Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/8.4.5
8.4.5 Nadere uitwerking van het besluitcriterium
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS497239:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1978/79, 13 611, nr. 6, p. 24 (MvA), waarover Pijls 2008 (par. 5.1 aldaar).
Volgens Verkade was er te weinig oog voor het besluitcriterium en het effect van een misleidende reclame op de `aankoopbeslissing' van de consument. Het gezichtspunt dat de misleiding een voor het transactiebesluit relevant aspect van het aangebodene moet betreffen wordt in het Pokon-Substral-arrest (HR 29 maart 1985, NJ 1985/591) volgens hem ten onrechte niet als uitgangspunt gehanteerd: Verkade 1992, nr. 37. 'Van een stelselmatig uitgevoerde, omvattende toetsing aan het effectcriterium is in de Nederlandse rechtspraak (...) geen sprake' aldus Steijger 2008, p. 55.
Kamerstukken II 2006/07, 30 928, nr. 6, p. 3. Anders: Geerts en Vollebregt 2009, p. 22 (mits de bewijslast niet te zwaar is). Het is denkbaar dat van een weerlegbaar vermoeden wordt uitgegaan wanneer een overeenkomst is gesloten. Het vereiste kan min of meer strikt worden uitgelegd.
Rb. Rotterdam (vzr.) 6 juli 2009, LJN BJ2013, r.o. 2.3; Rb. Rotterdam 24 juni 2010, LJN BM9586, r.o. 2.3.2 en Rb. Haarlem 25 juli 2008, IER 2009/6, r.o. 4.14. Hetzelfde geldt voor de alternatieve rechtspraak: noot Hoogenraad onder RCC 18 maart 2008, nr. 08.0050, IER 2008/54 en RCC 23 april 2008, nr. 08.0084, IER 2008/55. Echter, in Rb. Rotterdam (vzr.) 19 januari 2010, LJN BK9796 en BK9798 en het daaraan voorafgaande sanctiebesluit werd het besluitcriterium genoemd en meer ook niet.
Kamerstukken II 2006/07, 30 928, nr. 8, p. 6. De minister achtte de in de Tweede Kamer geuite zorgen dat de bescherming van de consument door het besluitcriterium af zou nemen ongegrond omdat het 'niet goed denkbaar is dat er feitelijk sprake is van een oneerlijke handelspraktijk terwijl tegelijkertijd niet aan de genoemde voorwaarde (i.e. het besluitcriterium — CMDSP) is voldaan'. Dit is een opmerkelijk argument daar de oneerlijkheid mede door het effect wordt bepaald. De minister lijkt door de nadruk te leggen op de relativering van de feitelijke implicatie van het criterium, ook toe te geven dat het in theorie om een verzwarend criterium gaat.
Rb. Rotterdam (vzr.) 6 juli 2009, LJN BJ2013, r.o. 2.3; Rb. Rotterdam 24 juni 2010, LJN BM9586, r.o. 2.3.2. Zie ook noot Hoogenraad onder RCC 18 maart 2008, nr. 08.0050, IER 2008/54 en RCC 23 april 2008, nr. 08.0084, IER 2008/55. Volgens Hoogenraad heeft de RCC het besluitcriterium aangegrepen 'om ten aanzien van sommige zaken strenger te oordelen dan voorheen' en de lat voor de handelaar hoger te leggen.
Zie hierover uitgebreid Pijls 2008 (par. 5 e.v. aldaar). De minister maakt dit onderscheid niet: Handelingen I 2008/09, 30 928, nr. 1, p. 12 en 30.
Ook de eerdergenoemde kruisbestuiving met de wilsgebreken kan voor een concrete invulling van het besluitcriterium zorgen. De vergelijking is, om. gelet op het causale verband tussen praktijk en besluit, snel gemaakt. De regering noemt echter als belangrijkste verschil het vereiste bij de wilsgebreken dat er een overeenkomst is gesloten: Kamerstukken II 2006/07, 30 928, nr. 8, p. 19. Een daadwerkelijke rechtshandeling vormt geen voorwaarde voor toepassing van afdeling 6.3.3A.
Nissan. De concrete omvang van de misleiding was hierin bepalend. In de Nederlandse literatuur is het besluitcriterium in verband gebracht met deze uitspraak: Steijger 2007, p. 131; Kabel 2008, p. 11.
Concl. A-G Verkade voor }IR 23 november 2007, LJN BB5073, r.o. 4.7.
En niet bij art. 2 onder e richtlijn, waarin het ten onrechte, door een onnauwkeurige vertaling van de richtlijn naar het Nederlands, gaat om een 'besluit tot een transactie'. In de rest van de richtlijn wordt overigens ook over een 'besluit over een transactie' gesproken (art. 6, 7 en 8 richtlijn).
