Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.6:14.6 Voorstellen tot verbetering samengevat
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.6
14.6 Voorstellen tot verbetering samengevat
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS450608:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wordt het bovenstaande samengevat, dan zouden mijns inziens idealiter de volgende aanvullingen en verbeteringen in het huidige aandelenregime met betrekking moeten worden aangebracht:
het kwantitatieve belang voor de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang dient te worden verhoogd van ten minste 5% naar ten minste 20% a 25%> van het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap;
ter regeling van de sfeerovergangen dient steeds de waarde in het economische verkeer van de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen als hetzij de tegenprestatie bij de verkrijging - bij binnenkomst in de aanmerkelijkbelangregeling - hetzij de tegenprestatie bij de vervreemding ^- bij het verlaten van de aanmerkelijkbelangregeling - in aanmerking te worden genomen. Hierdoor kan de bijzondere regeling van art. 20c, vijfde lid, Wet IB vervallen;
reguliere inkomsten uit schuldvorderingen die tot een aanmerkelijk belang behoren, dienen te worden overgebracht naar de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' (reguliere voordelen) onder gelijktijdige opneming van een met (zakelijke) borgtochtvergoedingen vergelijkbare uitzondering op het proportionele aanmerkelijkbelangtarief in art. 57a, derde lid, Wet IB;
met betrekking tot de aanmerkelijkbelangdefinitie:
de in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot dient niet langer te worden aangemerkt als aandeelhouder voor de aanmerkelijkbelangregeling;
de meetrekregeling van art. 20a, vierde lid, Wet IB en de afgeleid-aan-merkelijkbelangregeling van art. 20a, vijfde lid, Wet IB dient in navolging van het (tijdelijke) winstrecht te worden uitgebreid met het tijdelijke genotsrecht ex art. 25, vijftiende lid, onderdeel b, Wet IB;
het meetellen van een bezit van aandelen, winstbewijzen, schuldvorderingen of koopopties van de echtgenoot resp. geregistreerde partner dient te worden beperkt tot de echtgenoot resp. geregistreerde partner die niet duurzaam gescheiden leeft van de belastingplichtige;
de gelijkstelling van de duurzaam samenwonende ongehuwde partner met de echtgenoot dient niet alleen te gelden voor de duurzaam samenwonende ongehuwde partner zelf, maar tevens voor de bloedverwanten in de rechte lijn van deze duurzaam samenwonende ongehuwde partner;
aan art. 20a, derde lid, Wet IB dient een zelfstandig bezit van koopopties om niet-tijdelijke winstbewijzen te verwerven die recht geven op ten minste 5% van de jaarwinst dan wel op ten minste 5% van hetgeen bij liquidatie wordt uitgekeerd, te worden toegevoegd;
met betrekking tot het object van de aanmerkelijkbelangheffing:
in de categorie reguliere voordelen:
meegekocht dividend behoort als (gedeeltelijke) teruggaaf van hetgeen voor de verkrijging van de aandelen of winstbewijzen is opgeofferd, onbelast te blijven onder gelijktijdige vermindering van de verkrijgingsprijs;
winstbonusaandelen dienen niet langer voor de nominale waarde op het moment van uitreiking in de aanmerkelijkbelangheffing te worden betrokken doch het regime voor de agiobonusaandelen dient te worden uitgebreid met de winstbonusaandelen;
art. 44 Wet IB behoort buiten toepassing te blijven;
aan art. 20a, eerste lid, onderdeel a, dient de bepaling dat art. 34 Wet IB van overeenkomstige toepassing is, te worden toegevoegd;
in art. 20b, eerste lid, onderdeel e, Wet IB dient mede te worden verwezen naar de defiscaliseringsregelingen van art. 25, zestiende lid, Wet IB voor krachtens erfrecht of in het kader van de verdeling van een huwelijksgemeenschap gevestigde of toegescheiden tijdelijke genotsrechten op aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen;
in de categorie vervreemdingsvoordelen:
de objectieve interpretatie van het vervreemdingsbegrip van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB dient te worden verlaten en te worden vervangen door het subjectieve verveemdingsbegrip uit de jurisprudentie van de Hoge Raad;
het bij (eerste) nota van wijziging ingevoerde art. 20c, vierde lid, tweede volzin, Wet IB dient te vervallen;
met betrekking tot het verlies uit aanmerkelijk belang:
het verlies uit aanmerkelijk belang dient deel uit te maken van het onzuivere inkomen en niet via de techniek van de belastingverrekening te worden verwerkt. Hierdoor kunnen de noodzakelijke bepalingen van art. 46, zestiende lid, Wet IB en 47, derde lid, derde volzin, Wet IB vervallen;
de voorwaartse verliesverrekeningstermijn dient te worden opgerekt tot onbeperkt;
bij handhaving van de huidige belastingverrekeningsregeling dient de belastingverrekening pas tegen het 25%-tarief te geschieden als de tweede tariefschijf is overschreden;
met betrekking tot het tijdstip van belastingheffing ter zake van vervreemdingsvoordelen dient de overschotmethode integraal te worden gevolgd als de overdrachtsprijs bij vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen, -winstbewijzen of-schuldvorderingen bestaat uit één of meer termijnen waarvan het aantal of de omvang ten tijde van de vervreemding nog niet vaststaat (winstrecht);
met betrekking tot het tarief:
het aanmerkelijkbelangtarief is slechts een reken technische grootheid om het vennootschapsbelastingtarief aan te vullen tot het inkomstenbelastingtarief. Gegeven de huidige tariefstellingen dient het proportionele aanmerkelijkbelangtarief van 25%> te worden verhoogd tot 38,45%^. (afgerond);
de op de reguliere voordelen drukkende aftrekbare kosten behoren tegen het normale tabeltarief van maximaal 60%> in aanmerking te worden genomen;
Het regime van de huidige bron 'inkomsten uit vermogen' laat ik ongewijzigd, omdat ik van mening ben dat de huidige aanmerkelijkbelangregeling primair het karakter draagt van een quasi-ondernemerschapschapsregeling in plaats van een additionele heffing ter aanvulling op de vennootschapsbelasting. Wel dient art. 25, achtste lid. Wet IB te worden aangevuld met een sfeerovergangsbepaling voor de overgang van de (tijdelijke en niet-tijdelijke) winstbewijzen naar de aanmerkelijkbelangsfeer.