Bedoeld zijn de rassen die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen als bedoeld in Richtlijn 2002/53/EG.
HR, 10-02-2026, nr. 23/01262
ECLI:NL:HR:2026:205
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-02-2026
- Zaaknummer
23/01262
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:205, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑02‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:739
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1025
ECLI:NL:PHR:2025:739, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:205
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑09‑219
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Medeplegen invoer vanuit Spanje en aanwezig hebben van hennep, art. 3.A en 3.C Opiumwet. Exceptie o.b.v. Unierecht. Stelt Unierecht grenzen aan strafbaarheid o.g.v. nationale wetgeving van lidstaat (i.c. Opiumwet) van invoeren en aanwezig hebben van hennep (i) die gekweekt is met zaad van rassen die vermeld staan in gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen van EU (gecertificeerd zaad) en/of (ii) waarvan THC-gehalte niet hoger is dan drempelwaarde (voorheen 0,2% en naar huidig recht 0,3%), terwijl volgens wetgeving van lidstaat waar hennep werd geteeld die teelt legaal was? HR stelt prejudiciële vragen aan HvJ EU en geeft i.v.m. lopende strafzaken voorlopig besliskader voor strafrechter. HR komt tot (voorlopig) oordeel dat, ongeacht of rechtstreekse betaling (subsidie) is aangevraagd voor investeringen in teelt van betreffende hennep, strafbaarstelling van art. 11 jo. 3 Opiumwet van aanwezig hebben en invoer van hennep alleen buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met Unierecht als: (1) teelt van hennep is aangemeld bij een door lidstaat daartoe aangewezen instantie, met inachtneming van voorschriften die op dat moment gelden m.b.t. moment dat aanmelding moet plaatsvinden en gegevens en documenten die daarbij moeten worden verstrekt, (2) bij teelt gebruik is gemaakt van gecertificeerd zaad, (3) wat betreft moment van oogst is voldaan aan teelteis dat (behoudens in Unierecht voorziene uitzonderingssituaties) pas 10 dagen na einde van bloei mag worden geoogst om verificatie van THC-gehalte mogelijk te maken en (4) THC-gehalte niet boven drempelwaarde is van 0,3%. HR houdt iedere verdere beslissing aan totdat HvJ EU uitspraak zal hebben gedaan over prejudiciële vragen. Samenhang met 23/01263. CAG (strekking): (partiële) vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01262
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 maart 2023, nummer 20-001668-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
Inhoudsopgave
- Procesverloop in cassatie (1)
- Waar het in deze zaak om gaat (2)
- Juridisch kader (3)
- Aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen (4)
- Verzoek om een prejudiciële beslissing (5)
- Beslissing (6)
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.A.P. van Breukelen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 en 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 'sHertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Waar het in deze zaak om gaat
2.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of en, zo ja, in hoeverre het Unierecht grenzen stelt aan de strafbaarheid op grond van nationale wetgeving van een lidstaat – in deze zaak: de Nederlandse Opiumwet – van het binnen het eigen grondgebied brengen (hierna ook: invoeren) en het aanwezig hebben van Cannabis sativa (hierna: hennep):(i) die gekweekt is met zaad van rassen die vermeld staan in de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen van de Europese Unie1.(hierna ook: gecertificeerd zaad) en/of(ii) waarvan het tetrahydrocannabinol-gehalte (hierna: THC-gehalte) niet hoger is dan de drempelwaarde van voorheen 0,2% en naar huidig recht 0,3% (hierna ook: de drempelwaarde),2.terwijl volgens de wetgeving van de lidstaat waar die hennep werd geteeld die teelt strafrechtelijk toegelaten (hierna: legaal) was.
De behandeling van de zaak door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
2.2.1
Het hof heeft de verdachte in deze zaak voor onder meer twee Opiumwetdelicten veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 80 uren. De bewezenverklaarde feiten houden onder meer het volgende in. De verdachte heeft in de periode van 20 april 2017 tot en met 21 april 2017 (in vereniging) hennep uit Spanje ingevoerd in Nederland en die hennep aanwezig gehad (feit 1). Daarnaast heeft de verdachte op 21 april 2017 (in vereniging) ook een andere partij hennep (van meer dan 30 gram) aanwezig gehad (feit 2).
2.2.2
De veroordeling is gebaseerd op onder meer artikel 3 van de Opiumwet, zoals weergegeven onder 3.7, op grond waarvan het verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II (softdrugs) binnen het grondgebied van Nederland te brengen, te telen en aanwezig te hebben. Het begrip hennep, genoemd op lijst II van de Opiumwet, wordt omschreven als “elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden”.
2.2.3
Het hof heeft vastgesteld dat de in de bewezenverklaring onder 1 en 2 bedoelde hennep bestond onder meer uit gedroogde bladfragmenten, stengels, bloemen en bloemtoppen. De hennep was kennelijk bestemd voor onder andere de productie van thee en CBD-olie, ter consumptie door patiënten van artsen en ziekenhuizen en had grotendeels een THC-gehalte van minder dan 0,2%.
