Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/19.5.1:19.5.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/19.5.1
19.5.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS454037:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De richtingsvrijheid van het bijzonder onderwijs krijgt gestalte in de ‘inrichting’ van het bijzonder onderwijs. De inrichtingsvrijheid is de vrijheid om de richting uit te werken en te regelen. Het is zelfregulering vanwege de richting. Indien de richting een godsdienstige is kunnen we de uitingen en handelingen die gestalte geven aan deze richting, met andere woorden, de activiteiten die vallen onder de inrichting, beschouwen als godsdienstige uitingen en gedragingen. In artikel 23 Grondwet worden hiervan twee voorbeelden genoemd: de keuze van de leermiddelen en de keuze van onderwijzers. We zouden kunnen zeggen dat de grondwetgever de keuze van de leermiddelen en de keuze van docenten heeft gekwalificeerd als inrichtingsaspecten en daarmee (indien de richting godsdienstig is) als godsdienstige uitingen of gedragingen.
In de WPO heeft de wetgever een bepaling opgenomen waarin staat dat bijzondere scholen indien er ernstige bedenkingen zijn tegen door de overheid vastgestelde kerndoelen, zelf kerndoelen kunnen vaststellen. Uit deze bepaling blijkt impliciet dat de wetgever de keuze voor de studiestof kwalificeert als een inrichtingsaspect. Hij erkent dat de keuze voor leermiddelen kan zijn ingegeven door de richting van de school. Eenzelfde impliciete kwalificatie vinden we in de AWGB. De wettelijke bepalingen van de AWGB die het voor bijzondere scholen mogelijk maken om op basis van godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag onderscheid te maken in de selectie van leerlingen en docenten kan men zien als de erkenning van de wetgever dat het maken van onderscheid voortvloeit uit de richting van de school.
De inrichtingsvrijheid van scholen op een godsdienstige grondslag wordt net als de vrijheid van kerkgenootschappen beheerst door het statuut. Wanneer de rechter op basis van het statuut bepaalt dat de grondslag van een school godsdienstig is zodat ook de hieruit vloeiende uiting of gedraging godsdienstig is, kunnen we spreken van een subjectiverende kwalificatie. De rechter laat zich dan leiden door de zelfdefinitie van een school. In feite sluit de rechter dan aan bij de bedoeling van de wetgever aangezien de inrichtingsvrijheid ook de vrijheid impliceert van een religieuze school om zelf (het bevoegd gezag) te bepalen wat zijn godsdienstige identiteit is en op welke manier deze identiteit zich manifesteert (tot uitdrukking komt). We kunnen dus stellen dat de wetgever met de inrichtingsvrijheid een subjectiverende kwalificatie aan de rechter voorschrijft.
We zien dat de bedoeling van de wetgever in de jurisprudentie over de selectie van onderwijzers en leerlingen door bijzondere scholen ook daadwerkelijk wordt gevolgd. De rechter gaat in al deze zaken uit van een subjectiverende kwalificatie. Hij bepaalt op basis van de statuten of de school een godsdienstige grondslag heeft. Indien dit zo is dan is het gemaakte onderscheid een uitvloeisel van de godsdienstige grondslag en wordt het onder bepaalde voorwaarden beschermd.