Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/9.3.3
9.3.3 De toekomst van Europese economische integratie
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS456487:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 731.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 735; Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 742; Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 746; Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 751; Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 754.
Kamerstukken II 2009/2010, 21501-07, 741, p. 25-26.
Kamerstukken II 2009/2010, 21501-07, 741, p. 26-27.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-20, 488; Handelingen II 2010/11, 16, p. 60; Handelingen II 2010/11, 19, p. 16.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 779; Handelingen II 2010/11, 54, 13, p. 80; Handelingen II 2010/11, 54, 37, p. 126.
Handelingen II 2010/11, 54, 13, p. 82.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-20, 516; Handelingen II 2010/11, 64, 5, p. 48; Handelingen II 2010/11, 65, 6, p. 24.
Handelingen II 2010/11, 64, 5, p. 53-54.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 826; Handelingen II 2010/11, 101, 2, p. 32 en p. 35-36.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 839, p. 4.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 839, p. 4.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 839, p. 5.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 839, p. 5, 8.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 839, p. 5. Zie par. 8.3.2.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 839, p. 5-6.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 839, p. 6.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 839, p. 6.
Zie ook de ingezonden brief van Rutte en De Jager hierover in de Financial Times: Expulsion from the eurozone has to be the final penalty, FT, 7 september 2011, https://www.ft.com/content/5284d4a4-d93a-11e0-884e-00144feabdc0; Wolf 2014, p. 104.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-07, 846, p. 38.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-07, 846, p. 41.
Handelingen II 2012/13, 48, 23.
Kamerstukken II 2012/13, 21501-20, 732; Handelingen II 2012/13, 48, 23, p. 87; Handelingen II 2012/13, 60, 21, p. 36.
Handelingen II 2012/13, 48, 23, p. 87.
Kamerstukken II 2012/13, 21501-20, 732.
Kamerstukken II 2012/13, 21501-20, 732.
Handelingen II 2012/13, 48, 23, p. 91.
Kamerstukken II 2012/13, 21501-20, 766, p. 1.
Kamerstukken II 2012/13, 21501-20, 766, p. 1.
Kamerstukken II 2012/13, 21501-20, 766, p. 2.
Handelingen II 2012/13, 60, 21, p. 36.
Bij de bespreking van het six-pack en het two-pack stond de Kamer tot slot meermaals stil bij de vraag: ‘Hoe nu verder?’. Evenals bij de parlementaire behandeling van eerdere stappen van Europese integratie liet de discussie een spanning zien tussen de roep om enerzijds strengere maatregelen voor lidstaten die zich niet aan de afspraken uit het Stabiliteits- en Groeipact hielden, en anderzijds een ruime mate van vrijheid en weinig EU-bemoeienis voor de andere lidstaten. Een grote mate van overeenstemming bestond over de inschatting dat Nederland in die laatste categorie zou vallen.
Al voor de totstandkoming van het six-pack stuurde de minister van Financiën op verzoek een brief naar de Kamer over de toekomst van de economische samenwerking in Europa.1 Hierin deed de minister voorstellen ter verbetering van het functioneren van de EMU. Dit was ook de taak van de eerder genoemde taskforce onder leiding van Van Rompuy, met daarin namens Nederland de minister van Financiën. De bedoeling was om de Nederlandse voorstellen bij de taskforce naar voren te brengen. Op verzoek stuurde de minister van Financiën verslagen van de bijeenkomsten van de taskforce naar de Kamer.2 Het rapport van de taskforce van 21 oktober 2010 vormde in een later stadium zoals gezegd het uitgangspunt bij de totstandkoming van het six-pack.
De roep om strengere maatregelen klonk direct tijdens een algemeen overleg over onder meer de Nederlandse voorstellen en het verslag van de eerste bijeenkomst van de taskforce. Daarin uitten Kamerleden de kritiek dat de Nederlandse inzet voor de taskforce niet ambitieus genoeg was.3 Ook werd het idee geopperd om begrotingsregels nationaal vast te leggen, waarop de minister van Financiën instemmend reageerde.4 Diezelfde roep bleek ook uit een motie die enkele maanden daarna werd aangenomen.5 Hierin werd gepleit voor automatische sancties voor lidstaten die het Stabiliteits- en Groeipact schenden.
