Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/5.2.2
5.2.2 Conceptuele analyse
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS374074:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
CvB 8 september 1998, LJN:ZB7865, JB 1998/245, RAwb 1999/48 en RsV 1998/311.
De mogelijkheid tot vertegenwoording staat in beginsel los van het civiele recht De civielrechtelijke mogelijkheid van volmacht (ex art. 3:60 BW) als ook van zaakwaardneming (art. 6:198 BW) kunnen beide onder de vertegenwoordigingsbevoegdheid vallen. Kamerstukken II 2006/07, 30 577, nr. 7, p. 16.
Voor uitgebreide beschouwing over vertegenwoordiging, zie P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken, Fiscale rechtsbijstandverlening naar Nederlands recht (diss.), 2005.
Voor het begrip vertegenwoordiging sluit ik aan bij de definitie van A.R. Bloembergen, Vertegenwoordiging, 1986, p. 2. ‘Het verrichten van rechtshandelingen in naam van een ander door iemand die daartoe rechtens de bevoegdheid heeft (de vertegenwoordigingsbevoegdheid) met het gevolg dat de rechtsgevolgen niet voor de handelende (vertegenwoordiger, tussenpersoon), maar voor de ander (vertegenwoordigde, principaal) intreden.’
Een machtiging geeft de bevoegdheid om in naam van die ander een feitelijke handeling te verrichten. Een volmacht geeft de bevoegdheid een rechtshandeling te verrichten in naam van die ander. Deze laatste vorm is opgenomen in het BW (Titel 3, art. 3:60 – 3:79 BW). De volmacht is meestal schriftelijk (zie voor definitie, art. 3:50 BW). Via de schakelbepaling van art.3:79 BW is de vertegenwoording art. 2:1 lid 1 Awb van toepassing binnen het fiscale domein.
J. de Hullu, Materieel strafrecht, 2012, p. 80 e.v.
D.R. Doorenbos, Geen extensieve uitleg van bevoegdheden, Christels koers, Onderneming en recht, 2013/15.12.
Art. 41 lid 1 AWR (tot 1 januari 2007).
H.J. Hofstra, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, 1992, p. 188.
Wijzigingsplan ‘Paarse krokodil’, Kamerstukken II 2006/07, 30 577.
Kamerstukken II 2005/06, 30 577, nr. 3, p. 35; Kamerstukken II 2006/07, 30 577, nr. 7, p. 15-16.
Daarmee ontstaat voor de Belastingdienst en/of toezichthouder een risico van schending van de geheimhoudingsplicht (art. 67 AWR resp. 2:5 Awb) en voor persoonsgegevens van datalek (Een inbreuk op de beveiliging die per ongeluk of op onrechtmatige wijze leidt tot (…) ongeoorloofde verstrekking van of de onge oorloofde toegang tot doorgezonden, opgeslagen of anderszins verwerkte gegevens, art. 4 AVG).
PHR conclusie A-G Ilsink 14 februari 2003, LJN:AE9334.
Voor een uitgebreidere beschouwing, zie P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken, Fiscale monografieën nr. 116, 2005, p. 385-390.
Besluit fiscaal bestuursrecht van 15 februari 2015, BLKB2016/19, Stcrt. 2016, 9680, V-N 2016/18.8. onder 5; zie ook geactualiseerd Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 24 mei 2017, 2017-1209, Stcrt. 2017, 38270.
Algemene wet bestuursrecht, Tekst en commentaar, P.J.J. van Buuren en T.C. Borman (red.), 2011, p. 58.
S.C.W. Douma, R.J. Koopman, E.A.G. van der Ouderaa en J. Wortel, Algemene wet inzake rijksbelastingen, 2017, p. 93.
Het persoonlijk verschijnen kan bijvoorbeeld van belang zijn in het kader van een goede voorbereiding van een besluit zoals de waarneming van fysieke kenmerken bij een medische keuring. Kamerstukken II 1998/89, 21 221, nr. 4; zie ook CRvB, 8 september 1998, LJN:ZB7865, JB 1998/245, RAwb 1999/48 en RsV 1998/311 waarin bepaald werd dat zich bij een medische keuring omstandigheden kunnen voordoen waarin een deskundige, in het belang van het onderzoek, een betrokkene zelf en zo nodig buiten aanwezigheid van de bijstandsverlener moet kunnen onderzoeken.
Algemene wet inzake rijksbelastingen, 2 juli 1959, Stb. 1959, 301, Kamerstukken I 1954/55, 4080, nr. 3, p. 20–21; Kamerstukken I 1955/56, 4080, nr. 5, p. 1213.
De maatregel van omkering en verzwaring van de bewijslast in de bezwaar- en beroepsprocedure volgens art. 25 lid 3 AWR en 27 e AWR.
Art. 46 AWR bepaalt dat de fiscale bepalingen omtrent vertegenwoordiging (buiten rechte) niet van toepassing zijn voor de strafvordering. Het artikel is voor alle andere processen wel van toepassing.
