De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.3.1.2:4.3.1.2 De NV en de BV met een notering aan een gereglementeerde markt
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.3.1.2
4.3.1.2 De NV en de BV met een notering aan een gereglementeerde markt
Documentgegevens:
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649956:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 25 november 2019 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 6 november 2019 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet op het financieel toezicht en de Wet giraal effectenverkeer ter uitvoering van Richtlijn 2017/828/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft (PbEU 2017, L 132) (Stb. 2019, 423).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de NV waarvan (certificaten van) aandelen zijn genoteerd aan een gereglementeerde markt, wordt de agenderingsregeling gevormd door art. 2:114a BW, art. 2:114b BW, bpb 4.1.6, bpb. 4.1.7 NCGC en art. 49c Wge. Als de NV Nederland als lidstaat van herkomst heeft, is ook art. 5:25k bis Wft op de NV van toepassing (zie art. 5:25j lid 1 Wft).
Bij de BV waarvan (certificaten van) aandelen zijn genoteerd aan een gereglementeerde markt, geldt op grond van art. 2:187 BW dat in plaats van art. 2:224a lid 1 BW, art. 2:114a lid 1 BW van toepassing is. Art. 2:224a lid 2 en lid 3 BW worden niet vervangen voor art. 2:114a lid 2 en lid 3 BW. De reden is dat de BV geen houders van met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen kent (vergelijk art. 2:114a lid 2 BW met art. 2:224a lid 2 BW), en dat in art. 2:114a lid 3 BW exact hetzelfde is geregeld als in art. 2:224a lid 3 BW.
Voorts wordt in art. 2:187 BW de wettelijke bedenktijd van art. 2:114b BW van overeenkomstige toepassing verklaard. Bpb 4.1.6 en bpb 4.1.7 NCGC zijn eveneens van toepassing (zie de reikwijdte van de NCGC, onder (i)).
Ik merk hierbij op dat naar de letter van de NCGC bij de BV die onder het toepassingsbereik van de NCGC valt, de responstijd niet kan worden ingeroepen als reactie op een voornemen tot het indienen van een convocatieverzoek. Art. 2:187 BW verklaart namelijk niet art. 2:110 BW i.p.v. art. 2:220 BW van toepassing op de BV met een notering aan een gereglementeerde markt. Blijkens bpb 4.1.6. NCGC geldt de mogelijkheid van het inroepen van de responstijd “ook voor een voornemen als hiervoor bedoeld dat strekt tot rechterlijke machtiging voor het bijeenroepen van een algemene vergadering op grond van artikel 2:110 BW”, en dus niet voor een voornemen tot het doen van een verzoek ex art. 2:220 BW. Het moet evenwel worden aangenomen dat bij de BV die onder het toepassingsbereik van de NCGC valt de responstijd kan worden ingeroepen als reactie op een dergelijk verzoek. Dat de wettelijke grondslag van het verzoek art. 2:220 BW is, en niet art. 2:110 BW, doet mijns inziens niet ter zake. Overigens meen ik dat het beter zou zijn als in de wet wordt bepaald dat op de BV met een notering aan een gereglementeerde markt art. 2:110 en art. 2:111 BW in plaats van art. 2:220 en art. 2:221 BW van toepassing zijn. Zie hierover verder par. 5.5.2.3.
Per 3 september 2020 is de definitie van ‘uitgevende instelling’ in art. 49a, sub d Wge aangepast.1 Thans valt ook de BV waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt onder de definitie. Dit brengt met zich dat art. 49c Wge, waarin het recht op informatieverspreiding is geregeld, toepassing vindt. Tot slot geldt art. 5:25k bis Wft indien Nederland de lidstaat van herkomst van de BV is (zie art. 5:25j lid 1 Wft).