Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/7.2.2.c.ii
7.2.2.c.ii De regeling van <geenverwijzing>art. 14bis lid 2geenverwijzing>
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS465264:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Study Group on the International Protection of Cinematografic Works 1961, p. 25: 'The Study Group was unanimous in holding that both under the Berne Convention and under the Universal Copyright Convention, countries were free to vest copyright in a cinematographic work either in the individual 'intellectual creator' of the cinematografic work or in the film producer (called 'maker' in the United Kingdom) and that it would probably be impractical to try to impose one of these systems on all countries.'
In de Nederlandse vertaling: 'Het is aan de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen voorbehouden te bepalen wie de rechthebbenden op het auteursrecht op het cinematografische werk zijn'
Zie ook par. 5.3.2 onder (b)(ii).
In de Nederlandse vertaling: 'In de landen van de Unie waar de wetgeving als rechthebbenden mede erkent de auteurs die bijdragen hebben geleverd aan de totstandkoming van het cinematografische werk kunnen dezen, wanneer zij zich verbonden hebben tot het leveren van die bijdragen, behoudens andersluidende of bijzondere bepalingen, zich evenwel niet verzetten tegen de verveelvoudiging, het in omloop brengen, de openbare opvoering en uitvoering, de overbrenging per draad aan het publiek, de radio-uitzending, de mededeling aan het publiek, het aanbrengen van ondertitels en het nasynchroniseren van de teksten van het cinematografische werk.'
Let wel: een overdracht van rechten aan de producent wordt dus niet vermoed. Zie ook Reimer & Ulmer 1967, p. 450. Het legitimatie-vermoeden wordt vervolgens hier en daar bijgesteld. Zo geldt zij niet — tenzij de nationale wet anders bepaalt — ten aanzien van enkele sleutelfiguren, te weten de scenarioschrijver, de dialoog-schrijver, de filmcomponist en de hoofdregisseur (zie art. 14bis lid 3) (terzijde: zie ook Richtlijn 93/98/EEG(PbEG 1993, L 290/9), overweging 4 en art. 2). Voorts rijst de vraag of er een schriftelijkheidseis geldt voor de verbintenis tot het leveren van de bijdrage. Art. 14bis lid 2 onder c behandelt die vraag, zie daarover nader par. 7.4.1.
De bepaling is er derhalve niet op uit om, zoals soms wordt betoogd, het film-copyright systeem in de conventie te integreren. Dat systeem paste immers ook vóór 1967 in de conventie. Zie ook Actes BC 1967, p. 1179, nr. 287-288 (Report Main Committee I) en alinea 1023 hierna.
Actes BC 1967, p. 710 (Doc. S/195; voorstel Working Group of Main Committee I); zie ook Actes BC 1967, p. 1184 (Report Main Committee I). In het voorstel van de Zweedse gastheren van de conferentie en het Bureau van de Berner Unie kwam zij niet voor, zie Actes BC 1967, p. 125 e.v (Doc. S/1, p. 55).
Ulmer 1977, p. 499. Zie ook Actes BC 1967, p. 890, nr. 1118 (summary minutes Main Committee I), waar de gedelegeerde van Monaco opmerkte dat '(...) the text of paragraph (2) of the new Article 14bis was a natural result of `national treatment' (...).'
Zie Actes BC 1967, p. 871, nr. 875.2 (summary minutes Main Committee I), waar voorzitter Ulmer opmerkte: 'In regard to the question of deciding the ownership of copyright in a cinematographic work, they could state that the decision was a matter for the legislation in the country in which protection was claimed — which would satisfy the 'film copyright' and `legai assignment' countries — (...).'
Let wel: deze bepaling heeft alleen betrekking op de exploitatierechten, niet op de morele rechten. Het subject van de morele rechten is immers de schepper (zie par. 7.2.2 onder (b)). Dat betekent derhalve dat de exploitatie door de producent altijd nog in de wielen kan worden gereden door de morele rechten (vgl. de Huston-zaak, zie alinea 1007 hiervoor). De stellers van art. 14bis beseften dat ook. Deze kwestie lag echter zo gevoelig dat zij ten aanzien van de morele rechten bij voorbaat de doek in de ring gooiden. Zie Actes BC 1967, p. 134-136 (Doc. S/1, p. 64-66; voorstel Zweden en Bureau); Actes BC 1967, p. 1188 (Report Main Committee I).
