Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/2.6.2.1.2
2.6.2.1.2 De kostenarresten
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630378:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 juli 1986, nr. 23 440 BNB 1986/295, HR 8 juli 1986, nr. 23 441 BNB 1986/296 en HR 8 juli 1986, nr. 23 442 BNB 1986/297.
Brüll verklaart de kostenarresten duidelijk: ‘Het zou binnen het winstbegrip juister zijn om de privé-factor te elimineren, dus de marktprijs als kosten te aanvaarden, gevolgd door een “storting”. Dit zou echter de deur wijd openzetten voor ontgaan van belasting, omdat bij de onderbetaalde nooit meer belast kan worden dan wat werkelijk is betaald. De inbreuk op het winstbegrip is dus terwille van zijn algemene fiscale consequenties aanvaardbaar, temeer indien men bedenkt, dat de betrokkenen het in eigen hand hebben om een fiscaal juist resultaat te bereiken: Men betale de marktprijs, die dan ook inkomen wordt en de ontvanger storte het meerdere terug als schenking.
HR 19 juni 1996, nr. 30 045, BNB 1996/299 en HR 19 juni 1996, nr. 30 046, BNB 1996/300.
Op dit arrest is in de literatuur de nodige kritiek geweest, omdat hierdoor dubbele heffing kan ontstaan, als het conversierecht niet onder de deelnemingsvrijstelling valt. Dit is echter altijd het geval als de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is. Zie bijvoorbeeld de noot van Lubbers bij BNB 2008/6.
Zie bijvoorbeeld de noot van Lubbers bij BNB 2008/6.
S.A. Stevens 2003, pagina 271/272.
Zie hiervoor HR 17 december 2004, nr. 40 238, BNB 2005/107. In casu was een renteloze lening verstrekt door een Ierse topholding aan haar Nederlandse dochtervennootschap. In Ierland bleef de fictieve rentebate buiten de belastingheffing als gevolg van het aldaar geldende kasstelsel. Dit stond de aftrek in Nederland echter niet in de weg.
Parlementaire toelichting op wetsvoorstel 26 727 (Wet inkomstenbelasting 2001).
De Hoge Raad overweegt: ‘3.5.2. Indien de terbeschikkingstellingsregeling niet van toepassing is, vindt onder de Wet IB 2001 de belastingheffing ter zake van inkomsten uit een onroerende zaak plaats volgens Hoofdstuk 5 (box 3). Dit heeft tot gevolg dat indien een belastingplichtige toekomstige huurtermijnen van een hem toebehorende onroerende zaak om niet heeft overgedragen, bij hem desalniettemin inkomen uit de onroerende zaak in aanmerking wordt genomen. Weliswaar wordt de grondslag voor de heffing verlaagd met - kort gezegd - de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen, doch daar staat in een geval als het onderhavige tegenover een heffing van vennootschapsbelasting bij de vennootschap over de oprenting van het recht op de resterende huurtermijnen en een aanmerkelijk belangclaim bij de aandeelhouder over de uit de oprenting volgende waardestijging van de aandelen in de vennootschap. -3.5.3. Gelet op het hiervoor in 3.5.1 en 3.5.2 overwogene is er geen reden meer om met een beroep op redelijke wetstoepassing af te wijken van het uitgangspunt dat bij de bepaling van de totaalwinst van de vennootschap voordelen als de onderhavige die hun oorzaak uitsluitend vinden in de betrekking tussen de vennootschap en de aandeelhouder buiten aanmerking moeten worden gelaten.’
In de Wet op de loonbelasting 1964, zijn diverse fictiebepalingen opgenomen waardoor toch een fictief loon in aanmerking moet worden genomen (bijvoorbeeld artikel 12a Wet LB 1964).
Zie ook de Cursus Belastingenrecht Inkomstenbelasting, onderdeel 3.2.9.B.b2, waarin het voorbeeld wordt gegeven dat een familielid loon ontvangt ad € 10.000, terwijl een zakelijke vergoeding € 25.000 is. De auteurs betogen dat op basis van de kostenarresten een inbreuk wordt gemaakt op het totaalwinstbeginsel en slechts € 10.000 loon ten laste van het resultaat kan worden gebracht.
Een inbreuk op het feit dat tussen gelieerde partijen moet worden uitgegaan van zakelijke prijzen, is gemaakt in de zogenoemde nieuwe kostenarresten. In deze arresten heeft de Hoge Raad bepaald dat de zakelijke kosten alleen aftrekbaar zijn ook als de fictieve baten (zakelijke vergoeding) bij de bevoordeler in de inkomstenbelastingheffing worden betrokken. Als dit niet het geval is, zijn alleen de betaalde kosten aftrekbaar. Anders kan er een heffingslek ontstaan. Dit kan gebeuren als in de vennootschapsbelasting de (hogere) zakelijke kosten in aftrek mogen worden gebracht, terwijl in de inkomstenbelasting slechts de (lagere) betaalde vergoeding wordt belast.1 Door toepassing van de kostenarresten kunnen belastingplichtigen – in tegenstelling tot het Zweedse grootmoederarrest – toch worden belast voor een voordeel dat niet is ontstaan in het kader van de onderneming maar in de kapitaalsfeer.2 Uit deze jurisprudentie maak ik op dat het voorkomen van een heffingslek in een nationale situatie ook onderdeel is van het totaalwinstbeginsel. Het valt de Hoge Raad te prijzen dat hij een heffingslek dicht, maar de wetgever had beter moeten nadenken over de samenhang tussen de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting.
