Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/6.10.2
6.10.2 Overgang van de vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS585929:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 531; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 257 en nr. 260; Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:142, aant. 15; Van Achterberg 1999, nr. 11; Wibier 2009a, nr. 14; M.B. Beekhoven van den Boezem 2006, par. 22.1 e.v.; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 274. Vgl. voor het oude recht, Rb. 's-Hertogenbosch 20 juli 1993, NJ 1994, 311.
Zie M.B. Beekhoven van den Boezem 2006, par. 20.1 e.v.
Zie O.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 527.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 531-532. Vgl. Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:142, aant. 15; Oudelaar 2000, p. 53-54.
Vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 530.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 530-531; Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:142, aant. 15, met verdere literatuurverwijzingen.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 528; Van Opstall 1961, p. 40-41; Van Nispen 1978, p. 46. Anders: M.B. Beekhoven van den Boezem 2006, par. 22.3.2.
Zie voor de procesbevoegdheid hiervóór nr. 115 e.v.
406. Onder de nevenrechten is begrepen het recht van de vorige schuldeiser op een dwangsom, behalve voor zover de dwangsom reeds verbeurd was op het tijdstip van de overgang (art. 6:142 lid 2 BW).1 Vergelijkbaar met de rente en de boete bestaat bij de dwangsom het onderscheid tussen de dwangsomveroordeling en de daaruit voortvloeiende dwangsomvordering. Alleen de dwangsomveroordeling is het nevenrecht. De dwangsomvorderingen zijn geen nevenrecht; zij zijn zelfstandig overdraagbare vermogensrechten.2
In het Ontwerp Meijers kwam het recht op een dwangsom niet als nevenrecht voor.3 Later is het samen met de bevoegdheid om executoriale titels ten uitvoer te leggen toegevoegd aan art. 6:142 BW.4 Doordat de dwangsomveroordeling als nevenrecht met de hoofdvordering op de nieuwe schuldeiser overgaat, ontstaan de dwangsomvorderingen die verbeurd worden na de overgang van de hoofdvordering van rechtswege in zijn vermogen. Art. 6:142 lid 2 BW bevestigt dat de dwangsomvordering na de overgang van de hoofdvordering toekomt aan de nieuwe schuldeiser en dat deze persoon (de nieuwe schuldeiser) een andere persoon kan zijn dan de oorspronkelijke partij bij de dwangsomveroordeling (de oude schuldeiser).5 Zonder nadere bepaling zou de indruk kunnen worden gewerkt dat de dwangsomvordering in het vermogen van de oude schuldeiser ontstaat.
Dwangsomvorderingen die zijn verbeurd (ontstaan) voor het moment van overgang van de hoofdvordering, dus ten tijde van de overgang van de hoofdvordering reeds bestaande dwangsomvorderingen, blijven bij de oude schuldeiser achter (art. 611c Rv en art. 6:142 lid 2 BW). Deze vorderingen kunnen afzonderlijk aan de nieuwe schuldeiser worden overgedragen.6 Toekomstige dwangsomvorderingen kunnen bij voorbaat worden geleverd (art. 3:94 jo 3:97 BW).7 De bevoegdheid om de executoriale titel ten uitvoer te leggen blijft in beide gevallen bij de schuldeiser van de hoofdvordering.
De bevoegdheid om een dwangsomveroordeling te vorderen, komt toe aan de procesbevoegde formele procespartij die in de procedure is betrokken. Een dwangsom kan ook voor het eerst in verzet of in hoger beroep worden gevorderd (art. 611a lid 2 Rv).8
407. Voor de stille cessie geldt hetzelfde. Reeds bestaande dwangsomvorderingen die zijn ontstaan vóór de stille cessie, blijven in het vermogen van de stille cedent achter, tenzij zij afzonderlijk worden gecedeerd. Wordt een dwangsomveroordeling verkregen door de stille cedent als formele procespartij, dan is de stille cessionaris als materiële procespartij de partij bij de dwangsomveroordeling en komen aan hem uit dien hoofde de dwangsomvorderingen toe. Is een dwangsomveroordeling al verkregen, dan gaat deze als nevenrecht met de hoofdvordering op de stille cessionaris over en ontstaan de vorderingen daaruit in het vermogen van de stille cessionaris.