2.3.1
Bij de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft de verdediging – zonder een beroep te doen op het Unierecht – aangevoerd dat geen sprake is van “strafbaar materiaal” dat onder de Opiumwet valt.
Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat het een pakket “legale” “industriële” hennep was dat uit Spanje kwam.3.
Met betrekking tot feit 2 heeft de verdachte onder meer aangevoerd dat de hennep is geteeld uit goedgekeurde henneprassen, waarmee kennelijk is bedoeld dat gecertificeerd zaad is gebruikt.
2.3.2
Het hof heeft de verweren verworpen en is daarbij in het bijzonder ingegaan op de vraag of de verdachte een beroep kon doen op een ‘medische exceptie’ dan wel op de zogenoemde ‘landbouwexceptie’ (zoals bedoeld in respectievelijk artikel 8 Opiumwet en artikel 12 van het Opiumwetbesluit). Het oordeel van het hof dat de verdachte geen beroep kon doen op deze excepties, staat in cassatie niet ter discussie.
2.3.3
Het hof heeft geen aanleiding gezien om ambtshalve overwegingen te wijden aan het toepasselijke Unierecht. Het hof heeft verder de feitelijke juistheid in het midden gelaten van de stellingen van de verdediging dat (1) de in de bewezenverklaring onder 1 bedoelde hennep in Spanje legaal – dus in overeenstemming met de (toen) geldende Spaanse wetgeving – is geteeld en dat (2) de in de bewezenverklaring onder 2 bedoelde hennep was geteeld met gecertificeerd zaad.
2.3.4
In verband met de gestelde – en, zoals hierna onder 4.4.7 aan de orde komt, ook voor het Unierecht relevante – omstandigheid dat de in de bewezenverklaring onder 2 bedoelde hennep was geteeld met gecertificeerd zaad is van belang dat het ter determinering van de inbeslaggenomen plantdelen opgemaakte rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) van 20 mei 2020 inhoudt dat het “met de huidige technieken” niet mogelijk is van het betreffende plantmateriaal “de naam van de Cannabis variëteit vast te stellen”. Het rapport houdt verder in dat de betreffende hennepplanten van het “vezeltype” afkomstig kunnen zijn van een variëteit die “door de Europese Commissie is goedgekeurd”.
De bij de Hoge Raad voorgestelde cassatiemiddelen
2.4
De cassatiemiddelen komen onder meer op tegen de verwerping van de onder 2.3.1 bedoelde verweren door het hof. Daartoe wordt in de kern aangevoerd dat het Unierecht in een geval als dit met zich brengt dat de Opiumwet buiten toepassing moet worden gelaten.
Met betrekking tot feit 1 wordt in verband daarmee in cassatie gesteld dat hennep met een THC-gehalte van minder dan 0,2% (of naar huidig recht: 0,3%) niet schadelijk is voor de gezondheid en daarom niet als ‘verdovend middel’ kan worden beschouwd als bedoeld in het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961 (hierna ook: het Enkelvoudig Verdrag). Het strafbaar stellen van het, vanuit een andere lidstaat (Spanje), binnen het grondgebied van Nederland brengen en aanwezig hebben van die hennep, zou daarom strijdig zijn met artikel 34 en 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU).
Met betrekking tot feit 2 wordt in cassatie in de kern onder meer aangevoerd dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan het verweer dat het materiaal in kwestie afkomstig is van hennep die gekweekt is met gecertificeerd zaad en het daarom, gelet op het toepasselijke Unierecht, “geen strafbaar materiaal betreft”.
De begrenzing van strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van het Unierecht
2.5.1
Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna ook: het Hof van Justitie) lijkt te moeten worden aangenomen – zoals hierna onder 4 aan de orde komt – dat, waar het gaat om hennep die met gecertificeerd zaad is geteeld en met een THC-gehalte van niet meer dan de drempelwaarde van 0,2% (dan wel naar huidig recht 0,3%), onder bijzondere omstandigheden de strafbaarstelling van artikel 11 in samenhang met artikel 3 Opiumwet niet verenigbaar is met het Unierecht en dat om die reden deze strafbaarstelling buiten toepassing moet worden gelaten. Zo’n buitentoepassingstelling heeft tot gevolg dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake is van een kwalificatie-uitsluitingsgrond waardoor het feit niet strafbaar is (hierna ook: exceptie op basis van het Unierecht).
2.5.2
Omdat de rechtspraak van het Hof van Justitie echter ook vragen oproept over de precieze afbakening van de omstandigheden waarin de strafbaarstelling van artikel 11 in samenhang met artikel 3 Opiumwet buiten toepassing moet worden gelaten vanwege strijd met het Unierecht, zal de Hoge Raad – in verband met de beoordeling van de onder 2.4 bedoelde cassatiemiddelen – de hierna onder 5 weergegeven vragen stellen aan het Hof van Justitie.
