Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/3.2.3
3.2.3 Tijdelijk opgedragen bestuurstaken
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631789:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Onder de oude regeling gold het goedkeuren van bepaalde bestuurshandelingen of het daartoe machtigen niet als het verrichten van daden van bestuur (art. 2:151/261 lid 2 BW-oud).
Zie over de inmiddels vervallen bepaling Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond, nr. 263 (waarin wordt gewezen op het feit dat de bepaling al tot 1929 teruggaat); De Groot (2021), nr. I.D.1.a.; en Frielink (2021a), p. 468. Zie ook Kamerstukken II, 2015-2016, 34 491, nr. 3, p. 13 (MvT), waar wordt opgemerkt dat aangenomen “werd dat deze bepalingen van belang waren voor het geval van tegenstrijdig belang van de bestuurders en voor het geval van ontstentenis of belet van bestuurders. Aangezien de tegenstrijdig-belangregeling voor de NV en de BV sinds 2013 niet meer uitgaat van een «vertegenwoordigingsregel» maar van een «besluitvormingsregel», zijn de bepalingen nu alleen nog van belang in het kader van ontstentenis of belet.” Hanegraaf (2017), nr. 4.4 duidt de persoon die handelde op basis van art. 2:151/261 BW-oud een “quasi-bestuurder”. Omdat deze persoon zijn bevoegdheid om bestuursdaden te verrichten destijds ontleende aan Boek 2 BW, zou hij in mijn benadering niet als quasi-bestuurder worden aangemerkt.
Assink/Slagter (2013), p. 758. Onder ontstentenis wordt verstaan de situatie dat een bestuurder ophoudt bestuurder te zijn door ontslag, het neerleggen van zijn functie of overlijden. Er is dus een vacature. Onder belet wordt verstaan dat een bestuurder zijn functie tijdelijk niet kan of mag uitoefenen.
Zie Frielink (2017b), nr. 1.2.4 en 3.4.
In art. 2:134/244 lid 4 BW is bepaald dat de statuten voorschriften moeten bevatten omtrent de wijze waarop in de uitoefening van de taken en bevoegdheden voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders of voor het geval van ontstentenis of belet van een of meer bestuurders. Wanneer sprake is van belet kan in de statuten nader worden bepaald. De persoon die in het geval van ontstentenis of belet van bestuurders op grond van een statutaire regeling is aangewezen tot het verrichten van bestuursdaden, wordt voor wat deze bestuursdaden betreft met een bestuurder gelijkgesteld. De betrokken persoon is op dat moment een formele bestuurder. Omdat hier sprake is van het op grond van Boek 2 BW en de statuten bevoegd uitoefenen van bestuurstaken, merk ik die persoon niet aan als quasi-bestuurder.
In de wet was tot 1 juli 2021 bepaald dat commissarissen of anderen, die, zonder deel uit te maken van het bestuur van een NV of BV, krachtens enige bepaling van de statuten of krachtens een besluit van de algemene vergadering, voor zekere tijd of onder zekere omstandigheden daden van bestuur verrichten, wat hun rechten en verplichtingen ten opzichte van de vennootschap en van derden betreft, als bestuurders worden aangemerkt (art. 2:151/261 BW-oud).1 De bedoeling van deze bepalingen was om vast te leggen dat personen die bevoegdelijk ‘daden van bestuur’ verrichten op dezelfde voet aansprakelijk zijn als bestuurders die deze ‘daden’ verrichten.2 Dit laatste geldt ook voor de nieuwe regeling.
Het gaat bij de nieuwe regeling om gevallen van belet of ontstentenis.3 Indien een commissaris bevoegd een bestuurshandeling verricht, omdat sprake is van ontstentenis of belet van een bestuurder, dan dient hij niet als quasi-bestuurder te worden aangemerkt, maar voor de toepassing van het leerstuk bestuurdersaansprakelijkheid in zoverre als een formele bestuurder. Het zal van de feiten en omstandigheden – in het bijzonder de duur van de waarneming – afhangen of op een dergelijke persoon bijvoorbeeld de administratieplicht rust en de plicht om een jaarrekening op te stellen. Op degene die slechts korte tijd de bestuursfunctie bevoegdelijk waarneemt, zullen deze verplichtingen in beginsel niet rusten. Moet in het geval van belet of ontstentenis voor langere tijd in het bestuur worden voorzien dan zal dat anders liggen.
De regeling in Curaçao komt grotendeels overeen met de oude regeling in Nederland, maar heeft een bredere strekking. In de Nederlandse wet stond immers “krachtens enige bepaling der statuten of krachtens besluit der algemene vergadering”, maar in de Curaçaose wet staat “al dan niet krachtens een voor de vennootschap geldende regeling” (art. 2:138/238 BWC). Uit het gebruik van “al dan niet” volgt dat de regeling in Curaçao mede ziet op personen die onbevoegd bestuursdaden verrichten: ook zij worden – zijnde quasi-bestuurders – met de formele bestuurders gelijkgesteld.4