Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/V.4.3
V.4.3 De invloed van de blokkeringsregeling
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS373748:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 23.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 12, met een herhaling van dit ministerieel standpunt op p. 21.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 21-22.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 22.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 22.
Zulks conform de kritiek van het NGB, zie Nota NGB (1978), p. 2. Overigens kan de vennootschap zelf eveneens onder de 'anderen' geschaard worden. De minister houdt ook op dit punt vast van het zoveel mogelijk volgen van de vrijwillige regeling. De Commissie Vennootschapsrecht had in 1975 nog voorgesteld dat de vennootschap niet de overnemer kon zijn, maar dit voorstel werd door de wetgever uiteindelijk verworpen. De grenzen voor inkoop van eigen aandelen gelden wel. Zie Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 23. Zie voor de positie van de vennootschap § IV.4.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 22-23.
De reden voor deze ingewikkelde leverings- en betalingsexercitie ligt in de executie van het vonnis. De eisende aandeelhouders zijn verplicht tegen betaling over te nemen. De in de aanbiedingsregeling genoemde personen kennen deze plicht niet. Zie Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 23.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 26-27.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 27.
Handboek (1992), nr. 357.
Ik besef dat het motief voor het instellen van een uitkoopvordering — het verwerven van alle aandelen in een vennootschap — een andere is dan die bij een geschillenregelingvordering — een einde maken aan een schadelijke situatie —, doch beide procedures zien op de gedwongen in plaats van de vrijwillige overdracht. Zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 689, waarin Van Solinge en Nieuwe Weme schrijven dat de veroordeling tot overdracht statutaire blokkeringsclausules doorbreekt.
Voor de uitstoting geldt dat de eisende aandeelhouders in beginsel verplicht zijn de aandelen van de uitgestoten aandeelhouder over te nemen. Deze regel van art. 2:341 lid 1 BW lijdt mogelijk uitzondering indien in de statuten is voorzien in een aanbiedingsregeling. De kans bestaat dat de in die blokkeringsregeling genoemde personen (aandeelhouders of anderen) de aandelen willen overnemen. De leden 2 en 3 behelzen hiervoor de te volgen gang van zaken. De ratio van het volgen van de aanbiedingsregeling is gelegen in het voorkomen van de wijziging van de in de statuten neergelegde verhouding tussen verschillende groepen aandeelhouders.1
Het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht uit 1975 ging nog uit van de gedachte dat niet alleen een statutaire aanbiedingsregeling, maar ook een goedkeuringsregeling gevolgd diende te worden. De minister zag echter geen heil in het aansluiten bij een dergelijke blokkeringsregeling. Het dwingende karakter van de overdracht op grond van een uitstoting valt niet te rijmen met de idee dat deze overdracht toch onderhevig blijft aan de invloed van een vennootschapsorgaan. Dit geldt te meer indien dit orgaan de aandeelhoudersvergadering zou zijn. Uiteindelijk zal dit namelijk zelfs kunnen resulteren in de aanwijzing van een gegadigde die de aandelen wil overnemen. De uit te stoten aandeelhouder kan op deze wijze zijn invloed blijvend laten gelden, door 'bevriende relaties' als gegadigden aan te wijzen. Zo worden de doeleinden van de uitstoting doorkruist, aldus de toelichting.2 Het NGB had in 1981 erop aangedrongen om de aansluiting bij de goedkeuringsregeling mogelijk te maken. Het idee was om hierbij het stemrecht aan de uit te stoten aandeelhouder bij wijze van voorziening te ontnemen. De minister hield niettemin vast aan een facultatieve mogelijkheid tot schorsing van het stemrecht, zie art. 2:339 lid 2 BW, waarover § VI.3.6.d. Met het voorstel van het NGB het stemrecht bij de uitstoting altijd te ontnemen indien er een goedkeuringsregeling was, zou de 'algemene vergadering echter gereduceerd worden tot een zeer incompleet gezelschap.'3 Het volgen van de statutaire goedkeuringsregeling bij de gedwongen overdracht van de aandelen op grond van de geschillenregeling is daarom niet in de wet opgenomen. Voorzien de statuten in een combinatie van een goedkeurings- en een aanbiedingsregeling, dan geldt dat de eerstgenoemde regeling terzijde wordt gesteld. De aanbiedingsregeling moet in zo'n geval wél gevolgd worden.4