2.5.3
Die vragen houden tot op zekere hoogte verband met de prejudiciële vragen die de Consiglio di Stato uit Italië op 11 november 2025 in de zaak C-716/25 (Società Agricola Jure) heeft gesteld over de verenigbaarheid van de Italiaanse opiumwetgeving met het Unierecht.4.Punt van verschil is onder meer dat de in deze Nederlandse zaak gestelde vragen meer specifiek betrekking hebben op de op grond van het Unierecht gestelde teelteisen, waaronder de vereisten betreffende de aanmelding van de teelt en het moment van de oogst. Ook ziet een deel van de in deze zaak gestelde vragen, in aanvulling op de vragen in de Italiaanse zaak, op de situatie waarin weliswaar niet aannemelijk is geworden dat geteeld is met gecertificeerd zaad, maar wel vaststaat dat het THC-gehalte niet hoger is dan de drempelwaarde van 0,2% (dan wel naar huidig recht 0,3%) en de hennep is ingevoerd vanuit een andere lidstaat en daar in overeenstemming met de wetgeving van die lidstaat was geteeld.
Besliskader voor de Nederlandse strafrechter in lopende strafzaken
2.6
In lopende zaken kan – in afwachting van de beantwoording van de vragen door het Hof van Justitie – worden uitgegaan van het in dit arrest onder 4.5.1 uitgewerkte besliskader met betrekking tot de exceptie op basis van het Unierecht, welk besliskader ook geldt in de onder 4.9 bedoelde situaties.5.
3. Juridisch kader
Unierecht
3.1
Artikel 1 lid 1 van de Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (PbEG 2002, L 193, p. 1-11) luidt:
“Deze richtlijn heeft betrekking op de opneming van rassen van bieten, groenvoedergewassen, granen, aardappelen, alsmede van oliehoudende planten en vezelgewassen in een gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen waarvan het zaaizaad of pootgoed in de handel mag worden gebracht volgens de bepalingen van de richtlijnen betreffende het in de handel brengen van respectievelijk bietenzaad (2002/54/EG), zaaizaad van groenvoedergewassen (66/401/EEG), zaaigranen (66/402/EEG), pootaardappelen (2002/56/EG), en zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (2002/57/EG).”
3.2
Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PbEG 2002, L 193, p. 74-97; hierna: Richtlijn 2002/57/EG) houdt onder meer in:
- artikel 2 lid 1, aanhef en onder b:
“1. In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder
(...)
b) Oliehoudende planten en vezelgewassen: planten van de volgende geslachten en soorten:
(...)
Cannabis sativa L. Hennep.”
- artikel 3 lid 1:
“De lidstaten schrijven voor dat zaad van:
(...)
Cannabis sativa L.
(...)
slechts in de handel mag worden gebracht, indien het officieel is goedgekeurd als basiszaad of gecertificeerd zaad.”
3.3
Artikel 1 lid 1 en 2, aanhef en onder h, van de Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347, p. 671-854; hierna: Verordening (EU) nr. 1308/2013) houdt onder meer in:
“1. Bij deze verordening wordt een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten vastgesteld, d.w.z. alle in bijlage I bij de Verdragen vermelde producten, met uitzondering van de visserij- en de aquacultuurproducten die zijn vermeld in de wetgevingshandelingen van de Unie houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten.
2. De in lid 1 bedoelde landbouwproducten worden ingedeeld in de volgende, in de respectievelijke delen van bijlage I vermelde sectoren:
(...)
h) vlas en hennep (...).”
3.4
Artikel 4 lid 4, tweede alinea, en lid 8 van de Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435, p. 1-186; hierna: Verordening (EU) 2021/2115) houdt onder meer in:6.
“4. (...) Voor de productie van hennep gebruikte arealen vormen slechts subsidiabele hectaren indien het gehalte aan tetrahydrocannabinol van de gebruikte rassen maximaal 0,3 % bedraagt.
8. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 152 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met voorschriften waarbij de toekenning van de betalingen afhankelijk wordt gesteld van het gebruik van gecertificeerd zaad van bepaalde henneprassen en van de procedure voor de bepaling van henneprassen, alsmede de verificatie van het in lid 4, tweede alinea, van dit artikel, genoemde tetrahydrocannabinolgehalte van die rassen met het oog op de volksgezondheid.”
3.5
De Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126 van de Commissie van 7 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad met aanvullende eisen voor bepaalde interventietypes die de lidstaten in het kader van die verordening in hun strategisch GLB-plan voor de periode 2023-2027 uitwerken, alsmede regels voor het aandeel in het kader van norm 1 inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) (PbEU 2022, L 20, p. 52-94; hierna: Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126) houdt onder meer in:
- artikel 2 (Aanvullende subsidiabiliteitseisen):
“Bij het opnemen, in hun strategisch GLB-plan, van de definities uit hoofde van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115 stellen de lidstaten de toekenning van betalingen voor de productie van hennep afhankelijk van het gebruik van zaad van henneprassen die aan de volgende eisen voldoen:
a) ze staan in de overeenkomstig artikel 17 van richtlijn 2002/53/EG van de Raad gepubliceerde gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen die geldt op 15 maart van het jaar waarvoor de betaling wordt toegekend;
b) het Δ9-tetrahydrocannabinolgehalte ervan (hierna ‘THC-gehalte’ genoemd) was gedurende twee opeenvolgende jaren niet hoger dan het in artikel 4, lid 4, tweede alinea, van Verordening (EU) 2021/2115 vastgelegde maximum;
c) ze zijn gecertificeerd overeenkomstig richtlijn 2002/57/EG van de Raad of, in het geval van instandhoudingsrassen, overeenkomstig artikel 10 van richtlijn 2008/62/EG van de Commissie.”