'Transactie' is een in het Nederlandse recht onbekend begrip en is daarom vertaald naar 'overeenkomst': Kamerstukken I 7 2006/07, 30 928, nr. 4, p. 3. Zowel 'transactie' als 'overeenkomst' dekt echter niet de lading van het besluitbegrip. Beter was geweest 'rechtshandeling'.
Bij de situatie waarin de consument niet langer in staat is om een besluit over een transactie te nemen (vgl. praktijk nr. 27 van de lijst ofwel art. 6:193i onder d) en de vraag hoe hiermee om te gaan is in Nederland niet stilgestaan.
Kamerstukken II 2006/07, 30 928, nr. 3, p. 14.
Kamerstukken II 1978/79, 13 611, nr. 6, p. 24. Het criterium toetste of de gemiddelde consument, voor wie informatie was verzwegen, 'niet tot de transactie betreffende het aangeprezen goed of de aangeprezen dienst zou zijn overgegaan als hij daarvan wel weet zou hebben gehad'. Zie ook Hof Amsterdam 10 augustus 2006, JOR 2007/119, to. 4.5: 'De grens van het toelaatbare wordt overschreden als zodanig nadelige aspecten worden verzwegen dat er redelijkerwijs van uit moet worden gegaan dat een gemiddelde consument in de doelgroep tot welke de mededeling is gericht, niet tot de betrokken transactie zou zijn overgegaan als hij van die aspecten wel weet zou hebben gehad', waarover Pijls 2008 (par. 4 aldaar).
Vandaar ook de eerdergenoemde kritische opvatting dat de keuze om de definitie van de 'wezenlijke verstoring' niet over te nemen tot een vernauwing van het effectcriterium leidt (par. 8.4.3). Een dergelijke praktijk zou in hun ogen wel onder het wezenlijke verstoringscriterium vallen
Rb. Rotterdam (vzr.) 6 juli 2009, LJN BJ2013, r.o. 2.3; Rb. Rotterdam 24 juni 2010, LJN BM9586, r.o. 2.3.2. I.c. ging het om de uitoefening van contractuele rechten i.v.m. een obligatielening. Actuele informatie m.b.t. de financiële en juridische positie van de uitgever ontbrak.
517. Naast de merkbare beperking van het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen, vereist art. 6:193b lid 2 onder b dat de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen. Hoe zal naar Nederlands recht inhoud worden gegeven aan dit besluitcriterium?
Deze vraag veronderstelt dat aan het criterium zal worden getoetst. Er zijn echter redenen om aan deze veronderstelling te twijfelen. Hoewel de minister en de literatuur erop wijzen dat de misleidende reclameregeling al een besluit-criterium bevatte,1 kan moeilijk voorbij worden gegaan aan het feit dat dit criterium, dat niet in de regeling zelf doch slechts in de parlementaire geschiedenis werd genoemd,2 weinig is toegepast.3 Bij de toetsing aan art. 6:194 (oud) wordt slechts de invloed van reclame op de perceptie van de consument beoordeeld en niet de invloed van reclame op het economische gedrag van de consument. Het thans wettelijk in afdeling 6.3.3A vastgelegde besluitcriterium uit de Richtlijn OHP, dat het effect van een praktijk op het gedrag van de consument centraal stelt, is volgens de Tweede Kamer een nieuw, aanvullend criterium, in het nadeel van de consument, die hiervoor bewijs moet aanleveren.4
Vooralsnog leidt de bestaande praktijk er niet toe dat bij de toetsing aan de subnormen, waarin het besluitcriterium ook voorkomt, aan het besluitcriterium voorbij wordt gegaan (par. 8.5.2, 8.6.3 en 8.7.2). Er is, zowel in de bestuursrechtelijke als in de civielrechtelijke kolom, aandacht voor het effect van de praktijk op het gedrag van de consument (par. 8.6).5Een mogelijke reden hiervoor is dat het criterium woordelijk is omgezet in zowel de hoofd- als de subnormen.
Concrete en kwantitatieve uitleg van het besluitcriterium?
