NJB 2026/414:Vraag of het Unierecht grenzen stelt aan de strafbaarheid op grond van nationale wetgeving van een lidstaat (i.c. de Opiumwet) van het invoeren en het aanwezig hebben van hennep (i) die gekweekt is met zaad van rassen die vermeld staan in de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen van de Europese Unie (Richtlijn 2002/53/EG) en/of (ii) waarvan het THC-gehalte niet hoger is dan de drempelwaarde van voorheen 0,2% en naar huidig recht 0,3%, terwijl volgens de wetgeving van de lidstaat waar die hennep werd geteeld die teelt legaal was. • De Hoge Raad stelt hieromtrent drie prejudiciële vragen aan het HvJ EU. • Verder zet de Hoge Raad een besliskader uiteen waarvan in afwachting van de beantwoording van de vragen door HvJ EU kan worden uitgegaan met betrekking tot de exceptie op basis van het Unierecht. • Ook komt de Hoge Raad tot een voorlopig oordeel. Op basis daarvan zal de Hoge Raad in afwachting van de beantwoording door het HvJ EU van de prejudiciële vragen alleen een exceptie op basis van het Unierecht aannemen als aan nader door de Hoger Raad geformuleerde voorwaarden is voldaan. Op die exceptie kan ook een beroep worden gedaan als de verdachte niet zelf de hennep heeft geteeld, mits aannemelijk wordt dat sprake is van hennep waarvan de teelt in de onder door de Hoge Raad aangeduide omstandigheden heeft plaatsgevonden.