- artikel 3 lid 1 (Verificatie van henneprassen en kwantitatieve bepaling van het THC-gehalte):7.
“De lidstaten zetten een verificatiesysteem voor de bepaling van het THC-gehalte van henneprassen op op basis waarvan zij de in bijlage I beschreven methode voor de verificatie van henneprassen en voor de kwantitatieve bepaling van het THC-gehalte van henneprassen kunnen toepassen.”
- artikel 5 (Teelteisen):
“Hennep wordt gedurende ten minste tien dagen na het einde van de bloei verder geteeld in normale teeltomstandigheden in overeenstemming met de plaatselijke gebruiken, zodat de voor de toepassing van dit artikel vereiste controles kunnen worden verricht.
(...)
De lidstaten kunnen echter toestemming geven om hennep vóór het einde van de periode van tien dagen na het einde van de bloei te oogsten, mits de oogst na het begin van de bloei plaatsvindt en de inspecteurs aangeven op welke representatieve delen van elk betrokken perceel het gewas gedurende ten minste tien dagen na het einde van de bloei verder moet worden geteeld om volgens de in bijlage I vermelde methode te kunnen worden geïnspecteerd.”
3.6
Artikel 2 lid 1, aanhef en onder a en b, van het Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (PbEU 2004, L 335, p. 8-11) luidt:
“Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen opdat de volgende opzettelijke gedragingen bestraft worden wanneer daarvoor geen rechtvaardigingsgrond aanwezig is:
a) het produceren, vervaardigen, extraheren, bereiden, aanbieden, te koop stellen, distribueren, verkopen, afleveren, ongeacht de voorwaarden, verhandelen, doorvoeren, vervoeren, in- of uitvoeren van drugs;
b) het kweken van (...) cannabisplanten.”
Relevante Nederlandse wetgeving
3.7
De Opiumwet:
- artikel 3, aanhef en onder A t/m C:
“Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II (...):
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben.”
- artikel 8 lid 1, aanhef en onder a:8.
“Een ontheffing van een verbod als bedoeld in de artikelen 2 of 3 kan slechts worden verleend of verlengd indien de aanvrager ten genoegen van Onze Minister heeft aangetoond:
a. dat daarmee het belang van de volksgezondheid of dat van de diergezondheid wordt gediend.”
- artikel 11 lid 2 en 4:
“2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete (...).
4. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder A, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete (...).”
- Lijst II bij de Opiumwet houdt onder de benaming hennep in:
“elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden.”
3.8
Artikel 12 van het Opiumwetbesluit:
“De verboden, gesteld in artikel 3, aanhef en onder B, van de wet, gelden niet voor hennep die kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod op het telen van hennep slechts geldt voor zover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht.”
3.9
- artikel 3:
“Het in de handel brengen van teeltmateriaal van landbouwgewassen, tuinbouwgewassen en bosbouwgewassen is slechts toegestaan indien is voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde regels inzake de verhandeling en de kwaliteit van teeltmateriaal.”
- artikel 4 lid 1, aanhef en onder c:
“De in artikel 3 bedoelde regels inzake de verhandeling van teeltmateriaal kunnen onder meer betrekking hebben op:
c. de voorwaarde dat teeltmateriaal van landbouwgewassen, bosbouwgewassen en groentegewassen uitsluitend in de handel wordt gebracht indien het afkomstig is van een ras dat of een opstand die is toegelaten en is ingeschreven in het rassenregister, dan wel is opgenomen op een vanwege de Europese Commissie vastgestelde gemeenschappelijke lijst van rassen.”
4. Aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen
De (on)verenigbaarheid van de nationale regeling met het Unierecht
4.1
Uit het onder 3 weergegeven juridisch kader volgt dat hennep is onderworpen aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna ook: GLB) van de Europese Unie9.en dat de teelt van hennep op grond van artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 onder de gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten valt. Dit brengt volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie met zich dat lidstaten zich moeten onthouden van elke maatregel die afwijkt van de gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten of die daarop inbreuk maakt.10.
4.2.1
Het GLB omvat onder meer een stelsel van rechtstreekse betalingen (subsidies) aan landbouwers.11.Dat stelsel is in zoverre relevant voor de hierna te stellen vragen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024 in de zaak Biohemp Concept SRL (hierna ook: Biohemp-arrest) volgt dat een verbod op het telen van hennep – in beginsel – niet verenigbaar is met het Unierecht, als door dat verbod de toegang tot de hennepmarkt wordt uitgesloten, terwijl de betreffende teelt wel in aanmerking zou komen voor GLB-steun.12.De Hoge Raad begrijpt dit arrest van het Hof van Justitie zo dat, ook als de producent van de hennep geen rechtstreekse betaling heeft aangevraagd voor het bebouwde areaal, de naleving van de aan die steun verbonden voorwaarden relevant kan zijn voor de beantwoording van de vraag of de teelt van hennep in een lidstaat als legaal moet worden aangemerkt en de strafbaarstelling van die teelt dus in strijd komt met het Unierecht.
