Rb. Den Haag, 22-07-2021, nr. SGR 20/5870 , SGR 20/5873 tot en met SGR 20/5881
ECLI:NL:RBDHA:2021:10838, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
22-07-2021
- Zaaknummer
SGR 20/5870 , SGR 20/5873 tot en met SGR 20/5881
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2021:10838, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 22‑07‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBDHA:2021:9859, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 14‑07‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2022:1649, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2021100709
FutD 2021-3128
NLF 2021/1818
Uitspraak 22‑07‑2021
Inhoudsindicatie
Afwijzing ontnemingsvordering leidt niet tot ambtshalve vermindering aanslagen.
Partij(en)
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 20/5870 , SGR 20/5873 tot en met SGR 20/5881
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2021 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: mr. R. van Iperen),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft per brief van 29 april 2019 verweerder verzocht om de aan hem opgelegde (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over de jaren 2010 tot en met 2014 te herzien. Verweerder heeft deze verzoeken aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering en heeft de verzoeken afgewezen.
Bij beslissingen van 25 november 2019 heeft verweerder de door eiser gemaakte bezwaren afgewezen.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaak voor verdere behandeling en beslissing verwezen naar rechtbank Den Haag.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2021.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [B] , mr. drs. [C] en [D] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser staat in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) vanaf 30 januari 2002 tot 7 maart 2010 ingeschreven op het adres [adres] [huisnummer] in [plaats] . Eiser woonde volgens het GBA vanaf 7 maart 2010 in [buitenland] .
2. Eiser heeft de aangifte IB/PVV over het jaar 2010 buiten de aanmaningstermijn ingediend. Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2010 een nihilaanslag IB/PVV opgelegd.
3. Eiser is in 2014 strafrechtelijk vervolgd voor onder meer witwassen. Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek heeft verweerder aan eiser alsnog aangiftebiljetten IB/PVV over de jaren 2011 tot en met 2013 uitgereikt. Eiser heeft op de aangiftebiljetten alleen zijn adres in [buitenland] ingevuld.
4. Verweerder heeft naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek een boekenonderzoek bij eiser ingesteld naar de aangiften IB/PVV van eiser over de jaren 2010 tot en met 2013. Verweerder heeft zijn bevindingen van het boekenonderzoek neergelegd in een controlerapport van 13 februari 2015. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat eiser in de jaren 2010 tot en met 2013 niet in [buitenland] maar in Nederland woonde en dat de door verweerder gemaakte kasopstelling laat zien dat eiser in de jaren 2010 tot en met 2014 aanzienlijke kastekorten (2010: € 93.443; 2011: € 86.321; 2012: 122.616; 2013: € 114.740; 2014: € 125.385) heeft.
5. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder voor de jaren 2010 tot en met 2014 resultaat uit overige werkzaamheden bij eiser in aanmerking genomen. Verweerder heeft aan eiser (navorderings)aanslagen IB/PVV over de jaren 2010 tot en met 2013 en een voorlopige aanslag IB/PVV over het jaar 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 91.553 (2010), € 86.321 (2011), € 122.616 (2012), € 114.740 (2013) en € 125.385 (2014). Verder heeft verweerder aan eiser (navorderings)aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over de jaren 2010 tot en met 2013 en een voorlopige aanslag Zvw over het jaar 2014 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van respectievelijk € 33.189 (2010), € 33.427 (2011),
€ 50.064 (2012), € 50.853 (2013) en € 51.414 (2014).
5. Verweerder heeft na bezwaar de aanslagen IB/PVV en Zvw over het jaar 2011 vernietigd, omdat deze buiten de aanslagtermijn waren opgelegd. Verweerder heeft na bezwaar de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2010, de aanslag IB/PVV over het jaar 2012 en de voorlopige aanslag IB/PVV over het jaar 2014 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 77.304, € 97.916 en € 119.394. Verweerder heeft de bezwaren tegen de overige aanslagen ongegrond verklaard. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de beroepen tegen voormelde uitspraken op bezwaar in haar uitspraken van 3 februari 2017 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van de gronden van beroep.
6. Verweerder heeft met dagtekening 25 oktober 2017 aanslagen IB/PVV en Zvw over het jaar 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 119.394 en een bijdrage-inkomen van € 51.414.
7. Eiser is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 21 maart 2019 strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer het witwassen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 juli 2014 en het op 1 juli 2014 voorhanden hebben van 15.000 XTC-pillen. Bij vonnis van dezelfde datum heeft de rechtbank de ontnemingsvordering afgewezen. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen:
“Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat er sprake is van een negatief vermogen ter hoogte van het bedrag dat in de eenvoudige kasopstelling naar voren komt. Verder acht de rechtbank het niet aannemelijk geworden dat, voor zover er sprake zou zijn van een negatief vermogen, dit vermogen een illegale herkomst heeft. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de vader van de verdachte vermogend is, (hoge) rekeningen voor verdachte heeft betaald en verdachte daarnaast contant geld van zijn vader ontving. De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie daarom af.”.
