De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland
Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.6.2:6.6.2 Een gebonden bevoegdheid tot het verstrekken van Europese subsidies
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.6.2
6.6.2 Een gebonden bevoegdheid tot het verstrekken van Europese subsidies
Documentgegevens:
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399629:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit blijkt bijvoorbeeld uit artikel 2, tweede lid, van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006: de minister verstrekt op aanvraag aan landbouwers subsidie op grond van de bedrijfstoeslagregeling overeenkomstig verordening nr. 73/2009 en met inachtneming van ter uitvoering daarvan vastgestelde Commissieverordeningen en deze regeling.
Zie hieromtrent paragraaf 6.3.4.3.
Zie paragraaf 6.3.4.3.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 6.3.4.3.
Zie artikel 2, tweede lid, van de Regeling GLB-inkomenssteun.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de Europese landbouwsubsidies uit het ELGF geldt doorgaans dat uit de geldende Europese subsidieverordeningen exact voortvloeit of en zo ja voor welk bedrag een Europese subsidie moet worden verstrekt. Uit deze verordeningen volgt derhalve ook in welke gevallen een aanvraag voor een Europese subsidie moet worden afgewezen; het nationaal uitvoeringsorgaan heeft in dat kader geen discretionaire bevoegdheid.1 Dergelijke bepalingen zullen rechtstreeks door het nationaal uitvoeringsorgaan kunnen worden toegepast ten opzichte van de aanvrager, mits zij onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn. Voor zover dat niet het geval is, dienen de gronden op grond waarvan de Europese subsidie krachtens de Europese landbouwsubsidieverordeningen moet worden geweigerd, te worden geoperationaliseerd in het nationale recht. Omdat het nationaal uitvoeringsorgaan geen discretionaire bevoegdheid heeft om de Europese subsidie te weigeren, is het van belang dat alle weigeringsgronden en voorwaarden voor het verstrekken van de Europese subsidie aan de aanvrager kunnen worden tegengeworpen.
In dat kader kan worden gewezen op de sanctie inhoudende dat een subsidieontvanger gedurende een bepaalde periode van het ontvangen van Europese subsidies wordt uitgesloten. Deze sanctie is in het kader van de bedrijfstoeslag in artikel 72, tweede lid, van de Commissieverordening nr. 1122/2009 verplicht voorgeschreven wanneer zich bepaalde onregelmatigheden hebben voorgedaan. Hoewel dit betekent dat het nationaal uitvoeringsorgaan aanvragen om een Europese subsidie voor een volgende periode moet afwijzen, is deze bevoegdheid niet expliciet neergelegd in voormelde Commissieverordening. Betoogd zou kunnen worden dat de bevoegdheid om de subsidie te weigeren, voortvloeit uit de bevoegdheid om de sanctie tot uitsluiting op te leggen. Het is echter de vraag of deze bevoegdheid voor de minister van EL&I bestaat. Uit de Commissieverordening nr. 1122/2009 blijkt niet welk specifiek Nederlands bestuursorgaan bevoegd is de sancties tot uitsluiting op te leggen.2 Ook in de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 ontbreekt de bevoegdheid om de sancties tot uitsluiting voor een bepaalde periode op te leggen. Aangegeven is dat uit de bevoegdheid om de bedrijfstoeslag te verstrekken - deze bevoegdheid vloeit voort uit de Landbouwwet en artikel 2, tweede lid, van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 - niet tevens de bevoegdheid voortvloeit om in de Europese subsidieverordening neergelegde administratieve sancties op te leggen.3 Wanneer geen bevoegdheid bestaat om de sanctie van uitsluiting op te leggen, bestaat ook geen bevoegdheid om een daaropvolgende subsidieaanvraag wegens deze uitsluiting te weigeren. Dit betekent dat een subsidieaanvraag voor de bedrijfstoeslag niet kan worden geweigerd op de grond dat de aanvrager is uitgesloten van een Europese subsidie gedurende een bepaalde periode. De minister van EL&I heeft immers geen discretionaire bevoegdheid om de desbetreffende Europese subsidie te verstrekken. Daarom is het aan te bevelen dat in de Wet inzake Europese subsidies wordt neergelegd dat het bestuursorgaan dat de Europese subsidie verstrekt bevoegd is de in de Europese subsidieregelgeving voorgeschreven sancties op te leggen.4 Weliswaar zal het in veel gevallen zo zijn dat indien een sanctie tot uitsluiting is opgelegd, geen nieuwe aanvraag zal worden ingediend, maar het is voor alle duidelijkheid toch verstandig om daarnaast in de Regeling GLB-inkomenssteun te bepalen dat een aanvraag voor een Europese subsidie wordt geweigerd, indien op de aanvrager een sanctie van uitsluiting van toepassing is. De enkele bepaling dat de minister overeenkomstig artikel 73 van de Verordening nr. 73/2009 en met inachtneming van ter uitvoering daarvan vastgestelde Commissieverordeningen op aanvraag aan landbouwers subsidie verstrekt op grond van de bedrijfstoeslagregeling,5 is gelet op het voorgaande nogal mager om als grondslag voor het weigeren van een subsidieaanvraag wegens een sanctie tot uitsluiting te kunnen dienen.
