Besluit van 2 juli 2015, nr. 2015001181 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Den Haag en in de gemeente Leidschendam-Voorburg krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Rotterdamsebaan II), Stcrt. 2015, nr. 21498.
HR, 22-12-2017, nr. 17/00068
ECLI:NL:HR:2017:3248
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-12-2017
- Zaaknummer
17/00068
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Onteigeningsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:3248, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 22‑12‑2017; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1177, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2017:1177, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑10‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3248, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑12‑2016
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑12‑2017
Inhoudsindicatie
Onteigeningsrecht. Zekerheidstelling als bedoeld in art. 54i lid 4 Ow; mag rechtbank afzien van bepalen zekerheid? HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2638 en HR 23 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4934, NJ 2012/22.
Partij(en)
22 december 2017
Eerste Kamer
17/00068
LZ/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres],gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J.P. van den Berg,
t e g e n
DE GEMEENTE DEN HAAG,zetelende te Den Haag,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en de Gemeente.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/09/506752/HA ZA 16-269 van de rechtbank Den Haag van4 mei 2016, 14 september 2016, 23 november 2016 en 21 december 2016 (herstelvonnis).
De vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de rechtbank van23 november 2016 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld.De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging van het vonnis van 23 november 2016 en tot afdoening als in die conclusie onder 2.25 vermeld.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 10 november 2017 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.5. Samengevat gaat het om het volgende.
(i) Op vordering van de Gemeente is bij vonnis van 23 november 2016 vervroegd de onteigening uitgesproken van een aan [eiseres] in eigendom toebehorend perceel.
(ii) De rechtbank heeft op de voet van art. 54i Onteigeningswet (hierna: Ow) het voorschot op de schadeloosstelling bepaald op 90% van het door de Gemeente aangeboden bedrag van € 2.700.000,--, zijnde € 2.430.000,--, en heeft overwogen (rov. 2.11) dat zekerheidstelling als bedoeld in art. 54i lid 4 Ow achterwege kan blijven.
3.2
De klachten van onderdeel 1 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.3.1
Onderdeel 2 klaagt dat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de zekerheidstelling getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
3.3.2
De rechtbank heeft miskend dat art. 54i lid 4 Ow ongeclausuleerd imperatief is geformuleerd. Het artikel houdt in, voor zover thans van belang, dat de rechtbank voor de onteigende partij een som als zekerheid bepaalt voor de voldoening van de verschuldigde schadeloosstelling. Mede gelet op de wetsgeschiedenis van dit artikel, waarin wordt vermeld dat zekerheidstelling om redenen van constitutionele aard niet kan worden beperkt tot de gevallen waarin de onteigende partij daarom verzoekt (Kamerstukken II 1970/1971, 10 590, nr. 5, p. 18), heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat zekerheidstelling achterwege kan blijven (vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2638). Zekerheidstelling kan pas achterwege blijven als de onteigende partij door middel van een ondubbelzinnige wilsverklaring afstand heeft gedaan van haar recht daarop (vgl. HR 23 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4934, NJ 2012/22). Van een zodanige afstand is in het onderhavige geding niet gebleken. De klacht is dus gegrond.
3.3.3
Het bestreden vonnis dient derhalve te worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft nagelaten de hiervoor in 3.3.2 bedoelde zekerheid te bepalen. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door alsnog een som als zekerheid te bepalen. Ingevolge art. 54i lid 4 Ow wordt die som ingeval daaromtrent tussen partijen geen overeenstemming is bereikt, bepaald op ten minste het bedrag dat is aangeboden, verminderd met het voorschot.De Hoge Raad zal de som bepalen op € 270.000,-- (€ 2.700.000,-- minus € 2.430.000,--).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 november 2016, doch uitsluitend voor zover daarin niet de hiervoor in 3.3.3 bedoelde zekerheid is bepaald;
bepaalt dat de Gemeente voor een bedrag van € 270.000,-- zekerheid zal stellen voor de aan [eiseres] toekomende schadeloosstelling door dit bedrag te storten op de derdengeldrekening van een door [eiseres] aan te wijzen notaris;
veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 945,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 22 december 2017.
Conclusie 27‑10‑2017
Inhoudsindicatie
Onteigeningsrecht. Zekerheidstelling als bedoeld in art. 54i lid 4 Ow; mag rechtbank afzien van bepalen zekerheid? HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2638 en HR 23 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4934, NJ 2012/22.
Partij(en)
Zaaknr: 17/00068
mr. W.L. Valk
Zitting: 27 oktober 2017
Conclusie inzake:
[eiseres]
tegen
De Gemeente Den Haag
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiseres] respectievelijk de Gemeente.
Deze zaak betreft de onteigening door de Gemeente van een perceel waarvan [eiseres] eigenaar is ten behoeve van de aanleg van de Rotterdamsebaan. Deze ongeveer vier kilometer lange nieuwe weg moet de rijkswegen A4 en A13 vanaf het knooppunt Ypenburg verbinden met de centrumring van Den Haag en aldus de Utrechtsebaan ontlasten. De klachten betreffen de beslissing van de rechtbank omtrent de noodzaak van de onteigening en (het ontbreken van) de bepaling van een som waarvoor zekerheid dient te worden gesteld ex art. 54i lid 4 Ow.
1. Feiten en procesverloop
1.1.
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
1.1.1.
Bij Koninklijk Besluit (KB) van 2 juli 20151.is ten algemene nutte en ten name van de Gemeente voor de realisatie van het bestemmingsplan ‘Rotterdamsebaan’ ter onteigening aangewezen het perceel kadastraal bekend gemeente ’s-Gravenhage, sectie AP, nummer 1164, in totaal groot 00.34.81, grondplannummer 1 (hierna: het perceel).
1.1.2.
Het perceel is gelegen nabij het adres Binckhorstlaan 176 en Mercuriusstraat 25-27 te Den Haag.
