Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.4.2
7.4.2 Uitgifte nieuwe aandelen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS450594:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 juni 1972, BNB 1972/227. Zie tevens J. Doornebal, Uitreiking van aandelen en vervreemding in de aanmerkelijkbelangregeling, WFR 1986/5729, blz. 630. Anders echter J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling. Fed fiscale brochures, blz. 109-110, Fed, Deventer, 1995.
Vgl. tevens Hof Leeuwarden 1 juni 1990, BNB 1992/247 alsmede de uitspraak van Hof Amsterdam 28 juni 1994, V-N 1994, blz. 3423, in welke casus aan iedere aandeelhouder een gelijk dividend ter grootte van ƒ 2000 werd uitgekeerd, terwijl de vader een groter belang in de vennootschap had (ongeveer 44%) dan zijn drie zoons (ieder ongeveer 18%). In zijn onderschrift bij deze uitspraak neemt de staatssecretaris van Financiën van met een verwijzing naar het genoemde HR 9 februari 1994, BNB 1994/231 mijns inziens terecht het standpunt in dat sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling als het dividend niet zou zijn uitgekeerd doch tot de reserves van de vennootschap was blijven behoren. Mijns inziens geldt dit onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling op dezelfde wijze.
Zoals uit genoemd arrest blijkt, moet de rechtshandeling in een dergelijke situatie worden gezocht in het feit dat de aandeelhouder het in haar macht had om de uitgifte van nieuwe aandelen aan de kinderen en kleinkinderen te doen plaatsvinden.
In dezelfde zin H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.6.A,b, Gouda Quint, Deventer.
Toelichting (eerste) nota van wijziging Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 8, blz. 13 en brieven Belastingdienst Directie Ondernemingen Zuid d.d. 21 april 1998, nr. 214 DGM 8 en 4 mei 1998, nr. 924 DGM 8, V-N 1998, blz. 2272 e.v. Zie uitgebreider onderdeel 7.2.1 hiervoor.
Emissie van aandelen aan (een) nieuwe aandeelhouder(s) tegen de werkelijke waarde, waarbij door de nieuwe aandeelhouder(s) agio wordt gestort, houdt geen vervreemding in voor de zittende aandeelhouder(s), ook al verschuift een gedeelte van de (met inkomstenbelasting beclaimde) winstreserves naar de nieuwe aandeelhouder(s).1 Dit gold reeds onder de oude aanmerkelijkbelangregeling en is onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling niet gewijzigd. Zoals in het volgende hoofdstuk 8 nog zal blijken, is het onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling ook niet langer noodzakelijk om de agio-emissie als een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling aan te merken, aangezien door het vervallen van de minimumkapitaalregeling van art. 39, vierde lid, laatste volzin, (oud) Wet IB de aanmerkelijkbelangclaim niet langer (deels) verloren gaat.
Blijkens HR 9 februari 1994, BNB 1994/231 is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling wel sprake, indien de aandelen tegen een lagere prijs dan de waarde in het economische verkeer - bijvoorbeeld de pariwaarde - aan andere aandeelhouders worden geëmitteerd.2 Hierdoor gaan immers de in tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen besloten liggende rechten over uit het vermogen van de zittende aandeelhouder(s) naar de toegetreden (nieuwe) aandeelhouder(s).3 Ingevolge art. 20c, vierde lid, eerste volzin, Wet IB treedt de werkelijke waarde van de geëmitteerde aandelen dan in de plaats van de emissieprijs, welke waarde tevens als de verkrijgingsprijs geldt voor de toegetreden (nieuwe) aandeelhouder(s) (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.5). Hieruit volgt dat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad geen sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling als de nieuwe aandelen worden geëmitteerd aan de enig aandeelhouder dan wel aan alle aandeelhouders gezamenlijk overeenkomstig ieders aandelenbezit in de vennootschap. Dit is ook het geval als de emissie van nieuwe aandelen plaatsvindt voor minder dan de werkelijke waarde van de aandelen. Door de aandelenemissie doet(n) de aandeelhouder(s) immers geen rechten overgaan uit zijn(hun) vermogen in dat van een ander. Het enige gevolg van de emissie van de nieuwe aandelen is dat de rechten die in de aanmerkelijkbelangaandelen liggen besloten na de emissie zijn verdeeld over een groter aantal aandelen. Het economische belang blijft per aandeelhouder echter ongewijzigd.4
Gelet op de uitlatingen van de staatssecretaris van Financiën tijdens de parlementaire behandeling van de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling alsmede de brieven van de Belastingdienst Directie Ondernemingen Zuid5 moet er overigens vanuit worden gegaan dat in hun visie wel sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling. Er verschuiven immers rechten van de ene aandelen naar de andere. Dat deze verschuiving van rechten plaatsvindt binnen het vermogen van dezelfde aandeelhouder is kennelijk irrelevant. Overigens leidt de uitgifte van nieuwe aandelen aan een enig aandeelhouder voor minder dan de werkelijke waarde van de aandelen ook in de visie van de fiscale wetgever niet tot het in aanmerking nemen van aanmerkelijkbelangwinst, aangezien blijkens art. 20c, vierde lid, tweede volzin, laatste gedeelte, Wet IB geen sprake is van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.5). Maar van een vervreemding in de zin van art. 20a Wet IB is in de visie van de fiscale wetgever in beginsel wel sprake.