8. Bij brief van 29 april 2019 heeft eiser verweerder verzocht om de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en Zvw over de jaren 2010 tot en met 2014 alsmede de voorlopige aanslagen Zvw over het jaar 2014 te herzien. Verweerder heeft deze verzoeken als verzoeken om ambtshalve vermindering aangemerkt en de verzoeken afgewezen.
Geschil
9. In geschil is of verweerder de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen.
Beoordeling van het geschil
2010 tot en met 2013
10. Op grond van het bepaalde in artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 49, derde lid, van de Zorgverzekeringswet (tekst 2014), in samenhang bezien met artikel 45aa, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (de Uitvoeringsregeling, tekst 2010 en tekst vanaf 2011), wordt een belastingaanslag, inclusief de op het aanslagbiljet vermelde beschikkingen (zoals een boetebeschikking en de belastingrentebeschikking), niet ambtshalve verminderd, indien zeven jaren (belastingjaar 2010) dan wel vijf jaren (vanaf belastingjaar 2011) zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Gelet hierop loopt de termijn voor het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2010 af op
31 december 2017, voor het jaar 2011 op 31 december 2016, voor het jaar 2012 op
31 december 2017 en voor het jaar 2013 op 31 december 2018.
11. Verweerder heeft de verzoeken van eiser op 29 april 2019 ontvangen. De verzoeken over de jaren 2010 tot en met 2013 zijn dan ook te laat ingediend. Een na afloop van de termijn ingediend verzoek dient toch door verweerder in behandeling te worden genomen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (vgl. Hoge Raad 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871). Eiser heeft daartoe verwezen naar het ontnemingsvonnis van 21 maart 2019. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit vonnis niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiser had immers binnen de wettelijke bezwaartermijn van zes weken bezwaar kunnen instellen tegen de onderhavige belastingaanslagen; hij heeft dit ook gedaan. Dat eiser, om hem moverende redenen, heeft nagelaten zijn (tijdig ingestelde) beroep te motiveren en hij uiteindelijk buiten de geldende wettelijk termijn de verzoeken om ambtshalve vermindering heeft ingediend, komt voor zijn rekening en risico. Eiser wist dan wel had moeten weten dat er een ontnemingsvonnis zou komen en had daarop kunnen anticiperen. Het vonnis leidt er niet toe dat de termijnoverschrijding niet aan eiser is toe te rekenen. Verweerder heeft terecht het verzoek voor de jaren 2010 tot en met 2013 afgewezen. Aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep betreffende deze jaren komt de rechtbank dan ook niet toe.
2014
12. Het verzoek voor het jaar 2014 is wel tijdig gedaan. In artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling is bepaald, dat de inspecteur een onjuiste belastingaanslag ambtshalve vermindert zodra hem is gebleken dat de belastingaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld. Eiser moet in dit geval doen blijken - dat wil zeggen: overtuigend aantonen - dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2014 op een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Daarbij staat voorop dat de bewijslast in het strafrecht anders is dan in het belastingrecht. Voor een ontneming worden in het strafrecht zwaardere eisen aan het bewijs gesteld dan voor het vaststellen van een belastingaanslag. Het enkele feit dat de strafrechter de ontnemingsvordering heeft afgewezen, leidt dan ook niet direct tot vermindering van de aanslagen. Verweerder heeft ter zitting onweersproken verklaard dat de Officier van Justitie niet de uitgebreide kasopstelling uit het controlerapport van verweerder heeft gebruikt maar een eenvoudigere kasopstelling die uitging van de investering in het huis en de in de kluis aangetroffen gelden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aangevoerd tegen de kasopstelling van verweerder. Anders dan eiser veronderstelt, is de waarde van de woning in die kasopstelling niet van belang. Eiser heeft met name gewezen op de vermogenspositie van zijn vader en heeft ter zitting gewezen op de door hem gemaakte alternatieve kasopstelling die in het dossier zit. Deze alternatieve kasopstelling is kort en sluit niet goed aan op de kasopstelling van verweerder, zodat deze overtuigingskracht mist. Eiser heeft met wat hij heeft aangevoerd niet doen blijken dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2014 naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. Verweerder heeft het verzoek om ambtshalve vermindering dan ook terecht afgewezen.
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen is, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van
mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2021.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.
Uitspraak 14‑07‑2021
Inhoudsindicatie
Eiser maakt contante giften niet aannemelijk. Kwitanties en bankafschriften vormen onvoldoende bewijs dat giften ten goede zijn gekomen aan anbi. Verzoek om ambtshalve vermindering terecht afgewezen.