1.1.3.
In het KB is [eiseres] vermeld als eigenaar van het perceel.
1.1.4.
Uit de kadastrale registratie blijkt ten aanzien van het perceel van een recht van hypotheek ten gunste van K.K.F. Bedrijven B.V., statutair gevestigd te Katwijk aan den Rijn en een tweetal rechten van hypotheek ten gunste van F. van Lanschotbankiers N.V., statutair gevestigd te ’s-Hertogenbosch.
1.1.5.
Het perceel wordt verhuurd aan Bricorama B.V., statutair gevestigd te Breda.
1.2.
Bij beschikking van 18 januari 2016 zijn op de voet van art. 54a Ow drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd. De vervroegde descente heeft op 18 januari 2016 plaatsgevonden.
1.3.
[eiseres] heeft verweer gevoerd tegen de vervroegde onteigening en betoogd dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt.
1.4.
Bij vonnis van 23 november 2016 (hersteld bij vonnis van 21 december 2016) heeft de rechtbank de vervroegde onteigening van het perceel uitgesproken. De rechtbank overwoog daartoe verkort weergegeven als volgt:
a. Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel twee bestemmingen heeft gekregen, namelijk de bestemming ‘Verkeer – Hoofdweg’ voor het voorste deel van het perceel en de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied 1’ voor het achterste deel. Ook in de administratieve procedure waren deze bestemmingen aan partijen bekend (onder 2.3).
b. Uit de plankaart op de grondtekening van 6 december 2016, de zakelijke beschrijving en de bestemmingsomschrijving voor de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied 1’, blijkt voldoende duidelijk dat op het perceel van [eiseres] een werkterrein is voorzien (onder 2.4).
c. In de onderhavige procedure heeft [eiseres] voor het eerst betoogd dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt omdat niet het gehele perceel benodigd zou zijn voor de onteigening, dat zij uit de stukken niet kan opmaken dat er eerst een werkterrein en daarna een parkeervoorziening op het perceel komt en dat voor gebruik als werkterrein een andere toets nodig is, die de Kroon ten onrechte niet heeft gehanteerd (onder 2.6). Dit terwijl [eiseres] in de administratieve procedure al beschikte over de informatie die zij nu in de onderhavige procedure gebruikt om haar stellingen te onderbouwen (onder 2.7).
d. De rechtbank moet de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit dan ook beperkt toetsen en wel naar de situatie ten tijde van het besluit (onder 2.8).
e. Er is eerst plaats voor een zelfstandige beoordeling van de noodzaak tot onteigening en de rechtmatigheid ervan als zich na de datum van het KB nieuwe feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die betrekking hebben op de rechtmatigheid van de onteigening. Daarvan is echter niet gebleken (onder 2.9).
1.5.
De rechtbank heeft het door de Gemeente als onteigenende partij wegens de onteigening aan Van Beek c.s. te betalen voorschot bepaald op € 2.430.000,—,2.zijnde 90% van het door de Gemeente ter zake van de schadeloosstelling aangeboden bedrag.
1.6.
1.7.
Op 21 december 2016 heeft [eiseres] – gelet op art. 53 lid 1 jo. art. 54l lid 1 en 80 Ow tijdig – de cassatieverklaring aan de Gemeente doen betekenen met dagvaarding van de Gemeente in cassatie. De Gemeente heeft van antwoord gediend. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten, waarna nog van re- en dupliek is gediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1.
Onderdeel 1 bestaat uit twee subonderdelen die zich richten tegen het vonnis van 23 november 2016 (hierna: het vonnis) en deels ook tegen het tussenvonnis van 14 september 2016 (hierna: het tussenvonnis).
2.2.
Subonderdeel 1.1 is gericht tegen rechtsoverweging 2.4 van het vonnis, waar de rechtbank overweegt als volgt:
‘2.4 De rechtbank is, anders dan [eiseres], van oordeel dat op grond van de plankaart op grondtekening van 6 december 2016, de zakelijke beschrijving en de bestemmingsomschrijving voor de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied 1’ voldoende duidelijk blijkt dat op het perceel van [eiseres] een werkterrein is voorzien. Uit het dossier blijkt dat [eiseres] tijdig (voor het indienen van haar zienswijze in de procedure bij de Kroon) van deze stukken kennis heeft kunnen nemen, nu uit punt 5. van haar zienswijze blijkt dat [eiseres] naar de terinzagelegging is geweest waar voormelde stukken konden worden ingezien.’
2.3.
Het subonderdeel betoogt allereerst dat het oordeel van de rechtbank onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd omdat de rechtbank onvoldoende heeft gerespondeerd op de stelling van [eiseres] dat geenszins uit de onteigeningsstukken blijkt dat op het perceel van [eiseres] een werkterrein zal worden gerealiseerd.3.
2.4.
De klacht faalt omdat het alleszins begrijpelijk is dat de rechtbank uit de bedoelde plankaart, zakelijke beschrijving en bestemmingsomschrijving heeft afgeleid dat op het perceel een werkterrein is voorzien.
2.5.
De plankaart ziet er als volgt uit:4.

Op de kaart is duidelijk zichtbaar dat het perceel (met rode arcering aangegeven) deels (namelijk wat betreft het gedeelte dat aan de huidige Binckhorstlaan grenst) zal worden aangewend als ondergrond voor de nieuw aan te leggen weg (de aanduiding ‘V-HO’ verwijst naar de bestemming ‘Verkeer – Hoofdweg’). De rest van het perceel (omgeven door een zwarte lijn met eveneens zwarte bolletjes) zal volgens dezelfde kaart voor andere doeleinden worden aangewend, conform de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied 1’ (aangeduid met ‘V-VB 1’).
2.6.