4.2.2
Op grond van het Unierecht mogen de lidstaten om redenen van volksgezondheid wel beperkende maatregelen treffen in de vorm van een verbod, voor zover het betreffende “verbod geschikt is om het doel van bescherming van de volksgezondheid te bereiken en, rekening houdende met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het goed functioneren van de gemeenschappelijke ordening van de markten, niet verder gaat dan noodzakelijk is ter bereiking van het doel van bescherming van de volksgezondheid”.13.Bovendien moeten de lidstaten, wanneer zij beperkende maatregelen uitvaardigen om redenen van volksgezondheid, in staat zijn om deugdelijk bewijs aan te dragen, om aan te tonen dat zij daadwerkelijk een analyse van de geschiktheid, de noodzaak en de evenredigheid van de betrokken maatregelen hebben verricht, en om andere gegevens ter onderbouwing van hun betoog over te leggen. Deze bewijslast kan echter niet zo zwaar zijn dat de bevoegde nationale autoriteiten positief moeten aantonen dat het legitieme doel dat wordt nagestreefd, onder dezelfde omstandigheden niet met andere denkbare maatregelen kon worden bereikt.14.
4.3.1
Uitgaande van het voorgaande zou moeten worden geoordeeld dat de Nederlandse wetgeving met betrekking tot hennep niet in alle opzichten verenigbaar is met het Unierecht. Onder het bereik van de verbodsbepaling van artikel 3 Opiumwet valt namelijk in beginsel elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden, zoals bedoeld in lijst II van de Opiumwet. De Opiumwet maakt geen onderscheid wat betreft het THC-gehalte of het soort zaad waarmee de hennep is gekweekt.15.Dit geldt ook als de hennep bestemd is voor de productie van CBD-olie.
4.3.2
Wat betreft de verenigbaarheid met het Unierecht is verder van belang dat, in geval van een vervolging voor een Opiumdelict, het slechts in beperkte mate mogelijk is een beroep te doen op een exceptie.16.Artikel 12 Opiumwetbesluit bevat weliswaar een uitzonderingsgrond voor hennep die kennelijk is bestemd voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep. Deze ‘landbouwexceptie’ is echter alleen van toepassing als voldaan is aan de in die bepaling bedoelde voorwaarden, waaronder het vereiste dat de teelt plaatsvindt “in de volle grond en in de open lucht”. Omdat die exceptie alleen van toepassing is op de teelt van hennep voor “vezelproductie” of “zaadwinning voor vezelrassen” ziet deze verder ook niet op de teelt voor menselijke consumptie. Wat hiervoor is opgemerkt over de mogelijke spanning met het Unierecht moet tegen de achtergrond van de beperkte reikwijdte van de excepties op de Opiumwet worden bezien.
4.3.3
Uit de parlementaire geschiedenis van de Opiumwet volgt niet dat de wetgever de onder 4.1 en 4.2 vermelde aspecten van het Unierecht ten volle onder ogen heeft gezien en de onder 4.2.2 bedoelde analyse van de geschiktheid, de noodzaak en de evenredigheid van de betrokken maatregelen heeft verricht. Zoals hierna onder 4.4 tot en met 4.8 wordt uitgewerkt, moet vooralsnog worden geoordeeld dat de strafbaarstelling in artikel 11 in samenhang met artikel 3 Opiumwet onder de hierna te noemen omstandigheden niet verenigbaar is met het Unierecht, zolang deze analyse niet – met inachtneming van de door het Hof van Justitie genoemde gezichtspunten – door de wetgever is verricht.
De omstandigheid dat met gecertificeerd zaad is geteeld
4.4.1
In zijn conclusie voor dit arrest onder 36 en 50 neemt de advocaat-generaal het standpunt in dat het aanwezig hebben van hennep die geteeld is met gecertificeerd zaad niet mag worden verboden en dat de strafbaarstelling in artikel 11 in samenhang met artikel 3 Opiumwet in zoverre niet verenigbaar is met het Unierecht.
4.4.2
Voor die door de advocaat-generaal voorgestane uitleg van het Unierecht pleit onder meer dat de Unierechtelijke voorschriften over de teelt met gecertificeerd zaad ertoe strekken de risico’s voor de gezondheid te beperken die het gebruik van verdovende middelen met zich brengt door met die eis zo veel mogelijk te waarborgen dat de geoogste hennep niet meer THC bevat dan het maximaal toegestane THC-gehalte voor hennep die voor gemeenschapssteun in aanmerking komt.17.Dat komt onder meer tot uitdrukking in de considerans van de (inmiddels vervallen) Verordening (EEG) nr. 1430/82 waarin is overwogen dat met die verordening wordt beoogd de volksgezondheid te beschermen door de steun voor de hennepteelt te beperken tot “henneprassen die voldoende waarborgen bieden” en anderzijds de invoer van hennep en hennepzaad te verbieden “die deze waarborgen voor de volksgezondheid niet bieden”.