518. Ervan uitgaand dat aan het besluitcriterium wordt getoetst, rijst de vraag hoe het criterium zal worden uitgelegd. Art. 6:193b vergt, in lijn met art. 5 lid 2 onder b richtlijn, niet dat er een besluit is genomen. De minister wijst er in de parlementaire geschiedenis duidelijk op dat de consument slechts hoeft 'aan te tonen dat hij op basis van de gedraging een besluit neemt of kan nemen' .6 Een potentieel 'verkeerd' besluit kan worden bewezen door aan te tonen dat de oneerlijke praktijk voor het transactiebesluit relevante informatievoorziening of beslissende omstandigheden betreft. Bij de eerste toepassingen van het besluit-criterium in het kader van de misleidende omissienorm gaf het essentiële karakter van de informatie de doorslag.7 In individuele civiele procedures zou mogelijk uit een verwarring tussen het besluitcriterium en de causaliteitseis een concrete invulling van het besluitcriterium kunnen voortvloeien. Het daadwerkelijke effect is evenwel slechts van belang bij de vraag naar de causaliteit tussen de schade en de onrechtmatige handeling beschreven in de betreffende BW-bepalingen. Bij de toetsing van de onrechtmatigheid die wordt vastgesteld aan de hand van de criteria bij de norm (inhoud en effect) is slechts het potentiële effect van een praktijk van belang. Deze twee causale verbanden dienen te worden onderscheiden,8 al zullen ze mogelijk samenvallen wanneer sprake is van een concreet besluit. Nu individuele procedures niet voor de hand liggen, zal een concrete uitleg niet vaak voorkomen.9 Daarbij geldt, dat hoewel een potentieel effect toereikend is om de onrechtmatigheid vast te stellen, de consument hier, wanneer hij geen schade heeft geleden, weinig aan zal hebben.
Hoewel ov. 18 considerans dit uitsluit, kan niet geheel worden uitgesloten dat het besluitcriterium, in navolging van de Nissan-uitspraak (par. 7.3.5), in de Nederlandse rechtspraak als een kwantitatief criterium zal worden opgevat.10 Vooralsnog speelt statistisch onderzoek conform de rechtspraak van het Hof een ondergeschikte rol in de Nederlandse rechtspraak.11
Uitleg van het besluitbegrip
519. De consumentenbescherming kan wellicht nadeel ondervinden van een te enge opvatting van het besluitbegrip uit het gelijknamige criterium. Het begrip wordt gedefinieerd in art. 6:193a onder e, dat aansluit bij art. 2 onder k Nederlandstalige versie van de richtlijn waarin van een besluit over een transactie wordt gesproken.12 De Nederlandse regeling beperkt zich dus niet tot een positief besluit. De beslissing van de gemiddelde consument hoeft niet neer te komen op het (potentieel) aangaan van een 'transactie' (in de Nederlandse wet vertaald als `overeenkomst').13 De defmitie van een besluit over een overeenkomst luidt:
`(...) een door een consument genomen besluit over de vraag of, en, zo ja, hoe en op welke voorwaarden hij een product koopt, geheel of gedeeltelijk betaalt, behoudt of van de hand doet, of een contractueel recht uitoefent in verband met het product, ongeacht of de consument tot handelen overgaat.'
Het begrip 'besluit over een overeenkomst' omvat een breed scala aan economische gedragingen zowel voor, tijdens als na de sluiting van de overeenkomst.14 Het begrip wordt in de Memorie van Toelichting ruim opgevat.15
520. De vraag is of in de praktijk ook van een ruime uitleg van het besluitbegrip zal worden uitgegaan, waarbij 'negatieve' en postcontractuele besluiten onder het criterium worden geschaard. Er is wederom enige reden om hier aan te twijfelen. Het besluitcriterium in de parlementaire geschiedenis van de misleidende reclameregeling ging voorbij aan de mogelijkheid van een negatief besluit (een besluit om af te zien van de transactie)16 Ten tweede is tijdens de omzetting van de Richtlijn OHP geopperd dat het besluitcriterium voorbij zou gaan aan de handelspraktijk die er (mede) op gericht is een consument ervan te weerhouden met een concurrent een transactie aan te gaan.17 Naar ik meen, wordt die situatie gedekt door het besluitcriterium, nu hierin niet de eis wordt gesteld dat een besluit over een overeenkomst met de oneerlijk handelende handelaar wordt of kan worden genomen. Tot slot blijft de toepassing van de richtlijntoets in postcontractuele situaties in de parlementaire geschiedenis en literatuur onderbelicht.
Vooralsnog heeft de Rotterdamse bestuursrechter het besluitbegrip zoals gedefinieerd in art. 6:193a onder e) ruim opgevat, in de zin dat het bestrijden van een misleidende omissie in de postcontractuele fase met het oog op het criterium geen probleem vormde. Art. 6:193a onder e) staat juist toe dat 'de ontbrekende informatie (...) op feiten en omstandigheden (ziet), die zich hebben voorgedaan gedurende de looptijd van de overeenkomsten' als een misleidende omissie wordt aangemerkt.18