Dat met de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied 1’ onder meer werkterreinen zijn bedoeld, volgt uit de bestemmingsomschrijving (art. 14.1 van de bestemmingsregels van de Gemeente) onder e.5.Ik citeer die omschrijving volledig:
‘14.1 Bestemmingsomschrijving
De voor “Verkeer – Verblijfsgebied 1” aangewezen gronden zijn bestemd voor
a. voet- en fietspaden;
b. parkeervoorzieningen;
c. toegangsportalen, ontluchtingsmiddelen en daarmee vergelijkbare bouwwerken;
d. groen;
e. werkterreinen en bijbehorende voorzieningen ten behoeve van de aanleg van de Rotterdamsebaan;
f. voorzieningen voor openbaar vervoer;
g. buurtontsluitingswegen;
h. kabels en leidingen;
i. ter plaatse van de functieaanduiding “tunnel” (tu) is een twee keer tweebaans verkeerstunnel toegestaan met bijbehorende, al dan niet beneden peil gelegen, gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde;
j. ter plaatse van de aanduiding “parkeren” (p) is uitsluitend een parkeervoorziening toegestaan ten behoeve van de bezoekers van het nabij gelegen perceel met de bestemming Cultuur en Ontspanning (Drievliet);
k. ter plaatse van de functieaanduiding “brug” (br) is een voetgangersbrug toegestaan ter ontsluiting van het perceel met de bestemming Cultuur en Ontspanning (Drievliet);
l. ter plaatse van de bouwaanduiding “ond” is een onderdoorgang toegestaan ter ontsluiting van het perceel met de bestemming Cultuur en Ontspanning (Drievliet).
m. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van verkeer-dienstengebouw (sv-dg) is een dienstengebouw toegestaan;
een en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, groen, water, waterberging en overige voorzieningen.’
2.7.
De zakelijke beschrijving van het onteigeningsplan de Rotterdamsebaan luidt voorts als volgt:6.
‘In de Binckhorst zijn werkterreinen voorzien aan de evenzijde van de Binckhorstlaan ter plaatse van de bestemming “Verkeer – Verblijfsgebied 1”.’
2.8.
Dit alles maakt dat allesbehalve onbegrijpelijk is dat de rechtbank heeft geoordeeld dat uit de plankaart, de zakelijke beschrijving en de bestemmingsomschrijving voldoende duidelijk blijkt dat op het perceel van [eiseres] een werkterrein is voorzien.
2.9.
Terzijde het volgende. In cassatie wordt de discussie over de noodzaak tot onteigening versmald tot de vraag of het perceel van [eiseres] als werkterrein zal worden benut of niet. Dat komt doordat de rechtbank in rechtsoverweging 2.8 [eiseres] deels in haar standpunt heeft gevolgd, in die zin dat [eiseres] de Gemeente terecht zou verwijten dat op basis van de ter inzage gelegde stukken niet voldoende duidelijk is geweest dat de gemeente de te onteigenen grond, na het gebruik als werkterrein, als parkeervoorziening gaat gebruiken. De Gemeente heeft het kennelijk onnodig geacht hiertegen met een incidenteel beroep op te komen. Dat de Gemeente echter klaarblijkelijk wel degelijk voornemens is om de te onteigenen grond, na het gebruik als werkterrein, mede als parkeervoorziening te gaan gebruiken, bleek mij bij raadpleging van de kaart behorende bij het Voorontwerp Binckhorst,7.waarvan ik hieronder een uitsnede weergeef die overeenkomt met die van de onder 2.5 getoonde plankaart.

Uit vergelijking van deze kaart met de plankaart blijkt dat op het gedeelte van het perceel met de bestemming Verkeer – Verblijfsgebied 1 uiteindelijk parkeervoorzieningen, groen, een fietspad en een voetpad zullen worden aangelegd (wat eveneens past bij de onder 2.6 aangehaalde bestemmingsomschrijving). Zoals reeds aangeduid, de processuele werkelijkheid in cassatie is intussen een andere, en het voorgaande is dus slechts terzijde opgemerkt.
2.10.
In hetgeen hiervoor onder 2.4-2.8 is opgemerkt, ligt besloten dat de door het subonderdeel aangeduide stellingen van [eiseres] (opgesomd op pagina 3 en 4 van het middel) door de rechtbank konden worden gepasseerd zonder dat dit nadere motivering behoefde. Met betrekking tot de stelling onder het negende aandachtstreepje betreffende de brief van de Gemeente van 3 augustus 2016, geldt dat de rechtbank daarop in rechtsoverweging 2.9 afzonderlijk is ingegaan.
2.11.
Subonderdeel 1.1 faalt.
2.12.
Onder 1.2 richt het onderdeel zich tegen rechtsoverwegingen 2.7 tot en met 2.9 van het vonnis, die luiden als volgt:
‘2.7 [eiseres] beschikte reeds in de administratieve procedure over de informatie die zij nu in de gerechtelijke procedure gebruikt om haar stellingen ten aanzien van de noodzaak van de onteigening te onderbouwen. De stellingen die zij thans inneemt omtrent die noodzaak, heeft zij in de administratieve procedure achterwege gelaten.
2.8
Nu deze stellingen niet in de administratieve procedure naar voren zijn gebracht, heeft de rechtbank niet de ruimte om de rechtmatigheid van het KB hieraan te toetsen. Voor zover [eiseres] de gemeente het, op zichzelf terechte, verwijt maakt dat op basis van de ter inzage gelegde stukken niet voldoende duidelijk is geweest dat de gemeente de te onteigenen grond, na het gebruik als werkterrein, als parkeervoorziening gaat gebruiken, is dit onvoldoende voor een afwijzing van de vordering tot onteigening. Hierbij is van belang dat de rechtbank de rechtmatigheid van (het besluit tot goedkeuring van) het onteigeningsbesluit beperkt dient te toetsen en wel naar de situatie ten tijde van het (goedkeurings)besluit, zulks op grondslag van de tegen de onteigening gerichte bezwaren welke reeds in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande procedure bij het bestuur naar voren zijn gebracht (vgl. HR, 9 februari 2000, NJ 2000/418, ECLI:NL:HR:2000:AA4852, 4.2.2.). [eiseres] heeft haar verweer ten aanzien van de noodzaak van de onteigening bij de Kroon toegespitst op het ontbreken van informatie, waardoor de Kroon niet is toegekomen aan de thans daarnaast nog door [eiseres] aan de orde gestelde inhoudelijke beoordeling van de noodzaak van de onteigening voor het gebruik van een deel van het te onteigenen perceel als, al dan niet tijdelijk, werkterrein. Dit terwijl [eiseres] haar verweer, op basis van de ten tijde van de Kroonprocedure aan haar bekende informatie, zodanig had kunnen inrichten dat de Kroon hier wel een beslissing over had behoren te nemen.
