Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/VIII.2.1
VIII.2.1 Juan Alvarez y Alva de Toledo (1551-1557)
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS382951:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
G. van Gulik, C. Eubel en L. Schmitz-Kallenberg, Hierarchia catholica medii et recentioris aevi, Münster 19232, III, 178.
In het Vaticaan wordt zijn missaal nog bewaard onder Vat. Lat. 3805: J. Plotzek, Biblioteca Apostolica Vaticana: Liturgie und Andacht im Mittelalter, Stuttgart 1992, nr. 87, 406- 409 (M. Evans).
R. Hernández, Alvarez de Toledo, Juan OP, in: DHEE, I, 56 geeft een andere volgorde van de titelkerken.
G. van Gulik, C. Eubel en L. Schmitz-Kallenberg, Hierarchia catholica medii et recentioris aevi, Münster 19232, III, 173.
CDP, I, 165. Opgemerkt zij dat de uitgever Gaspar Avalos de la Cueva vermeldt als aartsbisschop-kardinaal van Compostella, maar deze overleed op 2 november 1545 en werd opgevolgd door Pedro Manuel.
In april 1542 werd Innocenzo Cibo als kardinaal-protector van het Heilige Roomse Rijk aangesteld. Hij overleed op 14 april 1550: F. Petrucci, in DBI 25 (1981) 254.
L. Lukács, Monumenta paedagogica Societatis Jesu, Romae 1965, I (vol. 92), 42813 en 4331.
A. Steinhuber, Geschichte des Kollegium Germanicum Hungaricum in Rom, Freiburg im Breisgau 19062, I, 6, 10-12.
Luikse informatie was daarbij van groot belang: books.openedition.org/pulg/1197, nr. XV (1545).
Na de oplossing van problemen in ‘Germania inferior’ was er in het voorstel van Sonnius ook een luik voor ‘Germania superior’ voorzien.
CT, XIII, 305.
Juan werd op 15 juli 1488 geboren en was een neef van de hertog van Alva. Hij trad op 11 april 1507 in de orde van de Dominicanen (klooster van San Esteban te Salamanca). Hij studeerde aan het college San Gregorio in Valladolid en vervolgde zijn studies in Parijs. Hij werd lector in de ‘Sententiae’ aan het kapittel van Genua, later hoogleraar in Salamanca. Op 31 augustus 1523 werd hij bisschop van Cordoba1 en van Burgos (1537), tot hij in het consistorie van 20 december 1538 kardinaal-diaken werd met als titelkerk Santa Maria in Porticu.
Vanaf het jaar 1540 verbleef hij in Rome en oefende hij grote invloed uit op de gang van zaken in politieke en godsdienstige onderwerpen.2 Op 6 juli 1541 werd zijn titelkerk San Sisto. Hij werd kardinaal-priester van San Clemente op 24 januari 1547.3 In het conclaaf van 1549/1550 was hij aanwezig als de eerste kandidaat van Karel V om paus te worden, toen Julius III paus werd met de hulp van de Franse koning Hendrik II.
Op 28 februari 1550 werd zijn titelkerk San Pancrazio. Op 27 juni 1550 werd hij aartsbisschop van Compostella. Karel V had toen gebruik gemaakt van zijn ‘ius praesentationis’,4 maar de aartsbisschop resigneerde al op 4 december 1551. Vervolgens kreeg hij als kardinaal-priester op 20 november 1553 de titelkerk van Santa Maria in Trastevere. Een maand later werd hij kardinaal-bisschop van Albano om op 29 mei 1555 te kiezen voor Frascati (zijn laatste titelkerk) buiten Rome. In datzelfde jaar nam hij voor het laatst ook deel aan twee conclaven. In de archiefstukken werd hij nog aartsbisschop van Santiago (Sancti Jacobi) genoemd, ook nadat hij definitief zijn verblijf in Rome had genomen. Deze laatste omstandigheid gaf aanleiding tot misverstanden. In Rome verbleef hij tot zijn dood op 15 september 1557.5 Slechts in de laatste momenten van zijn leven had hij aldus zijn residentieplicht als kardinaal vervuld.
