Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/3.3.2.1
3.3.2.1 Ondernemingsraad DA Retailgroep c.s./DA Retailgroep c.s.
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS619270:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 176 lid 1 Fw luidt als volgt: “De goederen worden in het openbaar of met toestemming van de rechter-commissaris onderhands verkocht.” Toestemming van de rechter-commissaris is niet vereist voor het voeren van de onderhandelingen, maar uitsluitend voor het aangaan van de overeenkomst, die echter wel onder voorwaarde van verkrijging van de vereiste toestemming kan worden gesloten (zie: HR 7 september 2001, NJ 2001/562,JOR 2001/224 (Mayr-Melnhof/Spliet q.q.)).
Zie o.a. HR 21 januari 1910, W 8970 (Stroeve/Gonsalves q.q.), HR 19 april 1996,NJ 1996/727 m.nt. Kleijn (Maclou & Provost) en HR 19 december 2003, JOR 2004/61 m.nt. J.J. van Hees (Mobell/Interplan).
R.o. 3.3.4, HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:982.
Vgl. J.J.M. van Mierlo, ‘Ondernemingsraad en insolventie: licht in de duisternis’, FIP 2017/278, § 3 (“Een tweede aspect betreft het onderscheid dat de Hoge Raad maakt tussen de, wat ik zou willen noemen, zuivere liquidatie enerzijds en de voortzetting of doorstart anderzijds.”).
S.C.J.J. Kortmann, ‘De Curator, de bewindvoerder en de organen van de vennootschap en onderneming,’ in Het Faillissement in de tijd van Molengraaff en nu, Preadvies van de Vereeniging Handelsrecht 1993, p. 105 en de aldaar in voetnoot 13 opgenomen bronnen. Zie ook p. 106, waar wordt weergegeven dat alleen zaken en vermogensrechten onder het faillissementsbeslag vallen – en dus niet familierechtelijke of rechtspersoonlijke rechten.
Noot P.R.W. Schaink onder conclusie A-G bij HvJ EU C-126/16 d.d. 29 maart 2017, JOR 2017/184, § 7.
Zie ook: P. Hufman, ‘Adviesrecht voor de ondernemingsraad in faillissement. Noot bij HR 2 juni 2017 (DA)’, TvI 2017/27, § 4.2: “De vraag is echter waar precies de grens ligt tussen de beslissingen gericht op liquidatie van het vermogen en de beslissingen die gericht zijn op voortzetting van de onderneming.” Vgl. noot I. Spinath onder Rb Noord-Holland 12 oktober 2017, JOR 2017/338 (Bogra).
Bij drogisterij DA werd op 23 december 2015 surseance van betaling verleend, waarna binnen een week het faillissement volgde. De aangestelde curator werkte met toestemming van de rechter-commissaris mee aan een activatransactie uit faillissement. De vraag was (onder andere) of aan de ondernemingsraad in faillissement adviesrecht toekwam voor de transactie. De Ondernemingskamer overwoog dat dit in beginsel niet het geval is maar de Hoge Raad oordeelde dat dit wel zo is. Het aan de onderne mingsraad toekomende adviesrecht van art. 25 WOR ziet echter niet op (besluiten tot) de verkoop van goederen op grond van art. 176 Fw1 en op (besluiten tot) ontslag van werknemers op de voet van art. 40 Fw, ook niet als verkoop of ontslag tot gevolg heeft dat de onderneming wordt beëindigd. De handelingen van de curator zijn dan gericht op liquidatie van het (ondernemings)vermogen, waartoe de Faillissementswet hem bevoegd maakt en wat zijn rol en taak is.2 De door het adviesrecht van art. 25 WOR beschermde belangen moeten in een dergelijk geval wijken voor de belangen van de schuldeisers bij een voortvarende en voor de boedel zo voordelig mogelijke afwikkeling, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad vervolgt door te oordelen dat als de verkoop van activa plaatsvindt door een voortzetting of doorstart van (delen van) de onderneming door dezelfde of een andere entiteit, waarbij het vooruitzicht bestaat van behoud van arbeidsplaatsen, het daarop gerichte besluit adviesplichtig is.3
Door enerzijds een doorstart van anderzijds de liquidatie van het (ondernemings)vermogen van de vennootschap te onderscheiden,4 beoogt de Hoge Raad een tegenstelling te maken en daaraan gevolgen te verbinden. Beknopt weergegeven stelt de Hoge Raad het volgende: bij een doorstart geldt wel het adviesrecht en bij de liquidatie van het (ondernemings) vermogen geldt geen adviesrecht.
Het (ondernemings)vermogen is gelijk aan het vermogen, inhoudende de goederen van de schuldenaar.5 Uit figuur 2 volgt dat de liquidatie van het (ondernemings)vermogen niet alleen de beëindiging van de onderneming maar ook de verkoop van de onderneming kan inhouden.6 Er is naar mijn mening dus geen tegenstelling tussen een doorstart van de onderneming en een liquidatie van het (ondernemings)vermogen.7 De liquidatie van het vermogen kan immers ook resulteren in een doorstart. De Hoge Raad lijkt in deze zaak dus met de liquidatie van het (ondernemings)vermogen van de schuldenaar slechts de liquidatie van de onderneming van de schuldenaar te bedoelen; slechts in dat scenario is sprake van beëindiging van de onderneming (en een tegenstelling tot de doorstart).