2.9
Er is slechts plaats voor een zelfstandige beoordeling van de noodzaak tot onteigening, en daarmee van de rechtmatigheid ervan, wanneer zich na de datum van het KB nieuwe feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die betrekking hebben op de rechtmatigheid van de onteigening. In dat geval vindt een volledige toetsing plaats. Daarvan is echter niet gebleken. Dat de gemeente in de brief van 3 augustus 2016 het perceel van [eiseres] niet heeft aangemerkt als werkterrein maakt dit niet anders, nu niet is gesteld of gebleken dat de bestemming tot werkterrein in verband met de onteigening niet alsnog zal worden gerealiseerd, als de gemeente over het perceel de beschikking heeft gekregen.’
Voorts richt het middel zich tegen rechtsoverwegingen 2.2 en 2.6 van het tussenvonnis, waar als volgt wordt overwogen:
‘2.2 De rechtbank is, mits bestreden, gehouden de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit inhoudelijk te toetsen, zulks op grondslag van de reeds bij de Kroon tegen de onteigening naar voren gebrachte bezwaren. Deze toetsing is, voor zover het betreft de afweging van de belangen van [eiseres] enerzijds en de gemeente anderzijds, beperkt tot de vraag of de Kroon bij die afweging in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat voor de verwezenlijking van het ruimtelijke ordeningsplan, de onderhavige onteigening gerechtvaardigd is.’
‘2.6 Nu [eiseres] reeds in de administratieve procedure heeft gesteld dat de noodzaak voor de onteigening ontbreekt, is de rechtbank gehouden tot een, beperkte, toetsing van het Koninklijk Besluit. Voor deze toetsing is het noodzakelijk dat de rechtbank beschikt over de stukken waarop de Kroon het besluit heeft gebaseerd, en waar volgens de Kroon voldoende uit blijkt dat op het perceel van [eiseres] naast de hoofdverkeersweg een werkterrein/parkeervoorziening zal worden gerealiseerd. Ter zitting is vastgesteld dat deze stukken zich niet in het griffiedossier bevinden. De gemeente zal worden opgedragen deze stukken in het geding te brengen.’
2.13.
Het subonderdeel klaagt om te beginnen dat het oordeel van de rechtbank getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat het verweer van [eiseres] dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt en dat de Kroon het perceel niet in redelijkheid ter onteigening kon aanwijzen omdat nergens uit blijkt dat op het perceel van [eiseres] een werkterrein en/of parkeervoorziening zal worden gerealiseerd en omdat inmiddels duidelijk is dat op het perceel geen werkterrein en/of parkeervoorziening zal worden gerealiseerd, volledig en inhoudelijk had moeten worden beoordeeld, ongeacht of [eiseres] de aan het verweer ten grondslag liggende stellingen in de administratieve procedure naar voren heeft gebracht. Daarbij is volgens het subonderdeel van belang dat de betreffende stellingen niet de aan het onteigeningsbesluit ten grondslag liggende belangenafweging raken.
2.14.
De klacht berust op een onjuiste lezing van het vonnis. Het verweer van [eiseres] dat nergens uit blijkt dat op het perceel van [eiseres] een werkterrein en/of parkeervoorziening zal worden gerealiseerd, is door de rechtbank in rechtsoverweging 2.4 verworpen op basis van haar zelfstandige oordeel omtrent hetgeen uit de plankaart, de zakelijke beschrijving en de bestemmingsomschrijving blijkt. De door [eiseres] bedoelde volledige en inhoudelijke beoordeling, los van hetgeen [eiseres] in de administratieve procedure naar voren heeft gebracht, heeft dus in zoverre wel degelijk plaatsgevonden. Gelet daarop heeft [eiseres] bij de klacht hoe dan ook geen belang.
2.15.
Dan resteert nog het verweer van [eiseres] dat inmiddels duidelijk is dat op het perceel geen werkterrein en/of parkeervoorziening zal worden gerealiseerd. Dát verweer, gebaseerd op de inhoud van de brief van de Gemeente van 3 augustus 2016, heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.9 verworpen. Ook daar heeft de rechtbank zich niet beperkt tot een marginale toets van het besluit van de Kroon, maar heeft integendeel onder ogen gezien dat indien het door [eiseres] beweerde novum zich inderdaad voordeed, dit tot een volledige toetsing van dat besluit zou leiden. Volgens hetgeen de rechtbank heeft overwogen, doet het bedoelde novum zich echter niet voor, omdat, kort gezegd, [eiseres] in de brief van de Gemeente meer leest dan daarin kan worden gelezen.
2.16.