Voor de ESF-subsidies geldt dat op nationaal niveau is gekozen voor een gebonden bevoegdheid tot subsidieverstrekking, in combinatie met een subsidieplafond.
In artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling ESF 2007-2013 is namelijk bepaald dat de minister, overeenkomstig deze regeling, subsidie verstrekt aan aangewezen natuurlijke- en rechtspersonen die een bijdrage leveren aan de uitvoering van het programma Europees Sociaal Fonds Doelstelling 2, zoals uitgewerkt in het OP. Dit betekent dat indien de subsidieaanvraag aan de voorwaarden voldoet, deze alleen kan worden geweigerd op de gronden neergelegd in artikel 4:35 van de Awb en in artikel 11 van de Subsidieregeling ESF 2007-2013 en op grond van artikel 4:25 van de Awb, namelijk als door honorering van de aanvraag het subsidieplafond wordt bereikt.
Eén van de bepalingen in de Subsidieregeling ESF 2007-2013 luidt dat de minister bij de subsidieverstrekking de Verordening nr. 1083/2006 en de Commissieverordening nr. 1828/2006 in acht neemt. Dit impliceert dat de aanvraag kan worden geweigerd, indien de aanvraag niet aan de daarin neergelegde Europese regels voldoet. Nu in de Verordening nr. 1083/2006 is neergelegd dat de gedeclareerde uitgaven in overeenstemming moeten zijn met de Unierechtelijke voorschriften, betekent dit in theorie dat de aanvrager het gehele Eu-recht moet raadplegen en bijvoorbeeld ook rekening moet houden met de Europese staatssteunregels. Enerzijds is het verstandig om in de Nederlandse subsidieregeling op te nemen dat een aanvraag moet voldoen aan de Europese regels. Zo wordt voorkomen dat in strijd met de Europese regels Europese subsidies worden verstrekt. Anderzijds rijst de vraag in hoeverre deze praktijk zich verdraagt met de beginselen van transparantie en rechtszekerheid. De aanvrager van de Europese subsidie moet immers zelf uitzoeken welke eisen de Europese verordeningen stellen en kan niet afgaan op hetgeen het subsidieverstrekkende bestuursorgaan hieromtrent aan hem heeft meegedeeld. In dat kader is relevant dat veel Europese verordeningen bepalingen bevatten die zijn gericht tot de lidstaat, maar wel degelijk consequenties kunnen hebben voor de vraag of een aanvraag voor een Europese subsidie moet worden gehonoreerd. De vraag of dit voldoende transparant is ten aanzien van een subsidieaanvrager, is nog niet in de (Europese) jurisprudentie beantwoord. Het verdient op grond van de beginselen van rechtszekerheid en transparantie echter de voorkeur dat de weigeringsgronden zo nauwkeurig mogelijk worden geformuleerd in de desbetreffende Nederlandse subsidieregelgeving.