De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.3.3.1.5:6.3.3.1.5 Wat als de erfrechtelijke begunstiging toch wordt verworpen
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.3.3.1.5
6.3.3.1.5 Wat als de erfrechtelijke begunstiging toch wordt verworpen
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232460:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor artikel 2:8 BW zie Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/224 e.v. en de daar genoemde literatuur en jurisprudentie. Voor artikel 2:9 BW zie Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/199-207; Asser/Rensen 2-III 2017/338.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is uiteengezet waarom naar mijn mening een bij dode opgerichte stichting de haar gemaakte erfrechtelijke begunstiging niet mag verwerpen. Maar wat is het gevolg als dit toch gebeurt? Als sprake is van strijd tussen wil en verklaring leidt dat tot nietigheid van de verwerping, zo schreef ik hiervoor in 6.3.3.1.1. Maar hoe zit het met de vernietiging van het besluit tot verwerping van de erfrechtelijke begunstiging op grond van strijd met het doel als last of het recht op uitvoering van de uiterste wilsbeschikking. Hoe loopt dan de route naar vernietiging?
Ik zie hier een belangrijke rol weggelegd voor de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Verwerping is in strijd met de redelijkheid en billijkheid die geldt in de verhouding tussen de stichting en haar bestuurders. Strijd met de redelijkheid en billijkheid kan daardoor leiden tot vernietiging van het besluit tot verwerping op grond van artikel 2:15 lid 1 letter b BW.
Als gebleken in 2.2.2.4.2 kan de wil van de stichting worden gelijkgesteld met het belang van de stichting. Verwerping van een making door de erflater/oprichter zou daardoor in strijd zijn met het belang van de stichting. Juist naar dit belang van de stichting moet het bestuur van de stichting zich bij zijn handelen richten. Als het bestuur dat niet doet, kan dat, naast vernietiging van het besluit wegens strijd met artikel 2:8 BW, leiden tot aansprakelijkheid voor de bestuurders op grond van artikel 2:9 BW.
Vanwege de beperking die de onderzoeksvraag van deze studie met zich brengt, voert het te ver nader in te gaan op de artikelen 2:8 en 2:9 BW.1