Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/1.5.3
1.5.3 Hoofdrecht en moederrecht
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300426:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ik houd de terminologie aan uit Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 8-9. Deze vormt een verbetering ten opzichte van Asser/Mijnssen, de Haan & van Dam 2006, waarin de terminologie niet zuiver is (zie randnummer 11 van dit laatste werk voor een voorbeeld). Het voordeel van de aangehouden terminologie is dat deze aansluit bij die van de ‘hoofdzaak’ uit titel 5.3 BW. Ook de wetgever heeft het bij afhankelijke rechten over het hoofdrecht; Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 91, 383; Parlementaire Geschiedenis Boek 5, p. 356, 360, 362-363. Bij nevenrechten spreekt hij over de hoofdvordering; Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 528. Enigszins verwarrend is dat de wetgever de term hoofdrecht ook gebruikt voor wat tegenwoordig als het moederrecht wordt gezien: zie bijvoorbeeld Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 92, 93, 311, 336.
Zie Booms 2017, p. 123–124 voor enkele voorbeelden en ezelsbruggetjes om de twee uit elkaar te houden.
Booms 2015b, p. 306. Zie ook meer uitgebreid paragraaf 14.3.4.
Zie voor voorbeelden waar het mis gaat Snijders 1991, p. 256; Brahn & Reehuis 2015, para. 73; Asser/van Mierlo 2016, para. 400.
Het enige afhankelijke recht dat niet soepel in deze terminologie past is het aandeel in een mandelige zaak. Zie daarover randnummer 581.
49. In dit onderzoek maak ik gebruik van de termen ‘hoofdrecht’ en ‘moederrecht’. De term ‘hoofdrecht’ wordt normaliter gebruikt om rechten aan te duiden waarvoor (of: ten gunste waarvan) een afhankelijk recht in het leven is geroepen.1 Zo is het hoofdrecht van een hypotheekrecht de vordering waarvoor het hypotheekrecht is gevestigd (vergelijk art. 3:7 BW).
50. De term ‘moederrecht’ wordt gebruikt om een recht op een goed aan te duiden waarop een beperkt recht is gevestigd; het beperkte recht bezwaart het moederrecht. Zo is het moederrecht van een hypotheek-recht bijvoorbeeld het eigendomsrecht op de onroerende zaak waarop het hypotheekrecht is gevestigd (vergelijk art. 3:8 BW).
51. Het hoofdrecht van een afhankelijk beperkt recht wordt zowel in de rechtspraak als de literatuur nogal eens verward met het moederrecht van een afhankelijk beperkt recht.2 Dit is vooral het geval indien het hoofdrecht en het moederrecht van een afhankelijk recht gelijksoortig zijn. Dit doet zich voor bij het recht van erfdienstbaarheid (zowel het hoofdrecht als het moederrecht is een recht op een onroerende zaak) en bij het pandrecht op een vordering (zowel het hoofdrecht als het moederrecht is een vordering). Het betreft een kwestie van perspectief: vanuit de beperkt gerechtigde gezien, is het moederrecht het recht van een ander (waarop hij een beperkt recht heeft verkregen) en betreft het hoofdrecht een eigen recht (dat door het beperkte recht wordt versterkt). Vanuit de verschaffer van het beperkte recht gezien, is het moederrecht het eigen recht (dat is bezwaard met een beperkt recht van een ander) en is het hoofdrecht het recht van een ander (dat door het verschafte beperkte recht wordt versterkt).
52. Soms is het door elkaar halen van het hoofdrecht en het moederrecht van een afhankelijk recht niet zo’n punt: zowel bij tenietgaan van het hoofdrecht als bij tenietgaan van het moederrecht eindigt het beperkte recht. In het eerste geval is dat op basis van afhankelijkheid (art. 3:7 BW), in het tweede geval op basis van goederenrechtelijk gevolg oftewel droit de suite (art. 3:81 lid 2 sub a BW). Op andere momenten is het wel even oppassen. Zo zijn er op verschillende plaatsen in de wet afzonderlijke bepalingen voor hoofdrechten en moederrechten opgenomen die weliswaar op elkaar lijken, maar net anders functioneren. Er gelden bijvoorbeeld net andere vereisten voor het wijzigen van een recht van erfdienstbaarheid (art. 5:80 BW voor het hoofdrecht, art. 5:78 en 5:79 BW voor het moederrecht) en bij het vestigen van een pandrecht op een vordering (art. 3:231 BW voor het hoofdrecht, art. 3:239 BW voor het moederrecht). Een andere reden om te onderscheiden is het mogelijke verschil dat bestaat in de rechtsgevolgen van het splitsen van het hoofdrecht dan wel het moederrecht.3 Ten slotte heeft overdracht van het hoofdrecht een ander gevolg voor het beperkte afhankelijke recht dan overdracht van het moederrecht. Bij overdracht van het hoofdrecht gaat het afhankelijke beperkte recht mee naar het vermogen van de nieuwe rechthebbende van het moederrecht; de nieuwe eigenaar van het heersende erf krijgt het recht van erfdienstbaarheid er automatisch bij. Bij overdracht van het moederrecht verwisselt het afhankelijke beperkte recht juist niet van vermogen; het recht van erfdienstbaarheid blijft toebehoren aan de eigenaar van het heersende erf, ook al wordt het dienende erf overgedragen.
53. Bij het onderscheid tussen kwalitatieve rechten en kwalitatieve verplichtingen speelt een gelijksoortige problematiek als bij het onderscheid tussen de ‘afhankelijkheidskant’ en de ‘droit de suite kant’ van een afhankelijk beperkt recht. Hier dient te worden onderscheiden tussen degene die de hoedanigheid heeft van kwalitatief gerechtigde (degene die rechthebbende is van het subjectieve recht ten gunste waarvan een kwalitatief recht is bedongen) en de rechthebbende van een subjectief recht ten laste waarvan een kwalitatieve verplichting bestaat.4
54. Vanwege het uiteenlopende karakter van de aanspraken die in het Nederlandse recht onder de noemers ‘afhankelijke rechten’ en ‘kwalitatieve rechten’ worden gebracht, is het lastig om de betrokken partijen en de acties die zij ondernemen eenvoudig te omschrijven. Omdat niet alle afhankelijke rechten tevens beperkte rechten zijn, is het niet altijd mogelijk om te spreken van de moedergerechtigde die een afhankelijk beperkt recht vestigt ten gunste van de hoofdgerechtigde (zoals bijvoorbeeld gebeurt bij het pandrecht). In plaats daarvan spreek ik – waar nodig – over de ‘verschaffer’ van een afhankelijk recht die dat recht ‘in het leven roept’ ten gunste van de hoofdgerechtigde (zoals bijvoorbeeld gebeurt met de vordering op de borg die ontstaat door het aangaan van een overeenkomst van borgtocht).5 Het voordeel van deze abstractere terminologie is dat deze zich ook laat toepassen bij andere in het boek besproken figuren, zoals de kwalitatieve rechten.