De vennootschap heeft de taak de aandelen direct na de betekening van het afschrift, aan te bieden aan degenen die daarvoor op grond van de statutaire aanbiedingsregeling in aanmerking komen. Is de vennootschap weigerachtig, dan is de oplossing in kort geding een bevel uit te lokken.5 Uit de wettekst en toelichting volgt dat niet veel ruimte is voor afwijking van de aanbiedingsregeling. De wet benadrukt dat het aanbieden 'zoveel mogelijk met overeenkomstige toepassing van de statutaire regeling' geschiedt. Dit kan inhouden dat ook niet-aandeelhouders, de in art. 2:341 lid 2 BW genoemde 'anderen', de aandelen verwerven.6
Tot slot is er het voorbeeld dat statuten kunnen bepalen dat verschillende soorten aandelen (eerst) aangeboden moeten worden bij de houders van die aandelen van die soort. Zo'n regeling verdient ook navolging bij gedwongen overdracht, bleek uit de toelichting.7 Bij dit alles geldt dan wel weer dat in verband met de tijdsdruk binnen een maand moeten de overnemende partijen met naam en toenaam bekend zijn — mogelijk van de statutaire procedures wordt afgeweken. In welke mate de afwijking is toegestaan, is niet bekend. Het is denkbaar dat voor deze situatie de verzoekschriftprocedure van lid 7 in het leven is geroepen.
Ingevolge lid 3 herleeft lid 1 wanneer er na de toepassing van lid 2 nog aandelen overblijven. De veroordeling van de oorspronkelijke eisers tot overname van de aandelen komt weer in beeld. Lid 3 is niet alleen voor deze situatie geschreven. De laatste zinsnede biedt uitkomst indien de aandeelhouders of eventuele anderen gereflecteerd hebben op het aanbod van de vennootschap conform lid 2, maar vervolgens op tijd betalen. Op tijd betekent in dit verband dat de prijs binnen twee weken na ontvangst van de mededeling van de vennootschap aan de uitgestoten gedaagde voldaan moet worden.8
In het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht 1975 kwam de blokkeringsregeling in geval van overdracht bij de uittreding niet in beeld. De kritiek van het NGB hierop achtte de minister valide. Het NGB stelde dat de uittredende aandeelhouder de 'foute' aandeelhouder dagvaardt. Deze foute aandeelhouder wordt veroordeeld de aandelen over te nemen; hij komt zo in een voordeliger positie omdat hij een groter belang in de aandeelhoudersvergadering krijgt. De overige aandeelhouders kunnen via de blokkeringsregeling geen invloed uitoefenen en dit is ongewenst, aldus het NGB. Het stelde voor een regeling te ontwerpen waarbij de overige aandeelhouders de rechter mogen vragen de blokkeringsregeling toe te passen. Blijken er geen gegadigden te zijn, dan behoort de vennootschap of de zich misdragende aandeelhouder de aandelen over te nemen. In het wetsvoorstel kwam de minister met een enigszins andere oplossing. De overige aandeelhouders kunnen zich voegen in het geding (laatste zin van art. 2:343 lid 3 BW) en een aanwezige aanbiedingsregeling (art. 2:343 lid 4 en 5 BW) is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing .9
Indien toepassing van de aanbiedingsregeling met zich brengt dat de vennootschap de aandelen overneemt, is instemming van de overdragende aandeelhouder vereist. Dit houdt verband met het mogelijke belastingnadeel dat ten tijde van de invoering van de geschillenregeling nog op kon treden. In verband met het nadien aangepaste fiscale stelsel is van een dergelijk nadeel thans geen sprake meer. Daarnaast spelen de inkoopbeperkingen uiteraard ook een ro1.10
Van de Grinten vroeg zich nog af wat de invloed is van een X%-regeling in de statuten. Een overnemende aandeelhouder mag dan slechts een beperkt percentage van de aandelen verkrijgen. Kan het eindvonnis in een geschillenregelingprocedure zo'n statutaire bepaling terzijde stellen? Van der Grinten beantwoordde deze vraag ontkennend.11 Ik zou echter menen dat het rechterlijk bevel de verplichting tot overname met zich brengt, ongeacht de statutaire beperkingen. Rijst hieromtrent een geschil, dan zullen de aandeelhouders wederom de gang naar de rechter moeten maken.
