienen.’19 Het instellen van boekenonderzoeken blijft in de beginjaren echter beperkt. Het is aanvankelijk de in 1916 opgerichte Rijksaccountantsdienst die in uitzonderlijke situaties een administratief onderzoek ‘achter de voordeur’ instelt. De overige belastingambtenaren houden het veelal bij het oproepen van de belastingplichtigen ‘ten kantore’ met het verzoek om delen van de administratie te overleggen.
Bij het in werking treden van de omzetbelasting in 1934 treedt er een kentering op.20 Het toetsen van de stempels op de facturen voor de omzetbelasting kan namelijk alleen ‘in het veld’ plaatsvinden. Het kwalificeren van dergelijke administratieve onderzoeken als boekenonderzoek, is voor velen nog een brug te ver. De Belastingdienst sluit dan ook aan bij de – vertrouwde terminologie – van ‘veldtoets’.21
Ook maatschappelijke invloeden hebben hun impact op de organisatie van de Belastingdienst. De dienst ontkomt er niet aan mee te gaan met de maatschappelijke ‘cultuuromslag’ van eind jaren zestig van de twintigste eeuw. Het moderne stedelijke leven gaat zich dan steeds meer ontwikkelen tot een individualistische en op consumptie gerichte leefwijze. In die ontwikkeling verliezen kerk en godsdienst hun invloed op de burgers en daarmee ook hun gedragingen. Er zijn veranderingen in de moraliteit die onder andere tot uiting komen in de seksuele moraal en het gezinsleven. Maar ook de gezagsverhouding naar de overheid verandert.22 Tegenover de ‘hoge’ overheid die naar verluidt in het algemeen belang handelt, staat de autonome en calculerende burger die zijn genot najaagt.23 Het gezag (of legitimiteit) van de overheid staat ter discussie, terwijl dat juist voor de overheid noodzakelijk is om orde te kunnen brengen en houden in de samenleving.24 Dit leidt tot een andere houding tegenover het nakomen van de fiscale verplichtingen.
Vanuit de cultuuromslag naar de ‘informatiefabriek’ Belastingdienst
Door de culturele ontwikkeling ontstaan vraagstukken die zich niet eerder in die omvang hebben voorgedaan. Vraagstukken over de effectiviteit van het fiscale toezicht en belastingontduiking dienen zich aan. Het fenomeen van belastingontduiking is natuurlijk niet nieuw. Dat is van alle eeuwen. Ook ten tijde van het ontstaan van de Belastingdienst is dat al bekend: voor 1806 worden bijvoorbeeld de convooien en licenten en de accijnzen op sterke drank al op grote schaal ontdoken.25 De regering signaleerde toentertijd al dat ‘belastingfraudeurs’ hun handelwijze rechtvaardigden door het eveneens non-compliante gedrag van anderen; ‘(…) bij zeer velen bestaat de neiging om anderen voor rijker te houden dan zij werkelijk zijn; in de, naar hunne voorstelling, te lage aangifte van die anderen vinden zij dan een vrijbrief om zelven lager aan te geven. (…).’26 Als reactie hierop werd het overtreden van de geheimhouding door de belastingambtenaren strafbaar gesteld.27
Het duurde echter nog tot het begin van de twintigste eeuw dat belastingontduiking strafbaar werd gesteld. Dat vindt pas plaats bij de komst van de Wet op de Inkomstenbelasting, waarin strafbepalingen werden opgenomen op het doen van een onjuiste aangifte (art. 117 Wet IB 1914). Maar het krijgt vooralsnog onder aanvoering van minister Pierson niet de benodigde aandacht. In navolging van zijn houding stelt de regering een (te) groot vertrouwen ‘in de eerlijkheid van het Nederlandsche volk’.28 De vraag naar de mate van bereidheid van burgers om aan hun fiscale verplichtingen te voldoen, wordt (dan nog) niet gesteld.29
Dit verandert pas met de publicatie van de Nota Belastingfraude in 1970.30 De regering geeft zich voor het eerst rekenschap van de veranderende belastingmoraal.31 Daarmee werd niet gezegd dat een ieder van oorsprong volledig aan zijn belastingverplichtingen voldeed, maar belastingfraude kreeg een plaats op de politieke agenda. Oftewel, belastingfraude kreeg eigen aandacht. Voor belastingfraude wordt nog aangesloten bij de uit 1939 daterende omschrijving van W.J. de Langen: het ontgaan van belastingen zou niet slagen indien de belastingadministratie de feiten kende. Het gaat om het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens of het onthouden van gegevens, die nodig zijn voor de vaststelling van de belastingschuld.32 Het ontgaan en ontduiken van belastingen wordt mede in de hand gewerkt door het tekortschieten van de controle. Fraude blijkt geen uitzondering te zijn, maar eerder regel.33