Wellicht is hij in de periode van zijn verblijf in Rome aangesteld als kardinaal- protector voor het Heilige Roomse Rijk en de Nederlanden. Het was toch de plicht van een kardinaal om de paus van advies te dienen. Waar kon hij dit beter doen dan in Rome? Het was anderzijds de plicht van een kardinaal- protector om zijn land of zijn orde of gemeenschap te vertegenwoordigen bij de H. Stoel. Aangezien Filips II de taak van deze protector splitste, heeft Karel V hem wellicht in een dubbelfunctie aangesteld.6
De belangrijkste activiteit, waarbij hij eerst als kardinaal-protector werd vermeld, was van een andere orde: de stichting van het Collegium Germanicum, waarvan Ignatius van Loyola de voortrekker is geweest samen met de kardinalen Giovanni Morone en Marcello Cervini. Paus Julius III gaf de stichtingsbrief ‘Dum solicita’ uit op 31 augustus 1552, maar die werd pas in 1553 bekend. Daardoor zouden jonge krachten worden ingezet als ‘athleten van het geloof’ om de kerkelijke situatie in het Heilige Roomse Rijk recht te zetten.
Op voorstel van Sint-Ignatius zelf waren Giovanni Morone, Marcello Cervini en Juan Alvarez als kardinalen-protectoren aangesteld, terwijl de paus er drie andere aanstelde. Van zijn kant zou Juan Alvarez zich inzetten om in Firenze, Napels en Compostela de uitbreiding van de instituten te bevorderen.7 Op een eerste lijst van contribuanten kwam ‘Sancti Jacobi’ voor met een bedrag van 100 dukaten, terwijl het eerste totaalbedrag 3.565 dukaten voorstelde. Later was Juan Alvarez enigszins nalatig in de betalingen, zodat men uit zijn erfenis moest bijpassen.8
Ondanks het feit dat een commissiebrief nog niet gevonden is, toch blijft de vertegenwoordiging van twee gebieden, die op het dynastieke vlak en op het vlak van de publieke instellingen afstand aan het nemen waren, vreemd, omdat met het verdrag van Augsburg de band tussen de Nederlanden en het Heilige Roomse Rijk tot een minimum werd beperkt en de verhouding tussen Karel V, Filips II en Ferdinand nog moest uitgeklaard worden. Op het vlak van de relaties met de Heilige Stoel bleef in deze zin onder Karel V de band tussen ‘Germania superior’ en ‘Germania inferior’ nog bewaard.
Karel V had vanuit de Nederlanden voor de afzetting van de Keulse aartsbisschop, Hermann von Wied, gezorgd.9 Op het militaire vlak was het contingent uit de Nederlanden afkomstige militairen bij de slag van Mühlberg in 1547 bijzonder belangrijk geweest. Bij de keuze van de steden, die kandidaat waren om het oecumenisch concilie te herbergen schoof Karel V de rijksstad Kamerijk naar voren, zodat de verbinding van de Nederlanden met het Heilige Roomse Rijk werd aangehaald. In godsdienstige zin bestond er een geloofsijver, die over de grenzen ging, zoals bleek uit de oprichting van het Collegium Germanicum. Hierin waren vertegenwoordigers van de Nederlanden opgenomen. De enge band bleek ook bij de voorstellen van Sonnius, die in 1557 van oordeel was dat de operatie van de nieuwe bisdommen in de Nederlanden niet een hersteloperatie in het Heilige Roomse Rijk moest uitsluiten.10
Tijdens de tweede periode van het Concilie van Trente gaf Juan commentaar op het nooit gepubliceerde project van Julius III, genaamd naar de eerste letters van dat project ‘Varietates temporum’. Hij was van mening dat de kardinalen in de pauselijke Curie niet de procureurs waren van hun koningen en dat ze ook niet moesten optreden als hun ambassadeurs. Hun taak was het om ‘beschermer’ te zijn. Overige taken moesten zij doorspelen naar ambassadeurs, want kardinalen moesten vrij zijn bij het geven van hun stem.11
Juan Alvarez y Alva de Toledo nam in 1555 deel aan het conclaaf, dat Gian Pietro Carafa tot Paulus IV koos. Hij werd zijn biechtvader en deze paus realiseerde door de bul van 12 mei 1559 de start van de uitvoering van de nieuwe bisdommen voor de Nederlanden, maar men mag aannemen dat Juan ondertussen meer met het project van de nieuwe bisdommen te maken had gehad. Eind 1559 zou Pius IV als opvolger van Paulus IV worden verkozen; zijn intronisatie volgde op 6 januari 1560.