Het tegengestelde geluid, dat van veel vrijheid en weinig EU-bemoeienis voor de lidstaten die binnen de Europese afspraken bleven, klonk bijvoorbeeld door in de hierboven besproken discussie over het scorebord en de indicatoren. De Kamer wenste daarin immers steeds bevestigd te zien dat, mocht Nederland op enig moment in een buitensporige onevenwichtighedenprocedure komen, de politiek zelf zou kunnen beslissen over de maatregelen die genomen moeten worden om die onevenwichtigheden aan te pakken. Cruciaal voor de Kamer was dat de Europese Commissie en de Raad slechts doelen konden opleggen aan Nederland, en geen specifieke maatregelen.
Vanuit dezelfde achtergrond nam de Kamer in februari 2011 een motie aan, waarin, naar het voorbeeld van een hierboven besproken motie, herhaald werd dat ‘ons land nationale zeggenschap moet blijven houden over zaken als pensioenen, belastingen en lonen’ en waarin de regering verzocht werd om ‘krachtig afstand te nemen van elke beweging naar een meer politieke unie en zich in te blijven zetten voor strikte naleving van het Stabiliteits- en Groeipact met passende sancties voor landen die gemaakte afspraken niet nakomen’.6 In een reactie wees minister van Financiën De Jager op de spanning tussen beide wensen van de Kamer, voor enerzijds striktere maatregelen, maar anderzijds voldoende nationale autonomie. Hij stelde:
‘Ik wijs erop dat de motie niet helemaal consistent is, omdat een inperking van nationale bevoegdheden gepaard gaat met het strikter handhaven van het Stabiliteits- en Groeipact. In de motie-Weekers/De Nerée tot Babberich op stuk nr. 713, die vorig jaar is ingediend [zoals hierboven besproken bij de parlementaire behandeling van de steun aan Griekenland en van het EFSM en de EFSF, zie par. 8.3.2, SP], wordt de regering ertoe opgeroepen het Stabiliteits- en Groeipact rigoureus te hervormen en mogelijk zelfs een onafhanke- lijk orgaan op te richten dat belast wordt met de handhaving van het Stabiliteits- en Groeipact. Daarmee komt er eerder meer “Europa” op dat punt.’7
Een maand later volgde een nieuwe motie. Hierin verwezen de (voor een deel dezelfde) initiatiefnemers naar de wens van de Kamer om een politieke unie te vermijden, en riepen zij de regering op om niet in te stemmen met ‘aanvullende Europees afdwingbare afspraken op het niveau van te nemen maatregelen’.8 De motie, die door de Kamer werd aangenomen, stelde dat voor de eurozone niet meer dan twee criteria verdragrechtelijk zijn vastgelegd en daarmee afdwingbaar zijn, namelijk de schuldennorm van maximaal zestig procent van het bbp en de grens voor het begrotingstekort van maximaal drie procent van het bbp. Deze motie werd tijdens hetzelfde debat ingediend als de hierboven besproken motie met de strekking dat Nederland zelf bepaalt welke maatregelen genomen worden op het terrein van lonen, pensioenen en belastingen. Uit de reactie van minister-president Rutte op beide moties bleek dat er volgens hem geen enkel licht zat tussen de voornemens van het kabinet en de uitgangspunten van de moties.9 Hij merkte beide dan ook aan als ondersteuning van het regeringsbeleid.
Later dat jaar nam de Kamer nogmaals een motie aan, dit keer met het verzoek aan de regering om met een visie te komen over de toekomst van de EMU.10 In deze visie stelde de regering verder te willen gaan dan hetgeen tot dan toe bereikt was (er werd op dat moment onderhandeld over het six-pack), om zo begrotingsdiscipline en deugdelijk economisch beleid af te kunnen dwingen.11 Uitgangspunt daarbij was dat
‘landen die zich niet aan de afspraken houden, in toenemende mate aanwijzingen krijgen om hun beleid op orde te maken door een proces waarbij notoire zondaars geleidelijk onder “curatele” komen te staan van een daartoe aangewezen Commissaris’.12
Dit was volgens het kabinet nodig vanwege de daarmee gepaard gaande risico’s voor andere landen, zoals die door de eurocrisis waren aangetoond. Tegelijkertijd benadrukte de regering echter dat zij wilde vasthouden aan de afspraken waar de lidstaten zich al bij de toetreding tot de EMU aan gecommitteerd hebben.13 De regering verwees in de visie dan ook naar beide hiervoor besproken moties, die opriepen tot het voorkomen van een politieke unie en van nieuwe Europees afdwingbare afspraken op het niveau van te nemen maatregelen.14 Ook sloot de regering aan bij de motie die een onafhankelijk Europees begrotingsorgaan voorstelde en die in het kader van de parlementaire behandeling van de steun aan