4.4.3
Verder lijken de bewoordingen van het arrest van het Hof van Justitie van 16 januari 2003 in de zaak Ulf Hammarsten18.er op het eerste gezicht op te duiden dat het voorhanden hebben en ook het invoeren van hennep vanuit een andere lidstaat in Nederland, niet mag worden verboden als de betreffende hennep is geteeld uit gecertificeerd zaad. In punt 38 van dat arrest overwoog het Hof van Justitie over de destijds geldende Verordeningen (EEG) nrs. 1308/70 en 619/71 (voorlopers van de huidige Verordening (EU) nr. 1308/2013) dat deze
“zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die tot gevolg heeft dat de teelt en het voorhanden hebben van de door de genoemde verordeningen bedoelde industriehennep wordt verboden.”
4.4.4
Hierbij is echter wel van belang dat de zaak Ulf Hammarsten ging om de verenigbaarheid met het Unierecht van een nationale wettelijke regeling die tot gevolg had dat de teelt en het voorhanden hebben van vezelhennep zonder meer werden verboden en dat het niet mogelijk was een vergunning te krijgen voor die teelt. De onder 4.4.3 weergegeven overweging van het Hof van Justitie lijkt in die context te moeten worden bezien. Dit roept de vraag op of uit het arrest Ulf Hammarsten kan of moet worden afgeleid dat het Unierecht zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die tot gevolg heeft dat de teelt en het voorhanden hebben van de in dat arrest bedoelde vezelhennep onder bepaalde omstandigheden worden verboden. Ook de onder 4.4.2 bedoelde considerans sluit zo’n verbod niet zonder meer uit als dat verbod noodzakelijk is met het oog op de volksgezondheid.
De betekenis van aanvullende voorwaarden naast de voorwaarde van teelt met gecertificeerd zaad
4.4.5
Ook om andere redenen kan worden betwijfeld of de enkele omstandigheid dat de hennep is geteeld met gecertificeerd zaad met zich brengt dat die hennep (in beginsel) als legaal moet worden aangemerkt. Die redenen houden verband met de manier waarop het GLB is vormgegeven. In het bijzonder zijn dan de zogenoemde ‘aanvullende voorwaarden’ van belang die in acht moeten worden genomen om in aanmerking te komen voor een rechtstreekse betaling.19.Zoals hierna wordt uitgewerkt, kan worden betoogd dat – ongeacht of voor de teelt van de betreffende hennep rechtstreekse betalingen zijn aangevraagd – niet alleen moet worden voldaan aan de eis dat de hennep is geteeld met gecertificeerd zaad maar dat, wil sprake zijn van ‘legale’ hennepteelt, ook moet zijn voldaan aan andere (aanvullende) voorwaarden die verband houden met de bescherming van de volksgezondheid en die ertoe strekken dat voor illegale hennepteelt geen GLB-steun wordt ontvangen.
4.4.6
De onder 4.4.5 bedoelde ‘aanvullende voorwaarden’ houden onder meer verband met de door de lidstaten op te zetten procedure ter verificatie van het THC-gehalte van de hennep die als onderdeel van het GLB wordt geteeld.20.Volgens onderdeel 4 van de preambule bij de Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126 is die verificatie van het THC-gehalte onder meer van “strategisch belang voor de bescherming van de volksgezondheid en voor de waarborging van de samenhang met andere wetgevingskaders, namelijk het strafrecht op het gebied van illegale drugshandel en de verbintenissen uit hoofde van internationale verplichtingen, zoals het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen”.Met het oog op die verificatie, en om illegale hennepteelt tegen te gaan, moeten personen die in aanmerking willen komen voor een rechtstreekse betaling voor het telen van hennep, aan een aantal specifieke normen voldoen. Voor hen geldt niet alleen dat zij gebruik moeten maken van het onder 4.4.2 bedoelde gecertificeerde zaad en dat zij ter controle op dat vereiste bij de aanvraag voor zo’n betaling het gebruikte zaadras en de gebruikte hoeveelheden zaaizaad, uitgedrukt in kilogram per hectare moeten vermelden, met overlegging van de in artikel 12 van de Richtlijn 2002/57/EG bedoelde documenten.21.In verband met die verificatieprocedure moeten die telers daarnaast voldoen aan de ‘teelteis’ dat – behoudens de in het Unierecht voorziene uitzonderingssituaties – pas tien dagen na het einde van de bloei mag worden geoogst om de verificatie van het THC-gehalte mogelijk te maken.22.In de nationale uitvoeringsregelingen van de lidstaten zijn de hiervoor genoemde normen waaraan telers zich moeten houden nader uitgewerkt, met onder meer nadere regels over de aanmelding van de teelt bij de bevoegde autoriteiten.23.