Het verplicht volgen van de statutaire aanbiedingsregeling lijkt mij omslachtig. Indien het tegenzit, levert de toepassing van de statutaire aanbiedingsregeling extra geschillen én procedures op: de vennootschap kan in kort geding gedwongen worden de gegadigden aan te schrijven en bij tijdnood moet de rechter op verzoek aangeven welk onderdeel wel en niet gevolgd moet worden. De gedachte dat de levering bij vrijwillige en gedwongen overdracht op dezelfde wijze afgewikkeld zou moeten worden, vind ik niet logisch. Bij de gedwongen overdracht hebben de aandeelhouders een geschil en is sprake van rechterlijk ingrijpen. Indien zij in zo'n `crisissituatie' de levering conform de op de vrijwillige overdracht toegesneden aanbiedingsregeling willen, dan zullen zij dit mijns inziens de rechter moeten vragen. Bovendien geldt dat de aandeelhouders die niet in de geschillenregelingprocedure zijn betrokken maar prijs stellen op het verkrijgen van een deel van de over te dragen aandelen, zich bij de uitstoting aan de zijde van de eiser en bij uittreding als gedaagde, kunnen voegen. Teneinde de levering en de betaling te bespoedigen, stel ik derhalve voor de wettelijke verplichting tot het volgen van een statutaire aanbiedingsregeling te laten vervallen. Een bijkomend argument ontleen ik aan de uitkoopregeling. Bij de uitkoop gaat het ook om gedwongen overdracht, maar is de blokkeringsregeling ook niet van toepassing.12 Tot slot is de blokkeringsregeling met de invoering van de Flex-BV niet langer verplicht. Indien aandeelhouders de vrije hand krijgen voor hun wensen met betrekking tot een blokkering van de vrijwillige overdracht, waarom wordt het dan niet ook aan de aandeelhouders overgelaten dit voor de gedwongen overdracht naar eigen inzicht in te richten? Dit sluit aan bij de idee van art. 2:337 BW dat een eigen regeling toegepast moet worden.
Ik pleit er dus voor art. 2:341 lid 2 en 3 alsook art. 2:343 lid 4 en 5 BW te schrappen. Indien partijen menen dat bij de gedwongen overdracht de levering conform de regels van de blokkeringsregeling moeten geschieden, zie ik twee mogelijkheden. De eerste optie is zelf uitdrukkelijk te bepalen dat bij de gedwongen overdracht, al dan niet toegespitst op de geschillenregeling de regels voor vrijwillige overdracht, zoveel mogelijk gevolgd worden. De tweede mogelijkheid is in de procedure aan te geven dat men prijs stelt op het gebruik van de leveringsformaliteiten die gelden bij de vrijwillige overdracht. De aandeelhouders kunnen de rechter vragen te bevelen dat zij bepaalde elementen of de gehele blokkeringsregeling in acht hebben te nemen bij de overdracht. Dit kan zowel bij de uitstoting als uittreding. In plaats van een starre, ingewikkelde regeling in de wet is maatwerk mogelijk. De rechter zal per zaak aangeven op welke wijze de levering dient te geschieden.