1012. Algemeen uitgangspunt. In lid 2 van artikel 14bis wordt het probleem te lijf gegaan. De fraaiste oplossing, een verdragsautonome subject-bepaling, was bij voorbaat kansloos gelet op de grote meningsverschillen.1 Wat betreft de subject-bepaling liet men de zaken daarom bij het oude: de ingevolge de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling toepasselijke wet bepaalt ten gunste van wie het auteursrecht op het cinematografische werk ontstaat. Dit algemene uitgangspunt — dus: de lex loci protectionis — werd voor alle duidelijkheid gememoreerd in de eerste bepaling van lid 2. Aldus werd in lid 2 onder a bepaald: "La détermination des titulaires du droit d'auteur sur Pceuvre cinématographique est réservée à la législation du pays ou la protection est réclamée."2 Deze bepaling bevat derhalve niets nieuws.3
1013. Kern van de oplossing. De kern van de oplossing schuilt in de bepaling onder b, luidende:
"Toutefois, dans les pays de l'Union mi la législation reconnaltpanni ces titulaires les auteurs des contributions apportées à la réalisation de l'ceuvre cinématographique, ceux-ci, s'ils se sont engagés à apporter de telles contributions, ne pourront, sauf stipulation contraire ou particuliere, s'opposer à la reproduction, la mise en circulation, la représentation et l'exécution publiques, la transmission par fil au public, la radiodiffusion, la communication au public, le sous-titrage et le doublage des textes, de Pceuvre cinématographique."4
1014. Deze bepaling richt zich tot de Unielanden met het schepper-systeem. Zij schrijft deze landen voor dat — kort gezegd — degenen die een bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van het cinematografische werk, zich niet tegen de exploitatie kunnen verzetten wanneer zij zich verbonden hebben tot het leveren van die bijdragen (tenzij anders is overeengekomen). Aldus wordt vermoed dat de producent de exploitatierechten die de bepaling noemt, mag uitoefenen. Dit wordt wel het legitimatie-vermoeden' genoemd.5
1015. Geen nieuwe conflictregel in art 14bis2 onder a. Ergo: artikel 14bis is er op uit om de exploitatie in de landen met het schepper-systeem te stroomlijnen ten faveure van de producent.6 Het is hem niet te doen om een (nieuwe) conflictregel over de subject-vraag te geven. De conflictregel ligt immers al besloten in het beginsel van nationale behandeling. De bepaling onder a had derhalve ook achterwege gelaten kunnen worden. Zij is louter als uitgangspunt voor de gedachtegang opgenomen. Dit wordt expliciet bevestigd door Ulmer — Ulmer is in dit verband de deskundige bij uitstek, omdat hij tijdens de Stockholmse conferentie als voorzitter van Main Committee I én als voorzitter van de werkgroep over het regime van cinematografische werken, was belast met de totstandkoming van de regeling over het cinematografische werk. Sterker nog, de bepaling is tijdens de conferentie ontworpen en voorgesteld door Ulmers werkgroep.7 Ulmer merkte over deze bepaling op:
"Die Experten waren sich der Tragweite des Grundsatzes der Inländerbehandlung bewuβt. Wenn die allgemein gekende Regel ausdrücklich für Filmwerke formuliert wurde, so hotte dies seinen Grund nur darin, daβ es zweckmaβig erschien, sie als gedanklichen Ausgangspunkt der weiteren in Stockholm getroffenen Regelung voranzustellen: Wer Inhaber des Urheberrechts am Filmwerk ist, bestimmt die Rechtsordnung des Schutzlandes.8
1016. Dat de verdragsopstellers de bepaling onder a als uitgangspunt voor de gedachtegang hebben opgenomen, is niet onbegrijpelijk. Men heeft, na alle discussies, voor de duidelijkheid en ter geruststelling voorop willen stellen dat de lex loci protectionis (dus: ieder Unieland voor zichzelf) blijft bepalen aan wie het filmauteursrecht wordt verleend. Bovendien zou zonder de bepaling onder a het film-copyright systeem enigszins in de lucht blijven hangen.9 De nieuwe regeling van artikel 14bis richt zich immers alleen tot de Unielanden die het schepper-systeem hanteren, omdat alleen in die landen de problemen zich voordoen.
1017. Op het gebied van de subject-vraag regelt artikel 14bis derhalve niets nieuws. De bepaling van lid 2 onder a papegaait louter voor de duidelijkheid de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling.10