Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.6
8.6 De fiscale behandeling van de dode bij opgerichte stichting in Duitsland
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232309:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Richter in v.Campenhausen/Richter 2014 § 40 Rn 8. De formele naam van de wet luidt: ‘Erbschaftsteuer- und Schenkungsteuergesetz in der Fassung der Bekanntmachung vom 27. Februar 1997 (BGBl. I S. 378), das zuletzt durch Artikel 5 des Gesetzes vom 25. März 2019 (BGBl. I S. 357) geändert worden ist.‘
Richter in v.Campenhausen/Richter 2014 § 40 Rn 6 en 12 en § 41 Rn 22-25; BFH 25 oktober 1995 (II R 20/92) BStBl. 1996 II S. 99.
§ 13 Abs. 1 Nr. 17 Erbschaftsteuer- und Schenkungsteuergesetz, dat luidt: ‘Zuwendungen, die ausschlieûlich kirchlichen, gemeinnützigen oder mildtätigen Zwecken gewidmet sind, sofern die Verwendung zu dem bestimmten Zweck gesichert ist’.
§ 5 Abs. 1 Nr. 9 Körperschaftssteuergesetz.
Voor de vraag wanneer in fiscale zin sprake is van een familiestichting, zie Richter in v.Campenhausen/Richter § 13 Rn 57-62.
Sonneveldt 2000a. § 15 Abs. 2 Erbschaftsteuer- und Schenkungsteuergesetz luidt: ‘In den Fällen des § 3 Abs. 2 Nr. 1 und § 7 Abs. 1 Nr. 8 ist der Besteuerung das Verwandtschaftsverhältnis des nach der Stiftungsurkunde entferntest Berechtigten zu dem Erblasser oder Schenker zugrunde zu legen, sofern die Stiftung wesentlich im Interesse einer Familie oder bestimmter Familien im Inland errichtet ist.’
Ingevoerd bij Gesetz zur Reform des Erbschaftsteuer- und Schenkungsteuerrechts (ErbStRG) van 17 april 1974 (BGBl. I S. 933), in werking getreden op 1 januari 1974. De invoering is niet zonder strijd verlopen. In 1983 heeft het Bundes Verfassungsgericht geoordeeld dat deze belasting niet in strijd is met de grondwet, BVerfG 8 maart 1983, 2 BvL 27/81, BStBl. 1983 II S. 779. Voor een korte en heldere uiteenzetting van de hoofdlijnen en knelpunten van de Erbersatzsteuer, zie Günter Isfort, ‘Die Erbersatzsteuer ist kein Ersatz für die Erbschaftsteuer’, Der Betrieb Nr. 27-28 / 14.07.2017.
Richter in v.Campenhausen/Richter § 6 Rn 5. Zie ook de hiervoor genoemde dertig jaar termijn voor Vorerbschaft. In Nederland werd voor de voorwaardelijke making ook een termijn van dertig jaar opgenomen onder verwijzing naar deze termijn als zijnde een generatie (zie 6.2.3.2 en 7.2.2.2).
Uit het bovenstaande blijkt dat in Nederland de heffing van erfbelasting van een bij dode opgerichte stichting lang niet zo eenvoudig is als op voorhand wellicht zou worden verwacht. De problematiek is voor een belangrijk deel te verklaren uit enerzijds de wens een algemeen nut beogende instelling fiscaal zo weinig mogelijk in de weg te leggen maar anderzijds zwevend vermogen te voorkomen dat onbelast blijft terwijl kans bestaat dat degene die het vermogen heeft afgezonderd of zijn erfgenamen nog steeds van het afgezonderde vermogen kunnen profiteren. Deze problematiek speelt ook in Duitsland zodat het interessant is te onderzoeken hoe hier in Duitsland mee wordt omgegaan.
In Duitsland moet onderscheid worden gemaakt tussen de heffing bij de oprichting van de stichting en de heffing gedurende het bestaan daarvan. Ik beperk mij hier tot de heffingen over het vermogen vanwege de erfrechtelijke verkrijging bij uiterste wilsbeschikking van de erflater.
Een bij dode opgerichte stichting is in beginsel Erbschaftsteuer, erfbelasting, verschuldigd op grond van het Erbschaftsteuer- und Schenkungsteuergesetz.1 In Duitsland is het immers ondenkbaar dat een bij dode opgerichte stichting geen vermogen uit de nalatenschap ontvangt, zo bleek in 2.3.2.5. Hierbij valt op dat ten aanzien van de belastingheffing, de fictie van § 84 BGB (de Städel-Paragraph) niet wordt gevolgd. Voor de erfbelasting verkrijgt de stichting pas bij de Anerkennung. Dit weerhoudt het Bundesfinanzhof er niet van de opbrengsten tussen het overlijden en de verkrijging van rechtspersoonlijkheid van de stichting in de erfbelasting te betrekken. Verzelfstandiging van het stichtingsvermogen vindt namelijk al plaats voor de Anerkennung, en wel op het moment van het overlijden van de erflater.2 Dubbele belasting is hiermee niet uitgesloten omdat de stichting in beginsel vennootschapsbelasting is verschuldigd over de opbrengsten van het vermogen vanaf de datum van de verzelfstandiging van het stichtingsvermogen (§ 1 Abs. 1 onder 4 Körperschaftssteuergesetz).
Het gebruik van de woorden ‘in beginsel’ doet terecht vermoeden dat op bovenstaande algemene belastingplicht belangrijke uitzonderingen bestaan. De belangrijkste uitzondering voor de stichting is de vrijstelling van erfbelasting als de stichting een algemeen nuttig, milddadig of kerkelijk doel nastreeft.3 Voor dergelijke stichtingen geldt een subjectieve vrijstelling van de vennootschapsbelasting.4
Omdat uitkeringen aan Destinatäre binnen het doel van de stichting niet worden gezien als belaste schenkingen (zie 5.5.4), wordt geen schenkbelasting geheven over uitkeringen.5
Uit het vorenstaande blijkt dat belastingheffing in de praktijk vooral aan de orde is bij zogenaamde ‘familiestichtingen’, stichtingen waarin de erflater vermogen onderbrengt ten behoeve van zijn nabestaanden.6 Familiestichtingen kunnen niet gebruikmaken van de subjectieve vrijstelling voor de vennootschapsbelasting en ook niet van de objectieve vrijstelling voor de erfbelasting die wel gelden voor stichtingen met een algemeen nuttig, milddadig of kerkelijk doel. Wel geldt voor dergelijke familiestichtingen een tariefsmatiging.7
Naast de Erbschaftsteuer mag voor de familiestichting de Erbersatzsteuer niet ongenoemd blijven.8 Deze belasting betrekt het vermogen van de niet subjectief vrijgestelde stichting voor de erfbelasting elke dertig jaar in de heffing van erfbelasting. Dit komt feitelijk neer op heffing binnen elke generatie.9 Het blijvend buiten de erfbelasting houden van familievermogen is daardoor onmogelijk. Bezwaren tegen vermogen in de dode hand zullen daardoor ook niet snel opkomen.