Ik merk nog op dat [eiseres] in cassatie niet klaagt, althans ik lees dat in het middel niet, over de wijze waarop de rechtbank twee andere van haar stellingen heeft beoordeeld, namelijk dat niet het gehele perceel voor de onteigening benodigd is en dat voor het gebruik als werkterrein (volgens [eiseres] het enige relevante gebruik, omdat van een gebruik als parkeervoorziening niet zou blijken) een andere toets nodig is, die de Kroon ten onrechte niet heeft gehanteerd. Vergelijk rechtsoverweging 2.6 van het vonnis van 23 november 2016. Met betrekking tot díé stellingen heeft de rechtbank geen inhoudelijk oordeel gegeven op de grond dat ze door [eiseres] in de administratieve procedure niet naar voren waren gebracht. Zie rechtsoverweging 2.8. Maar hierover klaagt [eiseres] dus niet, zodat in het midden kan blijven of de rechtbank in zoverre de juiste toets heeft aangelegd.
2.17.
In de tweede alinea van pagina 6 betoogt het subonderdeel dat het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden die zich na de datum van het KB hebben voorgedaan, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd ‘gelet op het door [eiseres] gestelde in haar conclusie van antwoord onder 17, 18, 20 en 21, in de pleitaantekeningen van mr. Verhaegh onder 18 t/m 21 en in haar antwoordakte onder 7, 8 en 14’. De rechtbank zou ten onrechte niet op de daar ingenomen stellingen zijn ingegaan. Deze klacht is onvoldoende concreet en voldoet daarom niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Bij een verwijzing naar stellingen van partijen, dient immers nader te worden omschreven op welke stellingen het middel doelt.8.
2.18.
In de tweede alinea van pagina 6 vervolgt het subonderdeel met de klacht dat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de brief van de Gemeente van 3 augustus 2016 onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, gelet op de inhoud van de brief zelf, gelet op hetgeen [eiseres] over deze brief gesteld heeft in de vindplaatsen genoemd in dit subonderdeel en een en ander ook in onderlinge samenhang bezien. Voor zover deze klacht voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv, geldt dat bedoeld oordeel niet onbegrijpelijk is. In dit verband vermeld ik dat de Gemeente op de bedoelde brief de volgende toelichting heeft gegeven:9.
‘Het betreft een informatiebrief die aan alle in de (verre) omtrek van de Rotterdamsebaan wonende/gevestigde personen/bedrijven is gezonden, waarin [zij] worden geïnformeerd over de werkzaamheden in de Binckhorst in het kader van de aanleg van de Rotterdamsebaan en de gevolgen die dat heeft voor het gebied. Uit de brief blijkt dat er een groot werkterrein moet worden ingericht onder meer om daarop de ontvangstschacht te bouwen die nodig is voor de tunnelboormachine. Ook blijkt dat er aanpassingen worden gedaan aan de Binckhorstlaan, zodat deze open kan blijven gedurende de werkzaamheden.
Uiteraard staat op het perceel van [eiseres] nog geen werkterrein ingetekend. De gemeente heeft immers nog niet de beschikking over deze gronden. Dus kan zij deze gronden nog niet als werkterrein inrichten.’
Mede in het licht van deze toelichting van de zijde van de Gemeente, volstond de door de rechtbank gegeven motivering.
2.19.
Onderdeel 2 is gericht tegen rechtsoverweging 2.11 en het dictum onder 3.2, die als volgt luiden:
‘2.11 Aangezien [eiseres] en Bricorama de aangeboden schadeloosstelling hebben verworpen, zal de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 54i leden 1 en 2 Ow het voorschot op de schadeloosstelling bepalen op 90% van het aangeboden bedrag, te weten op een bedrag van € 2.4300.000,— voor [eiseres] en een bedrag van € 360.000,— voor Bricorama. Zekerheidstelling als bedoeld in het vierde lid van voornoemd artikel kan achterwege blijven.’
‘3. De beslissing
De rechtbank
3.1
spreekt vervroegd de onteigening uit (...);
3.2
stelt het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiseres] vast op een bedrag van € 2.4300.000,—;’
2.20.
Het onderdeel betoogt dat het oordeel van de rechtbank over de zekerheidstelling getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. [eiseres] heeft geen afstand gedaan van het recht op zekerheidstelling en daarom had de rechtbank overeenkomstig art. 54i Ow een som als zekerheid voor de voldoening van de aan [eiseres] verschuldigde schadeloosstelling moeten bepalen, aldus het onderdeel.
2.21.
Art. 54i lid 4 Ow bepaalt dat de rechtbank voor de onteigende partij en bekende derdebelanghebbenden een som als zekerheid voor de voldoening van de aan ieder van hen verschuldigde schadeloosstelling bepaalt. Deze som wordt bepaald op het bedrag waarover overeenstemming is bereikt. Blijkt niet dat overeenstemming is bereikt, dan wordt die som bepaald op tenminste het bedrag dat ieder is aangeboden, verminderd met het voorschot.
2.22.
Aan de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer op het toenmalige wetsvoorstel (toen nog ‘wetsontwerp’ geheten) kan met betrekking tot de bepaling van art. 54i lid 4 Ow het volgende worden ontleend:10.
‘De vraag, of de zekerheidstelling niet formeel kan worden beperkt tot de gevallen waarin de onteigende partij daarom verzoekt, moet om redenen van constitutionele aard ontkennend worden beantwoord. Uit de wetsgeschiedenis van het grondwetsartikel over de onteigening zomede uit de redactie van dat artikel blijkt naar de mening van de ondergetekenden, dat de schadeloosstelling (betaald of) verzekerd moet zijn, tenzij de rechthebbende daarvan afstand doet.’
2.23.
Kortom, de bepaling van art. 54i lid 4 Ow moet zo worden gelezen dat de onteigeningsrechter niet mag beslissen dat geen zekerheidstelling zal worden bepaald omdat de onteigende geen zekerheid heeft verlangd. Zekerheidstelling kan pas achterwege blijven als de onteigende van zijn recht op zekerheidstelling ondubbelzinnig afstand heeft gedaan. In die zin luidt ook de bestendige rechtspraak van uw Raad.11.
2.24.
In cassatie blijkt niet dat [eiseres] ondubbelzinnig afstand zou hebben gedaan van haar recht op zekerheidstelling. De klacht slaagt dus.
