Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie
Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.6:7.6 Conclusie
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.6
7.6 Conclusie
Documentgegevens:
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS503656:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is ingegaan op de leerstukken van causaal verband, schade en eigen schuld. Het causaal verband in de zin van condicio sine qua non-verband tussen onrechtmatige informatieverstrekking en de gestelde schade moet worden vastgesteld door de feitelijke situatie te vergelijken met de hypothetische situatie. In deze causale vergelijking moet in elk geval een alternatief handelen van de informatie verstrekkende overheid en van de informatie ontvangende burger worden betrokken, en soms ook een alternatief handelen van derden. Ten eerste moet worden bezien of de overheid in de hypothetische situatie juiste informatie, geen informatie dan wel nog steeds onjuiste en/of onvolledige informatie op niet-onrechtmatige wijze zou hebben verstrekt. Ten tweede moet worden beoordeeld of de burger bij dit alternatieve handelen van de overheid op zijn beurt anders zou hebben gehandeld. Schade als gevolg van onjuiste informatieverstrekking ontstaat immers altijd doordat de burger zijn handelen richt naar de verstrekte informatie. Dit betekent dat het causaal verband pas aanwezig is indien de burger iets heeft gedaan of nagelaten naar aanleiding van de foutieve informatieverstrekking, hetgeen hij niet zou hebben gedaan of nagelaten indien de foutieve informatieverstrekking achterwege was gebleven. Ten derde is het mogelijk dat het bestaan van causaal verband afhankelijk is van het handelen van derden (dat wil zeggen: anderen dan de informatie verstrekkende overheid en de informatie-ontvangende burger), in welk verband de leer van de kansschade soms een oplossing kan bieden.
Ten aanzien van de schade kunnen weinig algemene uitspraken worden gedaan. Ik beperk mij dan ook tot de vaststelling dat alleen het negatieve belang voor vergoeding in aanmerking komt. Het gaat om dispositieschade die is geleden onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken die in het leven is geroepen door de onjuiste informatieverstrekking, terwijl de burger bij afwezigheid van die voorstelling van zaken andere keuzen zou hebben gemaakt, en bij die keuzen geen schade was ontstaan. Dit volgt niet alleen uit de toepassing van het causaliteitsvereiste maar ook uit de grond voor de aansprakelijkheid, de aard van de aansprakelijkheid en het doel en de strekking van de geschonden norm. Slechts de schade die is geleden doordat de burger op het verkeerde been is gezet, dat wil zeggen, doordat hij heeft gehandeld op basis van de onjuiste informatie, wordt vergoed. De reden hiervoor is dat de aansprakelijkheid van de overheid berust op het ten onrechte wekken van vertrouwen. Een toekomstige bevoegdheidsuitoefening wordt niet in het vooruitzicht gesteld noch worden daarover beloften gedaan. Om die reden komt het positief belang, zijnde de schade als gevolg van het feit dat de situatie feitelijk niet zo was of werd als zij aan de belanghebbende werd voorgehouden, niet voor vergoeding in aanmerking. Dit is anders wanneer de overheid het verwijt treft dat zij het gewekte vertrouwen heeft geschonden, zoals bij de niet-nakoming van bijvoorbeeld toezeggingen en bevoegdhedenovereenkomsten. Hierbij is de grond voor aansprakelijkheid een andere, te weten dat de overheid niet overeenkomstig het gewekte vertrouwen heeft gehandeld.
Ten slotte kan het leerstuk van eigen schuld, dat is neergelegd in artikel 6:101 BW, meebrengen dat de onvoorzichtige benadeelde een deel van zijn schade zelf zal hebben te dragen. Een onvoorzichtigheid als hier bedoeld, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de benadeelde (i) heeft nagelaten om de juistheid van de aan hem verstrekte informatie te controleren, (ii) zelf onjuiste informatie heeft verstrekt aan de overheid, of (iii) door een disclaimer werd gewaarschuwd voor de onjuistheid van de informatie, maar die waarschuwing in de wind heeft geslagen. In het eerste geval ligt vermindering van de schadevergoedingsverplichting voor de hand. In het tweede geval is daarbij terughoudendheid geboden. In het derde geval hangt het ervan af.