Partij(en)
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 20/3010 en SGR 20/3011
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2021 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft verzocht om vermindering van de aan hem opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2012 en 2013 en de daarbij opgelegde vergrijpboetes (de verzoeken om ambtshalve vermindering). Verweerder heeft op 24 april 2019 de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij beslissingen van verweerder van 11 maart 2020 en 13 maart 2020 heeft verweerder de bezwaren van eiser afgewezen.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft in een soort gelijke zaak het verzoek van verweerder om geheimhouding van persoonsgegevens, die voorkomen in een door hem overgelegd FIOD-rapport, toegewezen. Dat FIOD-rapport is ook in deze zaken overgelegd en bij brief van 4 februari 2021 is de beslissing van de geheimhoudingskamer ook op de zaken van eiser van toepassing verklaard. Eiser heeft de rechtbank geen toestemming gegeven om kennis te nemen van het volledige dossier.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. A.P. Gungormez en
M.L. Vredenbregt (gebarentolk). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
[A] en [B] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser heeft in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013 contante giften aan de [universiteit] ( [universiteit] ) in aanmerking genomen. De giftenaftrek bedroeg, vóór toepassing van de drempel, in beide jaren € 2.000. De [universiteit] stond vanaf
1 januari 2008 geregistreerd als een algemeen nut beogende instelling (ANBI).
2. Verweerder heeft met dagtekening 13 december 2013 (2012) en 16 mei 2014 (2013) de aanslagen IB/PVV over de onderhavige jaren conform de aangiften opgelegd.
Strafrechtelijk onderzoek
3. In 2013 is de Belastingdienst begonnen met een onderzoek naar de ANBI-status van de [universiteit] . Van dat onderzoek is met dagtekening 17 mei 2016 een rapport opgemaakt. Bij dit onderzoek is onder meer vastgesteld dat de [universiteit] in het jaar 2012 meer kwitanties had uitgeschreven dan in haar administratie was verantwoord en dat de [universiteit] in de jaarstukken voor 2013 slechts € 88.564 aan ontvangen donaties had verwerkt terwijl in diverse aangiften IB/PVV in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [universiteit] was aangegeven. In januari 2015 is de FIOD begonnen met strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse kwitanties van giften aan andere ANBI-instellingen dan de [universiteit] . Daarbij bleek dat diverse van de daarin betrokken belastingplichtigen ook giften aan de [universiteit] hadden afgetrokken. Naar aanleiding van die signalen is op 17 september 2015 besloten de FIOD een strafrechtelijk onderzoek te laten instellen naar de [universiteit] .
4. Tot de stukken van het geding behoort een CD-rom met daarop het Proces-Verbaal met bijlagen van het FIOD-onderzoek naar de [universiteit] (het FIOD-PV). Overeenkomstig de beslissing van de rechtbank van 10 mei 2019 zijn de namen van derden daarin onleesbaar gemaakt. Eiser is in het FIOD-onderzoek niet aangemerkt als verdachte en is daarin ook niet als getuige gehoord. Zijn naam komt wel voor in het handgeschreven kasboek van de penningmeester (de kasadministratie) dat bij het FIOD-PV is gevoegd.
5. Uit het FIOD-PV blijkt dat de penningmeester van de [universiteit] heeft verklaard dat hij op grote schaal kwitanties heeft verkocht voor een percentage van ongeveer 10 à 12% van het bedrag dat op de kwitanties stond vermeld. Verder heeft de penningmeester van de [universiteit] tijdens verhoren op 25 januari 2017 en 14 maart 2017 verklaard dat slechts in een enkel geval het gehele bedrag van de kwitantie werd betaald en dat geen bedragen van meer dan
€ 400 daadwerkelijk zijn betaald door donateurs.
6. De officier van justitie heeft op 16 maart 2017 toestemming verleend de bevindingen uit het FIOD-onderzoek naar de [universiteit] te gebruiken voor fiscale doeleinden.
Navorderingsaanslagen en vergrijpboetes
7. Verweerder heeft bij brief van 15 december 2016 eiser verzocht de giftenaftrek voor de jaren 2012 en 2013 toe te lichten. In reactie hierop heeft eiser drie kwitanties van de [universiteit] overgelegd (één van € 2.000 voor 2012 en twee van € 1.000 voor 2013).
8. Bij brieven van 29 november 2017 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om voor de jaren 2012 en 2013 navorderingsaanslagen en vergrijpboetes op te leggen in verband met correcties betreffende de giftenaftrek aan de [universiteit] .
9. Verweerder heeft met dagtekening 16 december 2017 de aangezegde navorderingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd. De vergrijpboetes bedragen respectievelijk € 553 (2012) en € 555 (2013), zijnde 75% van de nagevorderde verschuldigde belasting. Eiser heeft tegen de navorderingsaanslagen en vergrijpboetes geen bezwaar gemaakt.