2.25.
Ik geef uw Raad in overweging de zaak zelf af te doen en alsnog een som als zekerheid te bepalen en wel op het bedrag dat is aangeboden, € 2.7000.000,—, verminderd met het voorschot ad € 2.430.000,—, dus op € 270.000,—.
2.26.
Ten slotte nog het volgende. Met het oog op uw beslissing omtrent de kosten van de cassatieprocedure voert de Gemeente aan dat zij het achterwege blijven van de zekerheid niet heeft uitgelokt of verdedigd.12.Dat is feitelijk onjuist. Zie het petitum van de inleidende dagvaarding onder c.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het vonnis van 23 november 2016 en tot afdoening als hiervoor onder 2.25 vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑10‑2017
Het vonnis van 23 november 2016 vermeldt onder 2.11 een bedrag van € 2.4300.000,—, maar dit is hersteld bij vonnis van 21 december 2016.
Het middel verwijst naar de conclusie van antwoord onder 9 tot en met 18, de pleitaantekeningen van mr. Verhaegh van 7 september 2016 onder 8 tot en met 21 en de antwoordakte onder 4 tot en met 19.
Productie 5 bij de akte van de Gemeente van 28 september 2016.
Ik heb de bestemmingsomschrijving niet in het dossier aangetroffen, maar vond die op het volgende adres: http://roonline.denhaag.nl/9172AA00-70F8-42C2-A12E-24D15B639C38/r_NL.IMRO.0518.BP0235ZRotterdambn-50VA_2.14.html. Het middel bevat niet de klacht dat de rechtbank de bestemmingsomschrijving niet aan haar beslissing ten grondslag mocht leggen; het middel keert zich uitsluitend tegen de inhoud van die beslissing. Ik voel mij dan ook vrij om de bestemmingsomschrijving uit een openbare bron te citeren.
Productie 6 bij de akte van de Gemeente van 28 september 2016.
Productie 8 bij de akte van de Gemeente van 28 september 2016.
Vgl. HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0655, NJ 2002/402 onder 3.3.4 en HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:AN5655, NJ 1998/588 m.nt. A.R. Bloembergen onder 3.3.3.
Pleitaantekeningen van de Gemeente, p. 6.
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2638, RvdW 2013/276 (X/Waterschap Hollandse Delta) rechtsoverwegingen 3.2 en 3.3, HR 23 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4934, NJ 2012/22 ([...] c.s./Hoorn) rechtsoverwegingen 3.3 en 3.4 en HR 2 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3062, RvdW 2006/545 (X/Boskoop), rechtsoverweging 3.5.
Schriftelijke toelichting mr. Scheltema onder 3.1.3, noot 14.
Beroepschrift 21‑12‑2016
Heden, de éénentwintigste december tweeduizendzestien, ten verzoeke van [eiseres] B.V., statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1], kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2] ([provincie]), te dezen woonplaats kiezende te Den Haag aan de Mercuriusweg 11 (2516 AW), ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. J.P. van den Berg, die te dezen door haar als advocaat wordt aangewezen en als zodanig voor haar zal optreden,
[heb ik,]
[Gerardus Theodorus van der Velde, gerechtsdeurwaarder gevestigd te 's‑Gravenhage en daar kantoorhoudende aan het Nassauplein 21]
BETEKEND AAN:
de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE DEN HAAG, zetelende te Den Haag, mijn exploit doende en afschrift dezes en van na te melden betekend stuk latende ten kantore van de advocaat mr. M. Rus-van der Velde, aan de Bezuidenhoutseweg 57 te (2594 AC) Den Haag, alwaar geïnsinueerde in de vorige instantie laatstelijk woonplaats heeft gekozen, aan:
[de heer G. van Dijke, aldaar werkzaam]
het afschrift van een verklaring namens mijn requirante ter griffie van de rechtbank Den Haag afgelegd op 2 december 2016, houdende voorziening in cassatie tegen het vonnis door voormelde rechtbank gewezen op 23 november 2016 onder zaaknummer/rolnummer C/09/506752 / HA ZA 16-269 uitgesproken in de zaak van geïnsinueerde als eiseres en requirante als gedaagde.
Voorts heb ik, deurwaarder, exploit doende als voren gerelateerd en geheel instrumenterende als voorzegd, de geïnsinueerde
GEDAGVAARD:
om op vrijdag zes januari tweeduizendzeventien, des voormiddags om 10.00 uur, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen ter openbare terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, alsdan gehouden wordende in het gebouw van die Raad te Den Haag aan het Korte Voorhout 8;
MET AANZEGGING:
dat indien geïnsinueerde, verweerster in cassatie, advocaat stelt maar het hierna te noemen griffierecht niet tijdig betaalt, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht haar genomen, zijn recht om verweer in cassatie te voeren of om van haar zijde in cassatie te komen vervalt;
dat indien geïnsinueerde in het geding verschijnt van haar een griffierecht zal worden geheven, te voldoen binnen vier weken vanaf het tijdstip van verschijning;
dat de hoogte van de griffierechten is vermeld in de meest recente bijlage behorend bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken, die onder meer is te vinden op website: www.kbvg.nl/griffierechtentabel;
dat van een persoon die onvermogend is, een bij of krachtens de wet vastgesteld griffierecht voor onvermogenden wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overlegd:
- —
een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, dan wel
- —
een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel e, van de Wet op de rechtsbijstand waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid van die wet;
TENEINDE:
tegen voornoemd vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 november 2016 te horen aanvoeren als:
Middelen van cassatie:
1.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, zoals in het vonnis van de rechtbank is omschreven, zulks ten onrechte om de navolgende, zonodig in onderling verband in aanmerking te nemen redenen:
1.1
In r.o. 2.4 heeft de rechtbank overwogen:
‘De rechtbank is, anders dan [eiseres], van oordeel dat op grond van de plankaart op grondtekening van 6 december 2016, de zakelijke beschrijving, en de bestemmings-omschrijving voor de bestemming ‘Verkeer — Verblijfsgebied I’ voldoende blijkt dat op het perceel van [eiseres] een werkterrein is voorzien.’