Griekenland en van het EFSM en de EFSF is besproken.15 De regering nam deze wens van de Kamer om tot een onafhankelijk Europees begrotingsorgaan te komen, over en zag hierbij vooral een rol weggelegd voor een speciaal daartoe aangewezen commissaris binnen de Europese Commissie. Deze commissaris zou over een zogenaamde interventieladder dienen te beschikken en zou beslissingen moeten kunnen nemen over aanbevelingen en sancties indien lidstaten hun overheidsfinanciën structureel laten ontsporen.16 In toenemende mate diende de commissaris in te kunnen grijpen in het budgettaire beleid van lidstaten, op het moment dat zij zich niet aan de gemaakte afspraken houden. Dit ingrijpen moest volgens de regering bestaan uit drie stappen. In eerste instantie diende de commissaris een lidstaat te kunnen verplichten om gebruik te maken van de ramingen van de Commissie en moest hij een dwingend aanpassingspad voor kunnen schrijven voor het begrotingstekort.17 Vervolgens zou de commissaris een lidstaat bindend kunnen opleggen om maatregelen te nemen om de overheidsfinanciën op orde te brengen, inclusief mogelijke sancties. Tot slot zou ‘de onder curatele gestelde lidstaat goedkeuring [moeten] krijgen van de [c]ommissaris voor de conceptbegroting voordat deze door het nationale [p]arlement wordt goedgekeurd’.18 Lidstaten die weigeren om zich onder curatele te laten stellen, zouden er volgens de regering voor moeten kiezen om uit de eurozone te treden.19
Tijdens een algemeen overleg over deze visie van de regering sprak CU-Tweede Kamerlid Schouten haar twijfels uit over deze zienswijze. Zij vroeg zich met name af of er op deze manier nog iets overbleef van de soevereiniteit van een individuele lidstaat. De Jager reageerde als volgt:
‘Mevrouw Schouten zegt de brief bijna te kunnen ondertekenen, maar vraagt zich wel af of interventie niet leidt tot het opleggen van bindende maatregelen aan lidstaten. Zij vraagt of dat niet in tegenstelling is met de motie-Slob. In de motie-Slob van 23 maart wordt de regering opgeroepen niet in te stemmen met aanvullende en afdwingbare Europese afspraken op het niveau van te nemen maatregelen. Zo heb ik de motie ten tijde van het debat expliciet gelezen. Zo lees ik die nog steeds. De motie-Irrgang/Plasterk geeft voorbeelden van dergelijke individuele maatregelen [het gaat hierbij om de hierboven besproken motie met de strekking dat Nederland zelf bepaalt welke maatregelen genomen worden op het terrein van lonen, pensioenen en belastingen, SP]. In ons voorstel en bij het vormgeven van zo’n onafhankelijk orgaan houden wij terdege rekening met de motie-Slob. Die noemen wij ook in de brief. Wij denken bij de stappen van de interventieladder primair aan het opleggen van een bindend tekortpact voor landen met een tekort boven de 3% en aan zeer stringente monitorings- en rapportageverplichtingen. De lidstaten moeten dan zelf met maatregelen komen. Een uiterste consequentie kan zijn dat lidstaten die zich er totaal niet aan houden van de Commissie goedkeuring moeten krijgen voor de conceptbegroting en dat bindende maatregelen worden opgelegd. Dat is alleen het geval na stelselmatige overtreding van de regels van het SGP, vergelijkbaar met het huidige onder curatele staan bij het IMF-programma. Bij dat soort extreem begrotingszondaarschap is de Kamer daarop nooit tegen geweest. In de fases daarvoor heeft een land de volledige soevereiniteit om maatregelen te kiezen. De tekortgrens van 3% is al afgesproken. Het gaat hier om het afdwingen ervan. Een land kan er zelf de maatregelen bij vinden. Het is een politieke weging. Hier zal niet iedereen het erover eens zijn welke maatregelen het beste zijn, wat bezuinigingen of het verzwaren van lasten betreft. Ieder land en ieder parlement moet in de voorstellen de ruimte hebben om het zelf te doen, tenzij een land helemaal aan het einde van de rit zit en zich nergens aan heeft gehouden.’20
In reactie op een vervolgvraag van Schouten bevestigde De Jager nogmaals dat de EU in eerste instantie slechts kan bepalen dat lidstaten maatregelen moeten nemen om de economische situatie op orde te krijgen, en niet welke maatregelen dat zouden moeten zijn.21 Met deze redenering probeerden de regering en de Tweede Kamer om de spanning tussen de wensen van de Kamer, enerzijds gericht op meer toezicht vanuit de EU op de nationale begroting en anderzijds gericht op voldoende autonomie op economisch terrein voor de lidstaten, met elkaar in overeenstemming te krijgen.
