Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/5.3
5.3 Art. 4:200 lid 1 BW
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491158:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Zie nr. 53.
Bij vereffening geldt een afwijkend verhaalsregime voor de goederen van de nalatenschap (art. 4:224 BW). Zie nr. 53.
Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer, Erfrecht 2008/818.
Suijling-Dubois VI 1931, nr. 233; Segers 1930, p. 184; Land III 1902, p. 190; Diephuis IX 1885, p. 89-92.
Asser/Van der Ploeg & Perrick 6 1996/346; Asser/Meijers & Van der Ploeg 6 1992/346; Klaassen-Eggens/Luijten, Erfrecht 1989, p. 259, voetnoot 36; Asser/Meijers Erfrecht 1941, p. 277; Suijling-Dubois VI 1931, nr. 241; Martens 1928, p. 162-163.
Segers 1930, p. 184; Land III 1902, p. 189-190; Diephuis IX 1885, p. 147-148.
Zie nr. 53.
57. Art. 4:200 lid 1 BW geeft aanleiding tot enkele vragen over de vermogensafscheiding bij beneficiaire aanvaarding:
“Met betrekking tot een erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard, geldt tot het einde van de vereffening het in de volgende leden bepaalde, tenzij hij voor de op hem rustende schulden der nalatenschap met zijn gehele vermogen aansprakelijk is.”
Het tweede lid van art. 4:200 BW geldt voor ‘een erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard’. Stel dat een erflater meerdere erfgenamen heeft. Sommigen van hen aanvaarden zuiver en sommigen beneficiair. Is de nalatenschap niet afgescheiden van de privé-vermogens van de erfgenamen die zuiver hebben aanvaard?
Dat is niet het geval. Een nalatenschap waartoe meerdere erfgenamen zijn gerechtigd, is afgescheiden van de privé-vermogens van alle erfgenamen, ongeacht of zij zuiver of beneficiair hebben aanvaard.1 Daarnaast bepaalt art. 4:202 lid 1, aanhef en onder a BW dat een nalatenschap wordt vereffend volgens afdeling 4.6.3 BW, als één of meer erfgenamen de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard. Ook op die grond is een beneficiair aanvaarde nalatenschap afgescheiden van de privé-vermogens van alle erfgenamen.2
Verder lijkt uit de tenzij-formule van art. 4:200 lid 1 BW te volgen dat wel vermenging optreedt als een enig erfgenaam die beneficiair heeft aanvaard, met zijn gehele vermogen aansprakelijk is voor schulden van de nalatenschap.3 Een beneficiair erfgenaam is met zijn gehele vermogen aansprakelijk als hij – kort gezegd – heeft gefraudeerd bij de vereffening van de nalatenschap (art. 4:184 lid 2 BW).
Onder het oude recht ‘verliest’ een erfgenaam het voorrecht van boedelbeschrijving als hij fraudeert bij de vereffening van de nalatenschap (art. 1077 oud BW). Het voorrecht van boedelbeschrijving bracht mee, dat de erfgenaam niet met zijn eigen vermogen aansprakelijk was voor schulden van de nalatenschap en dat de goederen der nalatenschap niet werden ‘vermengd’ met de eigen goederen van de erfgenaam (art. 1078 oud BW). Dit betekende dat beperkte rechten van de erfgenaam op goederen van de nalatenschap, en tot de nalatenschap behorende beperkte rechten op goederen van de erfgenaam, niet door vermenging tenietgingen.4 In de literatuur bestond discussie over hoe dit ‘verlies’ begrepen moest worden. Volgens Suijling & Dubois, Meijers, Luijten, Martens, Van der Ploeg en Perrick had het ‘verlies’ van het voorrecht van boedelbeschrijving een beperkte strekking.5 De erfgenaam werd met zijn gehele vermogen aansprakelijk voor schulden van de nalatenschap, maar de vermogensafscheiding tussen de nalatenschap en het eigen vermogen van de erfgenaam bleef intact. Argument daarvoor was dat schuldeisers van de nalatenschap niet in een nadeliger positie behoren te komen door het frauduleuze handelen van de erfgenaam. Zou de vermogensafscheiding komen te vervallen, dan zou ook hun verhaalspreferentie op het nalatenschapsvermogen eindigen. Zij zouden niet meer bij voorrang boven privé-schuldeisers van de erfgenaam verhaal nemen op de nalatenschap. Diephuis, Land en Segers houden daarentegen vast aan de wettekst en zijn van mening dat wel vermenging optreedt als de erfgenaam het voorrecht van boedelbeschrijving ‘verliest’.6
Naar mijn mening blijft onder het huidige recht de vermogensafscheiding in stand als een erfgenaam fraudeert bij de vereffening van een nalatenschap. Een beneficiair aanvaarde nalatenschap dient in dat geval namelijk in beginsel nog steeds te worden vereffend volgens afdeling 4.6.3 BW (art. 4:202 BW). Bij vereffening volgens die afdeling, geldt een verhaalsprioriteit voor de schuldeisers van de nalatenschap (art. 4:224 BW). Om die reden vormt de nalatenschap een afgescheiden vermogen en treedt geen vermenging op.7 Net zoals sommige schrijvers aannamen voor 1077 oud BW, moet art. 4:200 lid 1 BW niet letterlijk worden opgevat.