10. Verweerder heeft op 20 juni 2018 de verzoeken om ambtshalve vermindering van eiser (met dagtekening 19 juni 2018) ontvangen. Verweerder heeft vervolgens de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen.
Geschil
11. In geschil is of verweerder de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen.
Beoordeling van het geschil
2012
12. Op grond van het bepaalde in artikel 9.6 van de Wet IB 2001, in samenhang bezien met artikel 45aa, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (de Uitvoeringsregeling), wordt een belastingaanslag, inclusief de op het aanslagbiljet vermelde beschikkingen (zoals een boetebeschikking en de belastingrentebeschikking), niet ambtshalve verminderd indien vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. De vijfjaarstermijn met betrekking tot de over het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag en vergrijpboete eindigde in het onderhavige geval op 31 december 2017.
13. Verweerder heeft niet eerder dan op 20 juni 2018 het verzoek om ambtshalve vermindering betreffende het jaar 2012 van eiser ontvangen. Het verzoek is dan ook te laat ingediend. Een na afloop van de vijfjaarstermijn ingediend verzoek om ambtshalve vermindering dient toch door verweerder in behandeling te worden genomen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (vgl. Hoge Raad 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871).
14. Eiser heeft ter zitting als reden voor de termijnoverschrijding gegeven dat hij geen bezwaar tegen de navorderingsaanslag en de vergrijpboete heeft ingediend, omdat hij geen problemen met zijn werkgever (de Belastingdienst) wilde en hij zijn baan wilde behouden. Dit lukte uiteindelijk niet, waarna hij de gemachtigde heeft ingeschakeld, die het onderhavige verzoek voor hem heeft ingediend. Aan eiser is inmiddels strafontslag verleend. Eiser heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat de termijnoverschrijding hem niet is toe te rekenen. Eiser had immers binnen de wettelijke bezwaartermijn van zes weken bezwaar kunnen instellen tegen de onderhavige navorderingsaanslag en vergrijpboete. Dat eiser dit, om hem moverende redenen, heeft nagelaten en hij uiteindelijk pas op 20 juni 2018 het onderhavige verzoek heeft ingediend, komt voor zijn rekening en risico. Dat de navorderingsaanslag en de vergrijpboete vlak voor het einde van de vijfjaarstermijn zijn opgelegd, kan aan voormeld oordeel niet afdoen. De stelling van eiser dat, gelet op artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3374, de vijfjaarstermijn met een jaar moet worden verlengd, volgt de rechtbank niet. Voormelde bepaling en uitspraak zien namelijk op een andere regelgeving en zijn niet op de onderhavige verzoeken om ambtshalve vermindering van toepassing.
Nu eiser ook anderszins geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, die de termijnoverschrijding verschoonbaar zouden kunnen maken, heeft verweerder terecht het verzoek afgewezen. Aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep betreffende het jaar 2012 komt de rechtbank dan ook niet toe.
2013
15. De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op eiser. Bij contante giften moet een belastingplichtige met schriftelijke bescheiden aantonen dat de door hem gestelde giften daadwerkelijk zijn gedaan, dat wil zeggen aan de [universiteit] ten goede zijn gekomen. Eiser wijst daartoe op de door hem overgelegde kwitanties. Uit hetgeen verweerder heeft aangevoerd, volgt dat bij de [universiteit] op grote schaal valse giftkwitanties werden verhandeld en gebruikt door belastingplichtigen om giften op te voeren die zij niet daadwerkelijk hebben gedaan. Gelet op deze bevindingen kunnen de overgelegde kwitanties van de [universiteit] niet zonder meer dienen als bewijs voor gestelde giften. Met de ter zitting overgelegde bankafschriften en de daarop vermelde geldopnames en de door eiser daarbij gegeven verklaring omtrent de aanwending daarvan, heeft eiser dat (aanvullende) bewijs niet geleverd, reeds omdat met een geldopname niet vaststaat dat (een deel van) de opgenomen gelden ook daadwerkelijk aan de [universiteit] ten goede zijn gekomen. Nu eiser geen ander (schriftelijk) bewijs heeft bijgebracht waaruit volgt dat giften ten goede zijn gekomen aan de [universiteit] , acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiser in het jaar 2013 giften aan de [universiteit] heeft gedaan. Verweerder heeft dan ook terecht geen giften in aftrek toegestaan en het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag terecht afgewezen (vgl. gerechtshof Den Haag van 5 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:19).
16. Nu er geen reden is ingevolge artikel 9:6 van de Wet IB 2001 de navorderingsaanslag ambtshalve te verminderen, blijft ook de daarbij opgelegde vergrijpboete in stand.
Slotsom
17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van
mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2021.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.