4.4.7
Als zou moeten worden aangenomen dat de onder 4.4.6 bedoelde normen alleen gelden voor telers die een rechtstreekse betaling (subsidie) hebben aangevraagd en niet voor telers die niet zo’n aanvraag hebben gedaan, zou het systeem ter verificatie van het THC-gehalte worden ondergraven. Het verificatiesysteem, dat (mede) strekt tot bescherming van de volksgezondheid, kan alleen goed functioneren als de autoriteiten die deze verificaties moeten uitvoeren op de hoogte zijn van de teelt en in de gelegenheid zijn om voor de oogst het THC-gehalte te controleren. Om die reden vraagt de Hoge Raad zich af of uit het Unierecht volgt dat de teelt van hennep (de plant Cannabis sativa) met gecertificeerd zaad volledig is geliberaliseerd.In dit verband is mede van belang dat, zoals onder 2.3.4 aan de orde is gekomen, het volgens een in deze zaak opgemaakt rapport van het NFI met de huidige technieken niet mogelijk is om door middel van forensisch onderzoek de naam van de betreffende variëteit vast te stellen. Als zou worden vereist dat door de opsporingsautoriteiten nader onderzoek wordt verricht naar het soort zaad waarmee aangetroffen hennep is geteeld, zal dit een groot beslag leggen op de capaciteit om illegale hennepteelt op te sporen en te vervolgen, nu forensisch onderzoek daarbij geen duidelijkheid kan verschaffen. Gelet op de belangen van de volksgezondheid lijkt het daarom in de rede te liggen dat op basis van het Unierecht alleen een exceptie wordt aangenomen als (ook) is voldaan aan de onder 4.4.6 bedoelde meldingsnorm en de teelteis van – kort gezegd – een oogst ten minste tien dagen na het einde van de bloei, nu die normen ertoe strekken die de autoriteiten in staat te stellen op eenvoudige en effectieve wijze te controleren of aan de onder 4.4.5 en 4.4.6 genoemde voorwaarden is voldaan.
In het licht van het doel van de gestelde drempelwaarde – de bescherming van de volksgezondheid – komt het de Hoge Raad voor dat bovendien vereist is dat het THC-gehalte van de geteelde hennep niet boven de drempelwaarde is (op dit moment 0,3%).
Voorlopig oordeel van de Hoge Raad
4.5.1
Op grond van het voorgaande komt de Hoge Raad tot het (voorlopige) oordeel dat, ongeacht of een rechtstreekse betaling (subsidie) is aangevraagd voor investeringen in de teelt van de betreffende hennep, de strafbaarstelling van artikel 11 in samenhang met artikel 3 Opiumwet van het aanwezig hebben en de invoer van hennep alleen buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het Unierecht als:
- de teelt van die hennep is aangemeld bij de door de lidstaat daartoe aangewezen instantie, met inachtneming van de voorschriften die op dat moment gelden met betrekking tot het moment dat die aanmelding moet plaatsvinden en de gegevens en documenten die daarbij moeten worden verstrekt; en
- bij de teelt gebruik is gemaakt van gecertificeerd zaad; en
- wat betreft het moment van de oogst van de hennep is voldaan aan de onder 4.4.6 bedoelde teelteis en
- het THC-gehalte van de geteelde hennep niet boven de drempelwaarde is van 0,3%.
4.5.2
In afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de onder 5 vermelde prejudiciële vragen zal de Hoge Raad daarom alleen een exceptie op basis van het Unierecht aannemen als aan die onder 4.5.1 bedoelde voorwaarden is voldaan.24.Op die exceptie kan ook een beroep worden gedaan als de verdachte niet zelf de hennep heeft geteeld, mits aannemelijk wordt dat sprake is van hennep waarvan de teelt in de onder 4.5.1 bedoelde omstandigheden heeft plaatsgevonden.
De omstandigheid dat de hennep in een andere lidstaat legaal is geteeld en het THC-gehalte niet hoger dan de drempelwaarde is
4.6
Zoals onder 2 aan de orde is gekomen, heeft het hof vastgesteld dat de in de bewezenverklaring onder 1 bedoelde hennep afkomstig is uit Spanje en dat een groot deel van deze hennep een THC-gehalte van minder dan 0,2% heeft. De verdediging heeft op de terechtzitting in hoger beroep over deze partij aangevoerd dat dit een pakket legale hennep was. De verdediging heeft niet nader toegelicht op grond waarvan de teelt van die hennep volgens de Spaanse wetgeving als legaal moet worden aangemerkt. Ook heeft de verdediging niet onderbouwd aangevoerd dat bij de teelt van die hennep gebruik is gemaakt van gecertificeerd zaad, terwijl ook het hof op dit punt geen vaststellingen heeft gedaan.In cassatie kan daarom niet als vaststaand worden aangenomen dat wat betreft de in de bewezenverklaring onder 1 bedoelde hennep is voldaan aan alle onder 4.5.1 genoemde voorwaarden. Dit roept de vraag op of in zo’n geval de enkele omstandigheden dat (i) het THC-gehalte lager is dan de onder 2.5.1 bedoelde drempelwaarde (op dit moment 0,3%) en (ii) de hennep in Nederland ingevoerd is uit een andere lidstaat waar de hennep volgens de daar geldende (al dan niet lokale) wetgeving legaal is geteeld, met zich brengen dat een exceptie op basis van het Unierecht moet worden aangenomen, zoals bedoeld onder 2.5.1.