Deze overweging (dit oordeel) is onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, nu de rechtbank haar oordeel op geen enkele wijze heeft uitgelegd of toegelicht en [eiseres] uitvoerig onderbouwd heeft aangevoerd dat uit de onteigeningsstukken geenszins blijkt dat op het perceel van [eiseres] een werkterrein zal worden gerealiseerd (conclusie van antwoord, blz. 3 t/m 5, onder 9 t/m 18; pleitaantekeningen mr. C.M.E Verhaegh d.d. 7 september 2016, blz. 2 t/m 6, onder 8 t/m 21; antwoord akte, blz. 2 t/m 4, onder 4 t/m 19). [eiseres] heeft onder andere onderbouwd aangevoerd:
- —
In de ‘Zakelijke beschrijving onteigeningsplan Rotterdamsebaan’ staat slechts dat in de Binckhorst werkterreinen zijn voorzien aan de evenzijde van de Binckhorstlaan ter plaatse van de bestemming ‘Verkeer-Verblijfsgebied 1’. (cva onder 10; antwoord akte onder 8)
- —
De ‘Overzichtstekening onteigeningsplan Rotterdamsebaan’ kent [eiseres] niet. [eiseres] is niet bekend met enige tekening waarop staat aangegeven dat op het perceel een werkterrein zal worden gerealiseerd. Een zodanige tekening bevond zich in ieder geval niet bij de ter inzage gelegde stukken. (cva onder 11; antwoord akte onder 10, 12 en 13)
- —
Uit de zich in het kroondossier bevindende ‘Overzichtstekening Onteigeningsplan ROBA’ blijkt niet dat op het perceel van [eiseres] een werkterrein zal worden gerealiseerd (antwoord akte onder 5 en 6)
- —
Uit het Voorontwerp Rotterdamsebaan blijkt niet dat op het perceel een werkterrein zal worden gerealiseerd. (cva onder 12; pleitaantekeningen onder 11; antwoord akte onder 14)
- —
Door de gemeente is in diverse besprekingen en op informatieavonden niet aangegeven dat op het perceel een werkterrein zal worden gerealiseerd. (cva onder 13; pleitaantekeningen onder 11 en 12; antwoord akte onder 11)
- —
Uit het bestemmingsplan Rotterdamsebaan blijkt geenszins dat op het perceel een werkterrein zat worden gerealiseerd, (cva onder 15; pleitaantekeningen onder 9 en 14 en 15; antwoord akte onder 9)
- —
Uit passages uit de van het bestemmingsplan deel uitmakende toelichting blijkt dat vrijkomende percelen als werkterrein kunnen worden gebruikt. Dit zijn uiteraard geen percelen waarvoor onteigend moet worden, (cva onder 15 en 16; pleitaantekeningen onder 16)
- —
Uit deze passages blijkt verder dat de betreffende terreinen mogelijk gebruikt worden als werkterreinen en dat de uiteindelijke locaties van de werkterreinen door de aannemer, in overleg met de gemeente, worden bepaald. Op dit moment is nog helemaal niet bekend of de aannemer het perceel als werkterrein zou willen gebruiken. (cva onder 17; pleitaantekeningen onder 16 en 17).
- —
Uit de tekening bij de brief van de gemeente van 3 augustus 2016 is duidelijk geworden dat de keuze van de aannemer voor zijn werkterrein niet op het perceel van [eiseres] is gevallen. De aannemer heeft het perceel van [eiseres] niet nodig (pleitaantekeningen onder 17, 18 en 19; antwoord akte onder 7 en 14)
- —
Direct naast het perceel van [eiseres] liggen diverse grote percelen, die ook de bestemming V-VB 1 hebben, eigendom van de gemeente zijn en vrijgekomen zijn. De betreffende percelen worden deels al als werkterrein gebruikt. (cva onder 18; pleitaantekeningen onder 18; antwoord akte onder 8)
De rechtbank is op een en ander in het geheel niet ingegaan. Mede daarom is haar hierboven geciteerde oordeel in r.o. 2.4 onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
Gegrondbevinding van deze klacht werkt door in (onder andere) de overwegingen en beslissingen van de rechtbank in r.o. 2.7 t/m 2.9.
1.2
In haar tussenvonnis van 14 september 2016 heeft de rechtbank overwogen:
in r.o. 2.2:
‘De rechbank is, mits bestreden, gehouden de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit inhoudelijke te toetsen, zulks op grondslag van de reeds bij de Kroon naar voren gebrachte bezwaren.’
en in r.o. 2.6:
‘Nu [eiseres] reeds in de administratieve procedure heeft gesteld dat de noodzaak voor de onteigening ontbreekt, is de rechtbank gehouden tot een, beperkte, toetsing van het Koninklijk Besluit.’
In haar eindvonnis van 23 november 2016 heeft de rechtbank in r.o. 2.7 t/m 2.9 overwogen en beslist overwogen:
‘2.7.
[eiseres] beschikte reeds in de administratieve procedure over de informatie die zij nu in de gerechtelijke procedure gebruikt om haar Stellingen ten aanzien van de noodzaak van de onteigening te onderbouwen. De stellingen die zij thans inneemt omtrent die noodzaak, heeft zij in de administratieve procedure achterwege gelaten.
2.8.
