Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/3.3.2
3.3.2 De inpassing van de Richtlijn oneerlijke bedingen in het Nederlandse recht
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS492439:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit blijkt uit de MvT van het aanpassingswetje: Kamerstukken II 1998/99, 26 470, nr. 3, p. 2. Afdeling 6.5.3 BW biedt nog steeds geen bescherming tegen eenmalige niet-uitonderhandelde en door een derde van tevoren geformuleerde bedingen.
Dit blijkt uit de summiere weergave van de door Nederland aan de Commissie verschafte informatie, te vinden in Celex.
Zie ook de kritiek van Wessels en Jongeneel 1997, nr. 20.
HvJ EG 10 mei 2001, nr. C-144/99, Jur. 2001, p. 1-3541, r.o. 21(Commissie/Nederland), waarover Wissink 2002, p. 152 en concl. A-G Tizzano voor Commissie/Nederland, r.o. 36.
Volgens Loos 2001, nr. 104 is de strenge naleving van het peilmoment vereist gelet op de richtlijnconforme interpretatie van art. 4 lid 1 richtlijn.
Jongeneel 1993, p. 120-121; Wessels en Jongeneel 1997, nr. 47; Loos 2001, nr. 96, Pavillon 2006, p. 56; Van Boom en Kottenhagen 2006, p. 146. Van Erp 1993, p. 81-83 is genuanceerder.
90. Volgens de Nederlandse regering bood afdeling 6.5.3, inclusief de open norm uit art. 6:233 onder a, in combinatie met de algemene leerstukken uit art. 3:35 en 6:248, voldoende ruimte voor de omzetting.1 De omzetting van de Richtlijn OB in Nederland geschiedde aanvankelijk simpelweg aan de hand van het 'BW met zijn laatste wijzigingen, Staatsblad 1991 nr. 600'.2 Daar waar kleine verschillen te bespeuren waren tussen de Europese en Nederlandse tekst, ging de regering echter uit van een gemeenschapstrouwe opstelling van de Nederlandse rechter. Richtlijnconforme interpretatie moest bij mogelijke verschillen tussen de richtlijn en het Nederlandse recht uitweg bieden.
De Commissie kon zich echter niet vinden in de keuze van de Nederlandse wetgever betreffende de omzetting van art. 4 lid 2 laatste zin, en art. 5 richtlijn.3 De wetgever vervaardigde alsnog een implementatiewetje dat aan die kritiek tegemoetkwam. Art. 6:231 onder a kreeg een nieuwe slottournure die onduidelijk en onbegrijpelijk geformuleerde kernbedingen binnen de werkingssfeer van afdeling 6.5.3 plaatst. Art. 6:238 werd uitgebreid met een tweede lid ter omzetting van art. 5 richtlijn. Deze wetswijzigingen traden in november 1999 in werking maar Nederland werd alsnog veroordeeld omdat de inbreukprocedure ex art. 226 EG-Verdrag (thans art. 258 VWEU) niettemin doorgang had. Het HvJ oordeelde dat Nederland niet had mogen volstaan met het toevoegen van een omzettingsdoel aan bestaande regelgeving daar een richtlijnconforme uitleg niet de helderheid en nauwkeurigheid kan hebben die met het oog op de rechtszekerheid noodzakelijk zijn.4
De inbreukprocedure betrof slechts art. 4 lid 2 en art. 5 richtlijn. De omzetting van art. 3 lid 1 en art. 4 lid 1 richtlijn aan de hand van de bestaande onredelijk bezwarend-norm uit art. 6:233 onder a is niet op kritiek van de Commissie gestuit. Dat de goede trouw en de aanzienlijke verstoring niet letterlijk voorkomen in art. 6:233 onder a speelde geen enkele rol in de inbreukprocedure. Hetzelfde geldt voor het niet-overnemen van het peilmoment dat expliciet wordt genoemd in art. 4 lid 1 richtlijn.5 Aan de overeenstemming tussen de Europese en de Nederlandse norm is van meet af aan, ondanks de in hoofdstuk 2 uiteengezette onduidelijkheden, die uitspraken over de verenigbaarheid op bepaalde punten voorbarig maken, opvallend weinig getwijfeld.6 De indicatieve lijst met verdachte bedingen uit de richtlijnbijlage is niet omgezet.