Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.2.4.1.3.2
8.2.4.1.3.2 Wanneer speelt de hoedanigheidsvoorwaarde?
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291534:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. conclusie A-G Ettema 23 april 2019, nr. 17/04489, V-N 2019/30.15, punt 3.12 e.v.
Vgl. HvJ EG 11 juli 1991, zaak C-97/90, FED 1991/647, m.nt. Bijl, r.o. 14 (Lennartz).
HvJ EG 11 juli 1991, zaak C-97/90, FED 1991/647, m.nt. Bijl, r.o. 14 (Lennartz) en HvJ EU 25 juli 2018, zaak C-140/17, BNB 2019/32, m.nt. Swinkels, r.o. 51 (Gmina Ryjewo).
HvJ EG 23 april 2009, zaak C-460/07, V-N 2009/25.17, r.o. 45 en 46 (Puffer), HvJ EU 19 juli 2012, zaak C-334/10, BNB 2012/271, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 33 (Vof X) en HvJ EU 25 juli 2018, zaak C-140/17, BNB 2019/32, m.nt. Swinkels, r.o. 53 (Gmina Ryjewo).
HvJ EG 11 juli 1991, zaak C-97/90, FED 1991/647, m.nt. Bijl, r.o. 20 (Lennartz), HvJ EU 22 oktober 2015, zaak C-126/14, BNB 2016/135, m.nt. Swinkels, r.o. 21 (Sveda) en HvJ EU 25 juli 2018, zaak C-140/17, BNB 2019/32, m.nt. Swinkels, r.o. 38 (Gmina Ryjewo).
HvJ EG 11 juli 1991, zaak C-97/90, FED 1991/647, m.nt. Bijl, r.o. 20 (Lennartz), HvJ EG 8 maart 2001, zaak C-415/98, BNB 2001/200, m.nt. Van Kesteren, r.o. 29 (Bakcsi), HvJ EU 16 februari 2012, zaak C-118/11, V-N 2012/17.18, r.o. 58 (Eon Aset Menidjmunt), HvJ EU 22 maart 2012, zaak C-153/11, V-N 2012/25.16, r.o. 41 (Klub), HvJ EU 19 juli 2012, zaak C-334/10, BNB 2012/271, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 23 (Vof X), HvJ EU 22 oktober 2015, zaak C-126/14, BNB 2016/135, m.nt. Swinkels, r.o. 21 (Sveda) en HvJ EU 25 juli 2018, zaak C-140/17, BNB 2019/32, m.nt. Swinkels, r.o. 38, 45-47 en 50 (Gmina Ryjewo).
Vgl. conclusie A-G Lenz 26 januari 1995, zaak C-4/94, ECLI:EU:C:1995:16, punt 36 (BLP Group).
HvJ EG 8 februari 2007, zaak C-435/05, BNB 2007/308, m.nt. Van Zadelhoff (Investrand).
HvJ EU 18 januari 2012, zaak C-26/12, V-N 2013/48.17 (PPG).
HvJ EU 16 februari 2012, zaak C-118/11, V-N 2012/17.18 (Eon Aset Menidjmunt).
HvJ EU 21 februari 2013, zaak C-104/12, V-N 2013/17.18 (Wolfram Becker).
HvJ EU 14 september 2017, zaak C-132/16, BNB 2018/65, m.nt. Swinkels (Iberdrola).
HvJ EU 16 september 2020, zaak C-528/19, V-N 2020/52.21 (Mitteldeutsche Hartstein-Industrie).
HvJ EU 1 oktober 2020, zaak C-405/19, FED 2020/153, m.nt. Merkx (Vos Aannemingen).
Vgl. A.J. van Doesum en H.W.M. van Kesteren, ‘De onlosmakelijke samenhang tussen kosten en belastbare handelingen’, WFR 2012/6960, p. 888.
