Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.2.3:6.2.3 ‘Uiteindelijk gerechtigde’ tot dividenden
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.2.3
6.2.3 ‘Uiteindelijk gerechtigde’ tot dividenden
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611417:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het begrip ‘uiteindelijk gerechtigde’ speelt een rol in het internationaal belastingrecht, en met name bij de verdeling van de heffingsbevoegdheid met betrekking tot dividenden. Op basis van art. 10 lid 1 OESO (NSV) mag dividend worden belast in de woonstaat van de genieter. Volgens het tweede lid heeft de staat waar de uitkerende vennootschap is gevestigd een beperkt heffingsrecht. Die beperking geldt echter alleen indien de ‘uiteindelijk gerechtigde’ tot het dividend in de andere verdragsluitende staat woont. In dit verband is het begrip ‘uiteindelijk gerechtigde’ niet gedefinieerd. Wel is in het commentaar op het OESO-modelverdrag vermeld dat de bronstaat geen belastingvermindering of -vrijstelling hoeft te verlenen aan iemand die slechts als ‘doorgeefluik’ fungeert voor degene die in feite het voordeel van het dividend ontvangt. In dit verband kunnen ‘doorstroomvennootschappen’ in principe niet als ‘uiteindelijk gerechtigde’ worden beschouwd, zo vermeldt het commentaar.
In het Nederlandse belastingrecht wordt het begrip ‘uiteindelijk gerechtigde’ op verschillende plaatsen gehanteerd, bijvoorbeeld in art. 9.2 lid 2 Wet IB 2001. Op basis hiervan wordt ingehouden dividendbelasting niet als voorheffing op de inkomstenbelasting beschouwd, indien de belastingplichtige ten laste van wie de belasting is ingehouden niet de ‘uiteindelijk gerechtigde’ is. Deze maatregel is gericht op het tegengaan van ‘dividendstripping’. Na HR 6 april 1994, nr. 28 638, BNB 1994/217, en HR 21 februari 2001, nr. 35 415, BNB 2001/196, zouden dit soort transacties namelijk een grote vlucht hebben kunnen nemen, zo merken Kavelaars, De Graaf en Stevens (2007) op.
Overigens hangt de bepaling van art. 9.2 lid 2 Wet IB 2001 samen met een aantal andere antiontgaansbepalingen gericht op dividendstripping, zoals art. 25 lid 2 Wet VPB 1969, art. 4, lid 3 en 7 Wet DB 1965 en art. 16 BvdB 2001.