Het rapport ‘Belastingfraude’ van W.J. van Bijsterveld34 over de aard en omvang van de belastingfraude schudt de Nederlandse politiek en samenleving echter wakker.35 Dit rapport leidt tot een brede heroriëntatie op de uitvoering van de belastingwetgeving en de plaats van de fraudebestrijding daarin.36 Misbruik en oneigenlijk gebruik (het zogenoemde M&O) krijgt politieke aandacht.37 Een weg terug naar de honderd-procent benadering waarin alle aangiften dezelfde – intensieve – aandacht krijgen, behoort niet meer tot de mogelijkheden.38 Een verdere differentiatie lijkt noodzakelijk te zijn, met ‘minder aandacht in de aanslagregelende sfeer en wat meer in de controlesfeer’.39 Dat geeft een omslag in het toezicht, hetgeen leidt tot onder andere het verder versterken van de informatiepositie van de Belastingdienst. En dat leidt weer tot uitbreiding van de wettelijke inlichtingenverplichting voor burgers en bedrijven, een intensivering van het aantal veldtoetsingen (‘boekenonderzoeken’).40 Ook wordt samenwerking met andere overheidsorganisaties als belangrijke hulpmiddelen gezien binnen de handhavingsketen.41
De ‘informatiefabriek Belastingdienst’ begint langzaam op volle toeren te draaien. Alles ten dienste van het uitvoerende proces van de inspecteur.42
Taakuitbreiding van de Belastingdienst
De taken van de Belastingdienst zijn de laatste jaren namelijk aanzienlijk uitgebreid. Enerzijds door het ontstaan van nieuwe taken en anderzijds door het overhevelen van taken van andere overheidsdiensten naar de Belastingdienst.43 Dit vloeit onder andere voort uit de uitgebreide informatiepositie van de Belastingdienst. Deze rol is niet altijd onomstreden geweest. Illustratief noem ik het gebruik van de belastingadministratie door de Duitse bezetter voor het opsporen van studenten van rijke ouders.44 Met die lijsten in de hand voerden zij in februari 1943 gerichte razzia’s uit op universiteiten en gijzelden studenten, de zogenaamde plutocratenzonenactie.45 Deze zwarte bladzijden voor de Belastingdienst geven tevens aan dat een machtige positie – de Duitsers waren onder de indruk van de Nederlandse belastingdienst46 – een bron voor ongewenste taakverschuiving teweeg kan brengen.47
De eerste neventaken naast het heffen van belastingen
In de periode na de Tweede Wereldoorlog zijn er ook andere ontwikkelingen die van invloed zijn op de taak van de Belastingdienst. Die periode is voor de Belastingdienst een van de meest turbulente perioden uit zijn geschiedenis.48
Na de bevrijding staat de dienst voor een opdracht van grotere nationale betekenis dan zijn primaire taak van het heffen en innen van belastingen.49 De Belastingdienst krijgt namelijk een belangrijke rol in het zuiveren van het geldwezen (met onder andere ‘het tientje van Lieftinck’).50 Om het zwarte geldcircuit te beteugelen, krijgt de Belastingdienst onder andere als neventaak de ‘landsgrenzen’ te bewaken. De belastingambtenaren van de invoerrechten en accijnzen worden belast met de controle op de naleving van de vergunningen voor het bezit van buitenlands geld, edele metalen en buitenlandse effecten.51 Een andere hieraan verwante taak is het registreren van effecten om het rechtmatige bezit te kunnen controleren.52