De verschijningsplicht ex art. 41 AWR, de inlichtingenplicht ex art. 47 lid 1 letter a AWR en de mondelinge medewerkingsplicht ex art. 49 lid 1 AWR zijn drie zelfstandige verplichtingen. Tegen alle drie de verplichtingen kan, afzonderlijk, in bezwaar en beroep worden gekomen door tussenkomst van het nemen van een informatiebeschikking ex art. 52a AWR.
Onbeperkte bestuursrechtelijke vertegenwoording
Het aanwijzen van een belangenbehartiger houdt niet in dat het bestuursorgaan de betreffende persoon zelf niet meer kan oproepen. Dat contact moet dan echter wel in aanwezigheid van de belangenbehartiger plaatsvinden.1 Bij het laten ‘bijstaan’ door een raadsman of raadsvrouw moet de persoon (ook) zelf aanwezig zijn. De bevoegdheid van de burger zich te laten bijstaan door een ander impliceert het recht die ander het woord te laten voeren. Bij vertegenwoordiging hoeft de persoon daarentegen niet aanwezig te zijn dan wel alleen als waarnemer.2 Het verlenen van bijstand houdt overigens niet in dat de bijstandsverlener ook gemachtigde is.3 Bij vertegenwoordiging is dat wel het geval.4 De reikwijdte van de machtiging is overigens niet altijd van gelijke strekking.5
Het recht op vertegenwoordiging sluit daarentegen in beginsel een verschijningsplicht uit. Toch kan het noodzakelijk zijn om een persoon te laten verschijnen. Daarvoor moet er volgens de minister van Justitie een zelfstandige wettelijke verplichting bestaan.6 Op grond van het legaliteitsbeginsel kan die slechts bij formele wet worden toegekend.7 Het moet namelijk voorzienbaar zijn waar niet-nakoming strafbaar is: met andere woorden, waar de strafwet de grens trekt van de verplichte medewerking.8
Het vorderen van een dergelijke medewerking krachtens de algemene bevoegdheden is niet voldoende. De wetgever moet de verschijningsplicht expliciet hebben genoemd. Bij een gebrek aan een wettelijke verankering over de verschijningsplicht tegenover een toezichthouder, is dit niet het geval en kan geconcludeerd dat een dergelijk strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting non-existent is.9 Vanuit dat perspectief heeft de minister van Justitie het volgende aangegeven ‘Indien een persoonlijk optreden door het bestuur afgedwongen moet kunnen worden, in die zin dat het niet verschijnen leidt tot niet-ontvankelijkheid of tot een sanctie, zoals een boete of een strafkorting, zal de formele wetgever daarvoor een regeling dienen te treffen.’10 Bij het ontbreken van zo’n wettelijke bepaling is het – in beginsel – niet mogelijk om een persoonlijke verschijning af te dwingen. Bestuursrechtelijk is de vertegenwoordiging dan ook niet begrensd: binnen het fiscale domein ligt dat anders. Dat heeft een historische achtergrond.
De (van oorsprong) gevolmachtigde fiscale vertegenwoordiging
De fiscale vertegenwoordiging kent een langere geschiedenis dan die volgens de Awb. Vanaf het moment van de totstandkoming van de AWR, medio vorige eeuw, bestaat het wettelijke recht op fiscale vertegenwoordiging krachtens volmacht.11 De wetgever gaf de voorkeur aan een zelfstandig regeling boven een voortborduren op het civielrechtelijke patroon. De reden daarvoor was gelegen in ‘de overweging dat de laatstgenoemde methode niet dan door een ingewikkeld complex van uitzonderingen op- en afwijkingen van de burgerrechtelijke voorschriften uitvoerbaar is.’12 De civiele vertegenwoordigingsbepalingen zouden in essentie niet verschillen doch de wetgever hechtte er waarde aan om de fiscale vertegenwoordiging zo doelmatig mogelijk te laten zijn, en, voorzover het civiele recht toch een verhindering zou geven, die weg te nemen.13
De specifieke bepaling voor de fiscale vertegenwoordiging – het optreden van de fiscale gevolmachtigde – is op 1 januari 2007 uit de AWR verwijderd. De reden daarvoor was een vermindering van de administratieve lasten.14 Als toelichting op deze wijziging is alleen aangegeven dat bij de implementatie van de bepalingen in art. 2:1 Awb en die van de zaakwaarneming in het civiele recht, het artikel zijn waarde had verloren.15 Er is geen aandacht besteed aan de verschillen die verband houden met de nakomingsplicht (art. 41 tot en met 46 AWR). Die zijn blijven bestaan.
Het recht van fiscale vertegenwoordiging, waaronder ook zaakwaarneming (ex 6:198 BW) valt, sluit dan ook in beginsel aan op het algemene recht op bijstand en vertegenwoordiging. Een (veelal schriftelijke) volmacht is dan ook niet (meer) vereist. De Belastingdienst neemt daarbij aan dat degene die zich als vertegenwoordiger presenteert ook daartoe bevoegd is. Hij hoeft niet vooraf het bewijs te leveren van zijn vertegenwoordigingsbevoegd.16 Slechts bij twijfel vraagt de Belastingdienst om een bevestiging.17 Procedureel is er wat dat betreft geen onderscheid meer in de contacten met de inspecteur of de toezichthouder. Uiteraard kan de strekking van de machtiging anders luiden en zich beperken tot de inspecteur en/of een bepaalde toezichthouder.
