Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/2.1.2.c
2.1.2.c De meestbegunstigingsclausule
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS465277:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Darras 1887, p. 555 e.v.; Bastide 1890, p. 103-104; Bureau de 1'Union, DdA 1895, p. 162 r.k.; Ladas 1938, p. 66.
Art. 12 lid 5 van het verdrag tussen Nederlands-Belgische verdrag van 30 augustus 1858, zie noot 85 van hoofdstuk 1.
Een voorbeeld: het zojuist genoemde verdrag tussen Nederland en België van 1858 heeft alleen betrekking op werken van wetenschap en letterkunde, maar niet op werken van kunst. Stel dat Nederland vervolgens met Spanje een bilateraal verdrag sluit, dat wél betrekking heeft op werken van kunst. Dat verdrag is eveneens gebaseerd op het beginsel van nationale behandeling, en maakt daarop de bekende ruime relatieve materiële-reciprociteitsuitzondering. Een Belgische kunstenaar, wiens in België ontsprongen werk in Nederland niet wordt beschermd, beroept zich nu op de meestbegunstigingsclausule in art. 12 lid 5 van het Nederlands-Belgische verdrag en verlangt dezelfde rechten als een Spaanse kunstenaar in Nederland krijgt. Wat krijgt hij nu? Om dat te achterhalen moet men eerst de Nederlandse wet toepassen, en vervolgens moet men de Spaanse wet — de derdelands wet — consulteren om het resultaat onder de Nederlandse wet daarmee te vergelijken en mogelijk bij te stellen. Voor zover de Spaanse wet een royalere bescherming voor werken van kunst kent dan de Nederlandse wet, wordt dit resultaat niet bijgesteld. Voor zover de Spaanse wet echter een poverder bescherming voor werken van kunst kent dan de Nederlandse wet, wordt de bescherming van de Nederlandse wet voor de Belg ingekrompen tot het povere Spaanse niveau. Dit alles kan overigens nog weer veranderen naar aanleiding van de situatie in België, want art. 12 lid 5 stelt nog de extra voorwaarde dat Nederlandse kunstenaars in België (tenminste) dezelfde bescherming krijgen. Men ziet, het is een spiegelpaleis.
Darras 1887, p. 556. Vgl. ook Bastide 1890, p. 104; Ladas 1938, p. 173 e.v.; Drexl 1990, p. 21-22. Majoros 1971, p. 87 e.v. staat welwillend tegenover de meestbegunstigingsclausule in de auteursrechtelijke context.
Toen het web van bilaterale verdragen geleidelijk werd vervangen door de Berner Conventie stierf de meestbegunstigingsclausule in het internationale auteursrecht uit. In 1994 dook zij niettemin weer op, namelijk in de TRIPs-Overeenkomst (art. 4); zie alinea 14 hiervoor. In de memorie van toelichting bij de desbetreffende goedkeuringswet wordt — ten onrechte — vermeld dat de meestbegunstigingsclausule nieuw is in intellectuele-eigendomsverdragen (Kamerstukken II 1994/95, 23 961 (R1525), nr. 3, p. 75).
154. Meestbegunstigingsclausule. Behalve deze twee lex originis-uitzonderingen, was er nog een derde uitzondering op het beginsel van nationale behandeling in omloop: de meestbegunstigingsclausule. Deze clausule, die overigens aanzienlijk minder frequent werd gebruikt dan de twee lex originis-uitzonderingen, was ontleend aan de handelsverdragen waar de auteursrechtelijke regelingen vaak waren bijgevoegd. Zij vormde, evenals de materiële-reciprociteitsuitzondering, een uitzondering op de vreemdelingenrechtelijke component van het beginsel van nationale behandeling. De meestbegunstigingsclausule komt er kort gezegd op neer dat werken of auteurs uit het ene verdragsland, die in het andere verdragsland krachtens het verdrag een bepaalde auteursrechtelijke bescherming genieten, aanspraak kunnen maken op de betere bescherming die het andere verdragsland toekent aan werken of auteurs uit een derde land.1 Zo werd in het Nederlands-Belgische verdrag van 1858 bijvoorbeeld bepaald:
"Wanneer, in het vervolg, de Regering der Nederlanden aan eene andere mogendheid, in zake van letterkundigen of kunsteigendom, meer uitgebreide regten van welken aard ook mogt toekennen, dan bij de tegenwoordige overeenkomst bedongen zijn, zouden de Belgische schrijvers of kunstenaars, door die omstandigheid zelve, en alleen onder voorwaarde eener volkomene wederkeerigheid voor de Nederlandsche schrijvers of kunstenaars, dezelfde regten erlangen." 2
155. De meestbegunstigingsclausule dwingt daarmee tot een onderzoek naar de bescherming van werken of auteurs uit derde landen, en daarmee tot een vergelijking van alle verdragen met derde landen, hetgeen kan leiden tot een vergelijking van de rechtsstelsels van deze landen. Zo verzeilt men in een spiegelpaleis.3 Ook deze uitzondering bleek een bron van complicaties. "Cette clause entraine dans la pratique des complications sans nombre", verzuchtte Darras in 1887.4
156. De meestbegunstigingsclausule laten wij verder buiten beschouwing. Zij vormde een complicerende uitzondering op het beginsel van nationale behandeling — en droeg aldus bij aan de problemen in het web van de bilaterale verdragen waarop de Berner Conventie het antwoord vormde —, maar zij is verder niet van belang geweest voor de ontwikkeling van het Berner beginsel van nationale behandeling.5 Dat geldt wel voor de twee lex originis-uitzonderingen. Daarom zullen wij ons verder op deze uitzonderingen concentreren.