De vraag of aan de hoedanigheidsvoorwaarde is voldaan, speelt blijkens de jurisprudentie van het Hof van Justitie met name indien goederen of diensten worden afgenomen door een persoon met twee ‘btw-petten’ op, zoals een eenmansondernemer (hoedanigheid van belastingplichtige en privépersoon), een publiekrechtelijk lichaam (hoedanigheid van belastingplichtige en overheid) of een gemengde (lees: deels tegen vergoeding moeiende) holding (hoedanigheid van belastingplichtige en niet-belastingplichtige).1 In die situatie moet beoordeeld worden of het goed of de dienst is afgenomen met de pet op van belastingplichtige. Worden de aangeschafte goederen of diensten direct aangewend voor belastbare handelingen, dan is uit dit gebruik op te maken dat voldaan is aan de hoedanigheidseis.2 Voor het ontstaan van het recht op aftrek is een onmiddellijk gebruik voor belastbare handelingen echter niet vereist. Uit het onmiddellijke gebruik voor privédoeleinden of onbelastbare handelingen volgt daarom niet dat het goed of de dienst niet is aangeschaft als belastingplichtige.3 Het is immers mogelijk dat de belastingplichtige het voornemen heeft om het afgenomen goed of de afgenomen dienst na een initieel gebruik voor privédoeleinden of onbelastbare handelingen te gaan gebruiken voor belastbare handelingen.4 In dat geval dient aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden beoordeeld of de belastingplichtige de goederen of diensten als belastingplichtige heeft afgenomen.5 Zoals uit paragraaf 8.2.4.1.3.1 volgt, is hiervoor het finale causaliteitscriterium beslissend. Voor de vraag of aan dit criterium is voldaan, dient te worden nagegaan of uit objectieve gegevens blijkt dat het voornemen bestaat om een goed of dienst te gaan gebruiken voor belastbare handelingen. Bij deze objectieve gegevens kan blijkens de jurisprudentie van het Hof van Justitie gedacht worden aan:
de aard van het betrokken goed of de betrokken dienst;
het tijdsverloop dat is gelegen tussen de aanschaf en het daadwerkelijke gebruik voor de belastbare handelingen;
actieve stappen om het gebruik van een (onroerend) goed voor belastbare handelingen mogelijk te maken, bijvoorbeeld door de herinrichting van een gebouw of het aanvragen van benodigde vergunningen;
een registratie als belastingplichtige op het moment waarop het betrokken goed of de betrokken dienst is aangeschaft.6
Voorts kan gedacht worden aan:
de overeenkomst die ten grondslag ligt aan de belaste ingaande handeling;
de factuur voor de ingaande handeling7; en
de overeenkomst met een derde voor een (beoogde) uitgaande handeling.
Hoewel de beoordeling of aan de hoedanigheidsvoorwaarde is voldaan met name speelt indien een persoon niet alleen de pet van belastingplichtige, maar ook de pet van niet-belastingplichtige draagt, kan deze voorwaarde ook in andere situaties van belang zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin de ‘pet’ van niet-belastingplichtige is ingewisseld voor de ‘pet’ van belastingplichtige, zoals in de zaak Investrand8 het geval was, of indien de afgenomen goederen of diensten (ook) ten goede komen aan een andere persoon dan de belastingplichtige zelf, zoals in de zaken PPG9, Eon Aset Menidjmunt10, Wolfram Becker11, Iberdrola12, Mitteldeutsche Hartstein-Industrie13 en Vos Aannemingen14 het geval was. Daarnaast komt, zoals uit paragraaf 8.2.4.1.3.1 volgt, het finale causaliteitscriterium ook om de hoek kijken indien een belastingplichtige goederen of diensten aanschaft voor een handeling die op zichzelf genomen onbelastbaar is, maar deze handeling een middel is om te investeren in zijn economische activiteit(en).
Doet zich geen bijzonderheid voor die noopt tot de beantwoording van de vraag of de belastingplichtige als zodanig handelt, dan is het naar mijn mening zinledig om afzonderlijk te toetsen of aan de hoedanigheidsvoorwaarde is voldaan. Dit kan verklaren waarom het Hof van Justitie bij de beoordeling van het recht op btw-aftrek niet altijd aan het finale causaliteitscriterium toetst.15