Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.3.9:9.3.9 Verloop homologatiezitting
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.3.9
9.3.9 Verloop homologatiezitting
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192776:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 152 lid 1 en 271 lid 2 Fw. Op grond van die bepalingen mag elke schuldeiser tijdens de homologatiezitting uiteenzetten waarom hij homologatie wenselijk acht of juist meent dat homologatie moet worden geweigerd. Zij kunnen dat schriftelijk of mondeling doen, zo volgt uit Van der Feltz II, p. 174.
Dit blijkt niet met zoveel woorden uit de toelichting.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
497. Alvorens een beslissing op het homologatieverzoek te nemen, stelt de rechtbank de schuldenaar, een eventuele herstructureringsdeskundige of observator en de stemgerechtigde schuldeisers die een verzoek tot weigering van de homologatie indienden in de gelegenheid om hun zienswijze te geven op een door de rechtbank nader te bepalen wijze.1 Naar verwachting zullen zij – omdat zij reeds schriftelijk hun opvattingen uiteen hebben gezet – de gelegenheid krijgen om hun bezwaren nader toe te lichten tijdens de homologatiezitting.2
Hoewel de wetgever naar ik aanneem3 het homologatieproces heeft willen stroomlijnen door het recht op het geven van een zienswijze te beperken tot diegenen die een verzoek tot afwijzing van de homologatie indienden, is art. 384 lid 7 Fw niet prohibitief geformuleerd. De tekst staat er op zichzelf niet aan in de weg dat de rechter stemgerechtigde schuldeisers die wel aanwezig zijn op de homologatiezitting (omdat zij immers daarvan in kennis zijn gesteld door de schuldenaar), maar géén verzoekschrift tot weigering van de homologatie hebben ingediend, toch de kans geeft het woord te voeren op de homologatiezitting. Dat zou aansluiten bij de gang van zaken tijdens een homologatiezitting ter zake van een surseance- en faillissementsakkoord. Op grond van art. 152 lid 1 en 271 lid 2 Fw kan namelijk iedere schuldeiser “de grond uiteenzetten, waarop hij de homologatie wenst of haar bestrijdt”.