Een laatste punt dat relevant is bij de discussie over de toekomst van Europese economische integratie, is een motie die werd ingediend tijdens een debat over een toespraak die de toenmalige Britse premier Cameron gaf in januari 2013.22 Cameron kondigde in die toespraak aan met de EU te willen onderhandelen over hervormingen van Europese afspraken. Bovendien beloofde hij bij een toekomstige verkiezingsoverwinning een referendum te houden over het Britse lidmaatschap van de EU, waarvan de uitkomst inmiddels bekend is. Bij een debat in de Nederlandse Tweede Kamer hierover dienden de Tweede Kamerleden Van der Staaij (SGP) en Slob (CU) een motie in, waarin een eerdere motie uit 1980 werd herroepen.23 De motie waar de betreffende Kamerleden niet langer achter stonden, vermeldde dat ‘de bepalingen van de Nederlandse Grondwet in geval van twijfel zo dienen te worden uitgelegd, dat het Europees integratieproces daardoor niet wordt belemmerd’.24 Volgens de indieners was die motie tot stand gekomen in een tijd ‘van een blind geloof in de Europese integratie’.25 Door deze motie ‘werd [de Grondwet] kortom ondergeschikt gemaakt aan het Europese integratieproces’, aldus Van der Staaij. Bovendien riep die motie volgens de indieners op tot ‘een per definitie EU-conforme grondwetsinterpretatie’.26 De motie die hij samen met Slob indiende, herriep daarom de eerdere motie. Ook spraken de Kamerleden via de motie uit dat ‘de bepalingen van de Nederlandse Grondwet op gangbare wijze worden uitgelegd conform de oogmerken en overwegingen van de Nederlandse wetgever’.27
Minister-president Rutte reageerde terughoudend op deze motie:
‘De motie op stuk nr. 732 betreft iets wat eigenlijk nog dateert van vóór de grondwetswijziging uit 1983. Wij moeten die motie ook binnen de context van die grondwetswijziging van 1983 bezien. Het betreft een motie van de leden Brinkhorst, Van den Broek en Nijpels van 18 maart 1980, maar dit gebeurde allemaal in de aanloop naar de grondwetsherziening van 1983. Op dit moment zijn de staatsrechtelijke aspecten niet goed te overzien. Ik zou daarom genoodzaakt zijn om deze motie te ontraden.’28
Besloten werd om de motie enige tijd aan te houden, zodat de regering de tijd kreeg om schriftelijk nader op de motie te reageren. In deze reactie ging de regering in op de achtergrond van de motie uit 1980.29 Anders dan de motie van Van der Staaij en Slob suggereerde, had de motie uit 1980 volgens de regering niet tot doel om op te roepen tot een per definitie EU-conforme grondwetsinterpretatie. Men wilde slechts benadrukken dat Nederland deel uitmaakt van de bredere Europese rechtsorde. De regering verwees in de reactie naar de voorrang van het Unierecht boven het nationale recht, en de ‘hieruit volgende verplichting om zo mogelijk nationale wetgeving conform Unierecht uit te leggen’.30 Dit betekent echter niet, zo stelde de regering, dat Nederland moet instemmen met elk initiatief dat leidt tot verdere Europese integratie. De motie uit 1980 onderstreepte daarom slechts de juridische en politieke verplichtingen die Nederland op zich heeft genomen met het lidmaatschap van de EU, aldus de regering. De regering concludeerde daarom:
‘Het herroepen van de motie-Brinkhorst zou niets afdoen aan genoemde verplichtingen, en de motie staat een uitleg op gangbare wijze van de Nederlandse Grondwet (zoals beoogd door de motie Van der Staaij) niet in de weg. Hieruit volgt dat het aannemen van de motie geen materiële gevolgen zou hebben, maar wel twijfel zou kunnen zaaien over de mate waarin Nederland zich gebonden acht aan de verplichtingen die samengaan met het EU-lidmaatschap. In het licht van het bovenstaande acht het kabinet de voorgestelde motie overbodig en niet wenselijk. Indien de motie in stemming zou worden gebracht, ontraadt het kabinet de motie. Het kabinet laat hierbij in het midden of, en zo ja, op welke wijze een eerder aangenomen motie met de daaraan verbonden gevolgen kan worden teruggenomen.’31
Ondanks deze, mijns inziens terechte, kanttekeningen van de regering, nam de Tweede Kamer de motie aan.32