Nu deze stellingen niet in de administratieve procedure naar voren zijn gebracht, heeft de rechtbank niet de ruimte om de rechtmatigheid van het KB hieraan te toetsen. Voor zover [eiseres] de gemeente het, op zichzelf terechte, verwijt maakt dat op basis van de ter inzage gelegde stukken niet voldoende duidelijkheid is geweest dat de gemeente de te onteigenen grond, na het gebruik als werkterrein, als parkeervoorziening gaat gebruiken, is dit onvoldoende voor een afwijzing van de vordering tot onteigening. Hierbij is van belang dat de rechtbank de rechtmatigheid van (het besluit tot goedkeuring van) het onteigeningsbesluit beperkt dient te toetsen en wel naar de situatie ten tijde van het (goedkeurings)besluit, zulks op grondslag van de tegen de onteigening gerichte bezwaren welke reeds in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande procedure bij het bestuur naar voren zijn gebracht (vgl. HR, 9 februari 2000, NJ 2000/418, ECLI:NL:HR:2000:AA4852, 4.2.2.). [eiseres] heeft haar verweer ten aanzien van de noodzaak van onteigening bij de Kroon toegespitst op het ontbreken van informatie, waardoor de Kroon niet is toegekomen aan de thans daarnaast nog door [eiseres] aan de orde gestelde inhoudelijke beoordeling van de noodzaak van de onteigening voor het gebruik van een deel van het te onteigenen perceel als, al dan niet tijdelijk, werkterrein. Dit terwijl [eiseres] haar verweer, op basis van de (en tijde van de Kroonprocedure aan haar bekende informatie, zodanig had kunnen Inrichten dat de Kroon hier wel een beslissing overhad behoren te nemen.
2.9.
Er is slechts plaats voor een zelfstandige beoordeling van de noodzaak tot onteigening, en daarmee van de rechtmatigheid ervan, wanneer zich na de datum van het KB nieuwe feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die betrekking hebben op de rechtmatigheid van de onteigening. In dat geval vindt een volledige toetsing plaats. Daarvan is echter niet gebleken. Dat de gemeente in de brief van 3 augustus 2016 het perceel van [eiseres] niet heeft aangemerkt als werkterrein maakt dit niet anders, nu niet is gesteld of gebleken dat de bestemming tot werkterrein in verband met de onteigening niet alsnog zal worden gerealiseerd, als de gemeente over het perceel de beschikking heeft gekregen.’
Deze overwegingen en beslissingen getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank heeft miskend dat zij het verweer van [eiseres], dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt en dat de Kroon het perceel van [eiseres] in redelijkheid niet ter onteigening kon aanwijzen omdat nergens uit blijkt dat op het perceel van [eiseres] een werkterrein en/of parkeervoorziening zal worden gerealiseerd en omdat inmiddels duidelijk is dat op het perceel geen werkterrein en/of parkeervoorziening zal worden gerealiseerd (cva, blz. 3 t/m 6, onder 9 t/m 21 en onder 28; pleitaantekeningen, blz. 2 t/m 6, onder 8 t/m 21 en onder 25; antwoord akte, blz. 2 t/m 4, onder 4 t/m 19), volledig en inhoudelijk diende te beoordelen en hieromtrent een gemotiveerde beslissing diende te geven, ongeacht of [eiseres] de aan het verweer ten grondslag liggende stellingen in de administratieve procedure naar voren heeft gebracht. Daarbij is van belang dat de betreffende stellingen niet de aan het onteigeningsbesluit ten grondslag liggende belangenafweging raken.
De overweging van de rechtbank in r.o. 2.9 dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die zich na de datum van het KB hebben voorgedaan die betrekking hebben op de rechtmatigheid van de onteigening, is onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, gelet op het door [eiseres] gestelde in haar conclusie van antwoord onder 17, 18, 20 en 21, in de pleitaantekeningen van mr. Verhaegh onder 18 t/m 21 en in haar antwoord akte onder 7, 8 en 14. De rechtbank is op een en ander niet ingegaan, behoudens op de brief van de gemeente van 3 augustus 2016. De overweging van de rechtbank ‘Dat de gemeente in de brief van 3 augustus 2016 het perceel van [eiseres] niet heeft aangemerkt als werkterrein maakt dit niet anders, nu niet is gesteld of gebleken dat de bestemming tot werkterrein in verband met de onteigening niet alsnog zal worden gerealiseerd, als de gemeente over het perceel de beschikking heeft gekregen’ is onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, gelet op de inhoud van de brief van de gemeente (die geen enkele steun biedt aan de overweging van de rechtbank), gelet op het door [eiseres] gestelde in de hierboven in deze alinea vermelde vindplaatsen en gelet op het door [eiseres] gestelde in de in de vorige alinea vermelde vindplaatsen, een en ander ook in onderlinge samenhang bezien.
2.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, zoals in het vonnis van de rechtbank is omschreven, zulks ten onrechte om de navolgende, zonodig in onderling verband in aanmerking te nemen redenen:
De rechtbank heeft het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiseres] bepaald op 90% van het aangeboden bedrag (zie r.o. 2.11 en het dictum onder 3.2)1.. In r.o. 2.11 heeft de rechtbank overwogen dat zekerheidstelling als bedoeld in het vierde lid van artikel 54i Ow achterwege kan blijven. Dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Nu [eiseres] geen afstand heeft gedaan van het recht op zekerheidstelling had de rechtbank voor [eiseres] een som als zekerheid voor de voldoening van de aan [eiseres] verschuldigde schadeloosstelling dienen te bepalen als bedoeld in artikel 54i Ow. Dit heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten.
Mitsdien:
het de Hoge Raad moge behagen op grond van vorenstaande middelen het vonnis waartegen dit is gericht, te vernietigen, met zodanige verdere uitspraak als de Hoge Raad zal vermenen te behoren;
kosten rechtens.
De kosten dezes zijn voor mij, deurwaarder, € 79,81
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 21‑12‑2016
Bij brief van 24 november 2016 heeft de gemeente de rechtbank bericht dat het bedrag van € 2.4300.000,-- een nul teveel bevat en de rechtbank verzocht deze verschrijving te herstellen middels een herstelvonnis. De rechtbank heeft nog niet op dit verzoek beslist.