Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.3.7.c
6.3.7.c Analoge toepassing van art. 6:142 BW
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250355:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Faber 2005, p. 282, Rongen 2012, p. 1290-1291 en Messelink & Van den Bosch 2017, p. 138. Zie ook Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020/214. Anders: Verdaas 2008, p. 291.
Faber 2005, p. 282, Rongen 2012, p. 1290-1291 en Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020/214.
Rongen 2012, p. 1302. Evenzo De Neve 2002, p. 240, die de 403-vordering echter duidt als een nevenrecht dat een afhankelijk recht is. Ik heb eerder de duiding van de 403-vordering als een nevenrecht afgewezen omdat de vordering op de 403-maatschappij niet kwalificeert als hoofdvordering (zie § 6.2.3). Anders: Verdaas 2008, p. 307, die opmerkt dat de houder van een pandrecht op een vordering op een 403-maatschappij niet de crediteur is van de desbetreffende vordering. Volgens hem kan de pandhouder daarom de vordering op de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring niet innen. Zie ook Berk 2007, p. 17, die ten onrechte opmerkt dat de Hoge Raad in HR 28 juni 2002, JOR 2002/136 (Akzo/ING) de 403-vordering duidt als een nevenrecht (zie § 6.3.7.c). Hij vervolgt dat uit dit arrest zou blijken dat de vestiging van een pandrecht op een vordering op de 403-maatschappij niet meebrengt dat de pandhouder ook een pandrecht op de 403-vordering krijgt.
Zie § 6.3.6.c.
Zie Van Dooren 2015, p. 383, waar ik nog het standpunt verdedigde dat de crediteur de 403-vordering onafhankelijk van de vordering op de 403-maatschappij kan verpanden, omdat art. 6:142 BW niet – krachtens analoge toepassing van de schakelbepaling ex art. 3:98 BW of anderszins – op de verpanding van het nevenrecht zelf van toepassing is en op dit punt daarom de rechtsgevolgen overeenkomstig de duiding van de 403-vordering als hoofdelijke vordering zouden gelden. Zie ook E.C.A. Nass 2019, p. 219.
Zie § 6.2.3.
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136, m.nt. Bartman (Akzo/ING), r.o. 3.5.3. Zie § 8.7.3.
Bartman in zijn annotatie onder HR 28 juni 2002, JOR 2002/136 (Akzo/ING) en Loesberg in zijn annotatie onder Rb. Rotterdam 30 september 2014, JOR 2014/326 (Pergen/Eneco).
Een meerderheidsstandpunt in de literatuur is dat het vestigen van een pandrecht op een vordering met zich brengt dat de pandhouder tevens een pandrecht krijgt op de aan die vordering verbonden nevenrechten.1 Ter onderbouwing van dit standpunt wordt gewezen op art. 3:98 BW. Op grond van deze bepaling is de tweede afdeling van titel 4 van Boek 3 BW met betrekking tot de overdracht van goederen van overeenkomstige toepassing op – onder meer – de vestiging van een beperkt recht op een goed. Onder meer Faber en Rongen betogen dat de nauwe band tussen een hoofdvordering en een daaraan verbonden nevenrecht met zich brengt dat de schakelbepaling ex art. 3:98 BW analoog van toepassing is op art. 6:142 BW.2 Hierdoor geldt art. 6:142 BW niet alleen als een vordering overgaat, maar ook bij de vestiging van een beperkt recht op de vordering. Als een vordering wordt verpand, krijgt de pandhouder dus tevens een pandrecht op de aan die vordering verbonden nevenrechten.
In het geval dat art. 6:142 BW analoog van toepassing is ten aanzien van de 403-vordering, leidt bovenstaande ertoe dat als de vordering op de 403-maatschappij wordt verpand de pandhouder ook een pandrecht krijgt op de 403-vordering.3
Ik heb eerder opgemerkt dat de analoge toepassing van art. 6:142 BW ten aanzien van de 403-vordering mijns inziens meebrengt dat deze vordering naar zijn aard niet zelfstandig overdraagbaar is.4 Op grond van art. 3:228 BW kan deze vordering daarom ook niet zelfstandig worden verpand.5
Tot slot wijs ik naar aanleiding van bovenstaande opmerkingen nog op de Akzo/ING-beschikking van de Hoge Raad. Ik heb eerder opgemerkt6 dat uit deze beschikking kan worden afgeleid dat de Hoge Raad art. 6:142 BW niet analoog toepast ten aanzien van de 403-vordering. Kort gezegd heeft de beschikking betrekking op een crediteur die een pandrecht heeft gevestigd op zijn vordering op de 403-maatschappij. Als de moedermaatschappij vervolgens de overblijvende aansprakelijkheid na de intrekking van de 403-verklaring wil beëindigen, wil de pandhouder hiertegen in verzet komen. De Hoge Raad oordeelt echter dat de houder van het pandrecht op de vordering van de crediteur op de 403-maatschappij, geen verzet kan instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.7 Indien de Hoge Raad art. 6:142 BW analoog van toepassing zou hebben geacht ten aanzien van de 403-vordering, zou de pandhouder tevens een pandrecht hebben gehad op de 403-vordering. Hij zou dan op grond van art. 3:245 BW ter bescherming van de aan hem verpande vordering in verzet hebben kunnen komen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.8