Zaakwaarneming: een bijzondere vorm van vertegenwoordiging voor specifieke situatie
Ook de zaakwaarnemer kan als vertegenwoordiger optreden. Hij is slechts bevoegd in naam van die ander op te treden (en rechtshandelingen aan te gaan) indien en voorzover het belang van die ander naar behoren wordt behartigd (art. 6:201 BW).18 Wanneer een persoon als zaakwaarnemer tegenover meerdere partijen (de inspecteur en andere toezichthouder(s)) optreedt kunnen de belangen echter conflicteren. En dat kan tot gevolg hebben dat hij deels ten onrechte als zaakwaarnemer wordt gekwalificeerd.
Het uitsluiten van vertegenwoordiging
Een bestuursorgaan kan volgens de algemene uitsluitingsgrond een vertegenwoordiger weigeren (art. 2.2 lid 1 Awb).19 Dit ziet op gevallen van ‘evidente en ernstige ondeskundigheid’ en ‘gemachtigden die herhaaldelijk de normale gang van zaken, eventueel onder bedreiging van geweld, verstoren’.20 Dit dient met een schriftelijke in kennisstelling te gebeuren (art. 2:2 lid 2 Awb). Deze mogelijkheid geldt onverkort voor de Belastingdienst.21 In die situatie is vertegenwoordiging wel mogelijk door een ander.22 Er is derhalve sprake van een relatieve uitsluiting.
Het weigeren van een advocaat is daarentegen niet mogelijk (art. 2:2 lid 3 Awb). Ook de zaakwaarnemer is in beginsel niet te weigeren. Dat ligt anders als redelijkerwijs de belangen niet ‘naar behoren worden behartigd’.23 Bij conflicterende belangen kan daar sprake van zijn. Ook dat is relatief en situatie afhankelijk.
De wettelijke verschijningsplicht
In de Awb heeft de wetgever bewust voor gekozen om de verschijningsplicht niet op te nemen. De inperking van de bewegingsvrijheid geldt zoals gezegd alleen als een verschijning wettelijk kan worden gevorderd volgens bijzondere wetgeving.24 Een dergelijke inperking is met name terug te zien in de uitvoeringssfeer.25
In overeenstemming daarmee – het heffen en innen van belastingen vindt immers ook plaats in de uitvoeringssfeer – is er wel een wettelijke verschijningsplicht in de AWR. Het is een ‘vordering’ krachtens ‘wettelijk voorschrift’.26 Het gaat om een algemene regel voor het gehele fiscale proces van heffen van de belastingen en geldt dan ook voor de medewerking in het kader van het uitvoeringstoezicht (art. 41 AWR).
Een persoon die geen gehoor geeft aan de verplichting te verschijnen kan geconfronteerd worden met de zogenaamde maatregel van omkering van de bewijslast.27 Het niet voldoen aan de verschijningsplicht kan niet zelfstandig expliciet worden gekwalificeerd als fiscale overtreding (art. 68 AWR) of misdrijf (art. 69 AWR): daarvoor is het niet nakomen van andere verplichtingen zoals de inlichtingplicht vereist. Maar het is met de vorderingsmogelijkheid, wel een algemeen strafrechtelijk delict (art. 184 Sr).28 Dit sluit aan op het feit dat de verschijningsplicht uitzonderlijk is en slechts kan plaatsvinden in combinatie met andere verplichtingen, zoals de inlichtingenplicht. De memorie van toelichting merkt hier het volgende over op:
‘(…) de gehoudenheid tot persoonlijk optreden van het belastingsubject [kan] niet worden gemist. Om te voorkomen, dat nodeloos inbreuk wordt gemaakt op belangen van individuen zijn de afwijkingen (...) tot een minimum beperkt. Vooreerst kan het persoonlijk optreden slechts worden gevorderd met betrekking tot een verplichting. De vervolgens gestelde voorwaarde, dat een geldige reden aanwezig is, zal in die zin moeten worden verstaan, dat zich omstandigheden voordoen die de conclusie van de inspecteur rechtvaardigen, dat het belang van een juiste belastingheffing met persoonlijk handelen van het belastingsubject is gediend. Ten slotte kan persoonlijk optreden slechts worden gevorderd van hen die fysiek en geestelijk tot nakoming van de verplichting in staat zijn.’29
De Belastingdienst onderscheidt zich hiermee van andere bestuursorganen: een belastingplichtige kan zich namelijk niet te allen tijde fysiek door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. De inspecteur kan, op grond van de specifieke wettelijke bepaling, in het kader van andere verplichtingen, vorderen in persoon te verschijnen.30 Het enige wettelijke voorbehoud is dat de belastingplichtige wel fysiek of geestelijk in staat moet zijn om aan de verschijningsplicht te kunnen voldoen. Waar de grens ligt – en tevens de onderzoeksplicht – is niet op voorhand te bepalen. Ook die is situatieafhankelijk.