Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.8.1
2.8.1 Redelijkheid en billijkheid als grondslag voor gebondenheid
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS589669:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus met betrekking tot o.m. Treu und Glauben: Larenz 1991, p. 223.
Zie in dezelfde zin o.m. Van Brakel 1948, § 376, Asser-Rutten 4-II (4' druk), p. 230, Asser/ Hartkamp & Sieburgh 6-BI*, nr. 392, Van der Werf 1982, p. 18 en 20, Pitlo/Bolweg 1979, p. 249,Van Dunné 2004b, p. 32-33 en Schoordijk 1996, p. 34. Zie voorts Reurich 2005b, p. 43 en Mendel 2000, p. 231.
Zie Reurich 2005b, t.a.p., met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis.
Vgl. Eggens 1950, p. 237-238, die spreekt van de 'sociale wilsorde'. Zie ook Eggens 1935, p. 318 e.v. Zie ook Meijers 1903, p. 156 en Van der Grinten 1953, p. 21-36, i.h.b. pp. 24 en 28. Zie voorts Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nrs. 43 en 57 en Smith 1998, p. 166. Zie voorts Sieburgh 2004, p. 26 e.v.
Vgl. Larenz 1936, p. 39: 'Der Gemeinschaftsgedanke aber verlangt, dass jeder das Vertrauen rechtfertigt, das mit Grund in ihn gesetzt wird: ein Mann, ein Wort!'
Zij het niet dan nadat de overeenkomst de door art. 3:40 BW opgelegde, preliminaire toets van maatschappelijke aanvaardbaarheid heeft doorstaan. Indien die toets aldus uitpakt dat de overeenkomst door de rechtsgemeenschap niet als onaanvaardbaar wordt beschouwd (hetgeen vrijwel steeds het geval zal zijn), zal die rechtsgemeenschap — via de redelijkheid en billijkheid — steeds gelding aan die overeenkomst verlenen en dus van partijen eisen dat zij zich behoorlijk en zorgvuldig gedragen door zich aan het overeengekomene gebonden te weten. Is de overeenkomst echter maatschappelijk onaanvaardbaar, dan komt de overeenkomst niet tot gelding. Zij is dan nietig. Vgl. Hartkamp 2005, p. 359. Vgl. voorts Vranken 2000, als te vinden op http://amo.uvt.nl/show.cgi?fid=12935.
In deze zin evenzo Meijers 1910, p. 15 en Meijers 1927, p. 30. Vgl. voorts Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nr. 43, waarin onder verwijzing naar Aristoteles wordt opgemerkt dat de trouw aan het gegeven woord als eis van de natuurlijke rede moet worden opgevat.
Van art. 1374 (oud) BW.
Eggens 1950, p. 244. Minder juist lijkt in het licht van dit citaat de visie van J.M. Smits (Smits 1999), die in zijn bespreking van Eggens' 'Een man een man, een woord een woord' stelt dat Eggens zou menen dat het vertrouwen uiteindelijk bepalend is voor het aannemen van contractuele gebondenheid. Dat is niet het geval: in de visie van Eggens is het niet het vertrouwen (sec) dat bindt, maar de zedelijke plicht van de verklarende om zich gebonden te weten op de wijze zoals hij zijn wil — hoe onvolkomen ook — jegens de wederpartij heeft kenbaar gemaakt. Vgl. Eggens 1949, p. 205. Vgl. voorts Van Dunné 1985, p. 772.
HR 20 februari 1998, NJ 1998, 493 (Briljant Schreuders/ABP).
In deze zin reeds Parl. Gesch. Boek 6, p. 969.
"Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid.", zo bepaalt het eerste lid van art. 6:2BW. Hoewel de redelijkheid en billijkheid traditiegetrouw als een zogeheten open of vage norm worden aangeduid, zijn zij geen
„pseudonormativen Leerformeln", die „mit allen oder fast allen konkreten Verhaltensformen und Verhaltensregeln vereinbar" waren." Vielmehr enthalten sie jeweils einen spezifischen Rechtsgedanken, der sich zwar jeder begrifflichen Defmition entzieht, aber durch allgemein akzeptierte Beispiele verdeutlicht werden kann."1
De "spezifische Rechtsgedanke" die in de redelijkheid en billijkheid besloten ligt, houdt in dat op de leden van de rechtsgemeenschap een dwingende rechtsplicht rust om zich jegens elkaar behoorlijk en zorgvuldig, d.w.z. volgens elementaire regels van maatschappelijk fatsoen te gedragen.2 Genoemde verplichting tot behoorlijk en zorgvuldig gedrag omvat mede de eis aan partijen om zich gebonden te weten, zodra zij elkaar hun woord hebben gegeven. Een en ander volgt uit art. 3:12 BW, het wetsartikel dat — niet-limitatief3 — de weg wijst naar wat behoorlijk en zorgvuldig handelen in het concrete geval inhoudt. Vaste waarden in art. 3:12 BW zijn de in Nederland levende rechtsovertuigingen en algemeen erkende rechtsbeginselen. Daarmee functioneert genoemd artikel als een schakel tussen rechtsgemeenschap en de justitiabelen. De verwijzing in het artikel naar in de Nederlandse rechtsgemeenschap levende beginselen en overtuigingen alsmede de verwijzing naar maatschappelijke belangen maakt duidelijk dat een verbintenisrechtelijke rechtsverhouding nimmer een strikt particuliere aangelegenheid tussen partijen kan zijn: middels art. 3:12 BW wordt een permanente betrokkenheid van de rechtsgemeenschap bij de rechtsverhoudingen tussen justitiabelen in het leven geroepen.4
Het is genoemde rechtsgemeenschap5 die — via de rechtsnorm van de redelijkheid en billijkheid — aan partijen de eis van gebondenheid aan het overeengekomene oplegt.6 De eis van gebondenheid aan de overeenkomst is als algemeen erkend rechtsbeginsel ("pacta sunt servanda") via art. 3:12 BW binnen de redelijkheid en billijkheid werkzaam, terwijl deze eis stellig ook tot de in dat artikel genoemde, in Nederland levende rechtsovertuigingen behoort.7 De eis van gebondenheid aan de overeenkomst is, kortom, een algemeen erkende, in de redelijkheid en billijkheid verankerde eis van behoorlijk en fatsoenlijk handelen. Aldus ook Eggens, die in zijn klassiek geworden opstel "De bronnen van verbintenis" tot de volgende uitspraak komt:
"Zo houdt dan ook art. 1374wezenlijk hetzelfde in als art. 1401, en wordt de gebondenheid aan het gegeven woord, zowel als de eventuele opheffing van die gebondenheid (ingevolge lid 3 daarvan),8 geëist door de goede trouw, die niet anders is dan de eis van behoorlijk maatschappelijk gedrag in andere woorden (...)."9"
Ook in onze tijd zijn dit lang geen onbekende geluiden. Zo overwoog de Hoge Raad nog niet zo lang geleden in het bekende arrest Briljant Schreuders/ABP10:
"Aan het vereiste [dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van het contract niet mag verwachten, PSB] zal niet spoedig zijn voldaan; redelijkheid en billijkheid verlangen immers in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord en laten afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toe. (...)11
Deze bekende rechtsoverweging van de Hoge Raad bevestigt niet alleen dat, evenals Eggens meende en hiervoor is betoogd, redelijkheid en billijkheid als grondslag van gebondenheid kunnen worden aangemerkt, maar laat tevens zien dat die gebondenheid in contractuele rechtsverhoudingen ook steeds als de in beginsel meest dominante eis van de redelijkheid en billijkheid is aan te merken. Redelijkheid en billijkheid kunnen onder omstandigheden weliswaar de binding aan het overeengekomene ook weer verbreken of tenietdoen, maar daarvan kan slechts onder bijzondere omstandigheden sprake zijn. In de nu volgende subparagraaf wordt op die omstandigheden nader ingegaan.