Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/8.3.1:8.3.1 Pandrecht op roerende zaken
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/8.3.1
8.3.1 Pandrecht op roerende zaken
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264499:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht van pandgebruik op roerende zaken kon, zoals gezegd, slechts ontstaan op grond van een partij-afspraak. Aan zo’n afspraak kwam geen goederenrechtelijke werking toe. De invulling van een afspraak van pandgebruik stond dus volledig vrij aan partijen. Buiten de gemaakte partij-afspraken had de zekerheidsgerechtigde geen bevoegdheden om het onderpand te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. De misbruikbepaling van art. 1205 OBW stond er immers aan in de weg dat de pandhouder op enigerlei wijze van het onderpand gebruik maakte. Bovendien ontbrak in de wet een grondslag voor eigendomsverkrijging van de vruchten van roerende zaken door de pandhouder. De inhoud van een recht van pandgebruik op roerende zaken hing daarmee volledig af van wat partijen hadden afgesproken.
Een voorbeeld van een afspraak over pandgebruik van roerende zaken is te vinden bij Diephuis.1 Bij gebreke van een afspraak kwamen de natuurlijke vruchten van het onderpand niet toe aan de pandhouder; wel kwam op deze vruchten een pandrecht te rusten.2 Op grond van een daartoe strekkende afspraak konden de vruchten aan de pandhouder worden “toegekend”. De pandhouder was dan gerechtigd tot de vruchten, onder de verplichting hun waarde in mindering te brengen op de gesecureerde vordering.3 Kennelijk verkreeg de pandhouder volgens Diephuis op deze wijze de eigendom van de vruchten.