In de latere jaren vindt er een uitbreiding van taken plaats naar andere vormen van toezicht, gericht op het naleven van – niet-fiscale – wetgeving. Zo wordt een gedeelte van het toezicht op de Wet uitvoering antiboycotverordening53 bij besluit toegewezen aan de Belastingdienst.54 Op een soortgelijke wijze zijn er taken belegd bij de Belastingdienst voor de Wet strategische diensten55 en Wet op het consumentenkrediet.56 Ook vindt een taakuitbreiding plaats vanuit andere wetten. Zo gaat de Belastingdienst een rol vervullen in het naleven van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering terrorisme.57 Het betreft hier vormen van toezicht op het gedrag van burgers en bedrijven naast het toezicht ten behoeve van de eigen wettelijke taak. Ook krijgt de Belastingdienst een wettelijke meldplicht van ‘klachtwaardig’ handelen door notarissen (art. 111c Wet op het notarisambt). Een dergelijke – maar dan niet wettelijke – meldplicht krijgt de Belastingdienst later ook in het kader van de professionele beroepsuitoefening door accountants. Een taak die met name voortvloeit uit de behoefte om op de accountants als maatschappelijke vertrouwenspersoon te kunnen steunen. Dat is van belang voor de eigen taakuitoefening van de Belastingdienst (zie hierna Een veranderend evenwicht, par. 3.4). 58
Het verstrekken van informatie groeit eind twintigste eeuw dusdanig uit dat de staatssecretaris daarvoor beleid gaat maken: oorspronkelijk met de Instructie Informatie Verstrekking 59 en later met het Voorschrift Informatieverstrekking 1993 (VIV).60 In hoofdlijnen komt dit beleid erop neer dat het verstrekken van informatie over individuele belastingplichtigen mogelijk is als een wettelijk voorschrift tot informatieverstrekking daartoe verplicht of als de informatieverstrekking kan bijdragen aan het handhaven van overheidsregelingen of aan het bestrijden of voorkomen van misbruik dan wel oneigenlijk gebruik van overheidsregelingen.61
Het VIV wordt in 2008 ingetrokken.62 De staatssecretaris ging te ver in zijn informatieverstrekking. Het passeren van de geheimhoudingsgrens – hetgeen blijkbaar op grote schaal gebeurde volgens het VIV – kan namelijk alleen als dat wettelijk is geregeld. De Belastingdienst behoudt dan ook wel zijn taak tot het (verplicht) bekendmaken van gegevens bij of krachtens een wettelijk voorschrift.63 Het verkrijgen van ontheffing voor het verstrekken van gegevens en inlichtingen aan andere overheidsinstanties blijft ook na het intrekken van het VIV mogelijk. Met ontheffingen behoudt de staatssecretaris de mogelijkheid tot het verstrekken van fiscale gegevens en inlichtingen: mits noodzakelijk (par. 6.3 en 6.4).64
De fiscale grenzen van de Belastingdienst
Het fiscaal bewaken van de grenzen behoort al eeuwen tot het takenpakket van Belastingdienst. De in 1809 door de Fransen geïntroduceerde semimilitaire Douane heeft als taak om toezicht te houden op het heffen van de in- en uitvoerrechten.65 Tijdens de latere ontwikkelingen van het belastingstelsel en de Belastingdienst, groeit dit onderdeel in het begin van de vorige eeuw uit tot de ‘dienst der invoerrechten en accijnzen’ en begin deze eeuw tot een zelfstandig organisatieonderdeel van de Belastingdienst.66 Wel heeft hierin eind vorige eeuw een uitbreiding plaatsgevonden wanneer Nederland het Schengenverdrag ondertekent.67 Dan krijgt de Nederlandse douane vanuit het verdrag verschillende taken en bevoegdheden toebedeeld op het gebied van veiligheid, gezondheid, economie en milieu (afgekort als VGEM). De Douane (‘groene dienstonderdeel’) heeft als ‘poortwachter’ voor de belastingen tevens een ‘stopfunctie’ en ‘bewaakfunctie’.68 Uitgebreide bevoegdheden moeten zorgdragen voor het kunnen uitvoeren van deze functies.69
Ten slotte kunnen Nederlandse belastingambtenaren zich bezighouden met het uitvoeren van taken die voortvloeien uit Europese richtlijnen en verordeningen en andere internationale regelingen. De functionarissen die daarmee belast zijn, ontlenen hun bevoegdheden onder andere aan de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB).70 Voor wederzijdse bijstand binnen Europa kunnen de bevoegdheden rechtstreeks uit Verordeningen voortvloeien.71 De Nederlandse belastingdienst kan daarmee administratieve bijstand verlenen aan ‘zusterdiensten’.72