Uit HR 12 oktober 2007, nr. 43643, BNB 2008/6 blijkt dat de Hoge Raad de evenwichtsgedachte niet toepast om dubbele heffing te voorkomen. In casu was in geschil of een vennootschap de contante waarde van een conversierecht als belaste bate moest aanmerken. Reeds eerder had de Hoge Raad overwogen dat bij de emitterende vennootschap geen bedrag ten laste van de winst mag worden gebracht ter zake van de toekenning van het conversierecht.3 De schuldeiser wordt echter wel belast voor de waarde van het conversierecht ten tijde van de uitgifte van de lening.4 Ik citeer de Hoge Raad:
‘3.2. Het middel dat zich tegen dit oordeel richt, slaagt. Zoals volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 19 juni 1996, nrs. 30 045 en 30 046, BNB 1996/299 en BNB 1996/300, brengt een redelijke wetstoepassing die mede recht doet aan de samenhang die dient te bestaan tussen de heffing van inkomsten- en vennootschapsbelasting, met zich dat de emittent van een converteerbare obligatielening ter zake van het toegekende conversierecht geen bedrag ten laste van de winst kan brengen. Dit brengt echter niet mee dat voor degene die converteerbare obligaties houdt in het kader van zijn onderneming – in weerwil van hetgeen voortvloeit uit het fiscale winstbegrip -belastingheffing achterwege dient te blijven ter zake van de waarde van dat conversierecht bij de verkrijging ervan.’
Op dit arrest is in de literatuur de nodige kritiek geweest, omdat hierdoor dubbele heffing kan ontstaan, als het conversierecht niet onder de deelnemingsvrijstelling valt.5 Deze kritiek is terecht maar dit is inherent aan het systeem van de deelnemingsvrijstelling. In alle gevallen dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is kan immers dubbele heffing ontstaan.
S.A. Stevens is van mening dat het niet voor de hand ligt om de kostenarresten door te trekken naar de vennootschapsbelastingsfeer. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat er een renteloze lening is vertrekt door een onbelaste stichting aan een belaste BV, terwijl een zakelijke rente 2% is. Ook dan komt de vraag op of rekening moet worden gehouden met de werkelijk betaalde rentevergoeding of een zakelijke rentevergoeding. In de casus van de kostenarresten kon, vanwege het (destijds geldende) reële stelsel in de inkomstenbelasting, niet worden geheven over de corresponderende bate. Heffing in de inkomstenbelasting zou wel mogelijk zijn geweest, indien gewoon rente zou zijn bedongen. In de vennootschapsbelastingsfeer leidt de toepassing van het Zweedse grootmoederarrest zijns inziens niet tot een onevenwichtige situatie. Immers, ook indien wel rente zou zijn bedongen, is deze niet belast omdat de ontvanger niet belastingplichtig is.6 De visie van Stevens is naar mijn mening bevestigd in BNB 2005/107.7 De Hoge Raad paste het zakelijkheidscriterium welke volgt uit het Zweeds grootmoederarrest in die zaak toe op een renteloze lening, terwijl de rente in het buitenland niet belast werd omdat het land waar de schuldenaar gevestigd was (Ierland), het arm’s-lengthbeginsel niet kende. Voldoende was dat de rente in de ondernemingssfeer opkwam. Volledigheidshalve merk ik op dat op basis van het wetsvoorstel ‘Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel’ een neerwaartse winstaanpassing op grond van het zakelijkheidsbeginsel niet meer mogelijk is als het ontvangstland geen opwaartse aanpassing in de winst betrekt. Het wetsvoorstel lijkt voorts ook van toepassing op de hiervoor aangehaalde casus dat een onbelaste stichting een renteloze lening verstrekt aan een belaste BV. De inbreuk die het Wetsvoorstel op dit punt maakt op het totaalwinstbeginsel acht ik ongewenst, omdat de niet heffing bij de onbelaste stichting komt door een vrijstelling en niet door een zakelijkheidsmismatch.
De reikwijdte van de kostenarresten is thans aanzienlijk beperkt door de invoering van de terbeschikkingstellingsregeling in de Wet IB 2001, waar het winstregime geldt. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat de kostenarresten ook niet gelden indien de vordering bij de aandeelhouder in box 3 wordt belast8 Deze visie is door de Hoge Raad bevestigd in HR 9 oktober 2009, nr. 07/11868, BNB 2010/32.9 In zijn noot bij dit arrest merkt Heithuis op dat de kostenarresten onder de vigeur van de Wet IB 2001 praktisch ten grave kunnen worden gedragen. Mijns inziens is deze stelling te kort door de bocht. Er zijn immers nog steeds situaties denkbaar waarbij geen corresponderende heffing plaatsvindt. Dit is bijvoorbeeld het geval als een zoon voor een niet zakelijke vergoeding werkzaamheden verricht voor de onderneming van zijn vader.1011 De kostenarresten hebben mede gelet op de terbeschikkingstellingregeling en de box 3 heffing wel een veel beperktere werking.