4.7
In lijn met de conclusie van de advocaat-generaal (onder 35), kan op zichzelf worden betoogd dat in de onder 4.4.6 bedoelde preambule bij de Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126 de gedachte besloten ligt dat hennep met een THC-gehalte dat lager is dan de drempelwaarde niet schadelijk voor de volksgezondheid is. Daarbij moet echter wel in aanmerking worden genomen dat die gedelegeerde verordening ziet op situaties waarin de hennep is geteeld overeenkomstig de volgens het Unierecht geldende teelteisen. Op grond van uitsluitend die preambule kan daarom niet worden aangenomen dat de enkele omstandigheid dat het THC-gehalte lager dan de drempelwaarde is met zich brengt dat de betreffende hennep niet als een verdovend middel kan worden aangemerkt in de zin van het Enkelvoudig Verdrag. Het is daarom van belang om bij de beoordeling van de relevantie van het THC-gehalte acht te slaan op andere gezichtspunten die met het Unierecht samenhangen.
4.8.1
De cassatiemiddelen doen met betrekking tot de uit Spanje ingevoerde hennep (feit 1) onder meer een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van 19 november 2020, C663/18 (Strafzaak tegen B S en C A, hierna: het Kanavape-arrest). Dat arrest had betrekking op CBD die was gewonnen uit de volledige plant van een in Tsjechië rechtmatig gekweekte variëteit met een THC-gehalte van niet meer dan 0,2%. Het Hof van Justitie oordeelde dat deze CBD geen verdovend middel is in de zin van het Enkelvoudig Verdrag, dat “intrinsiek verbonden is met de stand van de wetenschappelijke kennis over de schadelijkheid van cannabisproducten voor de gezondheid van de mens”.25.In het licht hiervan en van de omstandigheid dat de CBD in Tsjechië rechtmatig was geproduceerd en verhandeld,26.verklaarde het Hof van Justitie voor recht dat artikel 34 en 36 VWEU aldus moeten worden uitgelegd “dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die de verhandeling verbiedt van in een andere lidstaat rechtmatig geproduceerde cannabidiol (CBD) die wordt geëxtraheerd uit de volledige cannabisplant en niet alleen uit de vezels en het zaad ervan, tenzij deze regeling geschikt is om de verwezenlijking van het doel van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dit doel te verwezenlijken”.
4.8.2
Deze Nederlandse zaak vertoont, nu de uit Spanje ingevoerde hennep (grotendeels) een THC-gehalte van niet meer dan 0,2% had, gelijkenis met de zaak die heeft geleid tot het Kanavape-arrest, waarin dat percentage van essentieel belang werd geacht door het Hof van Justitie. Daarvan uitgaande zou op zichzelf – in lijn met de cassatiemiddelen – kunnen worden betoogd dat wat het Hof van Justitie in dat arrest heeft overwogen, zoals samengevat onder 4.8.1, ook geldt voor de (onbewerkte) hennep in deze zaak die vanuit Spanje is ingevoerd, mits kan worden vastgesteld dat die hennep daar legaal is geteeld. Toepassing van de Nederlandse Opiumwetgeving zou dan in strijd zijn met artikel 34 VWEU, terwijl artikel 36 VWEU geen rechtvaardiging voor deze belemmering van het vrije handelsverkeer zou bieden.
4.8.3
De vervolgvraag is dan echter wel hoe het Kanavape-arrest moet worden uitgelegd in het licht van ontwikkelingen met betrekking tot de uitleg van het Enkelvoudig Verdrag die zich na het Kanavape-arrest hebben voorgedaan. Die ontwikkelingen houden verband met de aanbevelingen over de reikwijdte van het Enkelvoudig Verdrag die de Wereldgezondheidsorganisatie (hierna: WHO) op 24 januari 2019 heeft gedaan bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Een van de aanbevelingen was om bij lijst I bij het Enkelvoudig Verdrag een voetnoot op te nemen die in de Nederlandse vertaling luidt:
“Preparaten die overwegend cannabidiol en ten hoogste 0,2 procent delta-9-tetrahydrocannabinol bevatten, worden niet aan internationale controle onderworpen.”
4.8.4
Na een daartoe strekkend voorstel van de Europese Commissie heeft de Raad van de Europese Unie op 23 november 2020 er bij de in de Commissie Verdovende Middelen stemgerechtigde lidstaten van de Europese Unie op aangedrongen tegen het voorstel te stemmen.27.Als argument voor dat stemadvies houdt het besluit van de Raad van de Europese Unie onder meer in:
“(26) Die aanbeveling zou echter leiden tot een verlaging van het huidige controleniveau voor deze preparaten. Bovendien is de vaststelling van die grenswaarde van 0,2 % delta-9-tetrahydrocannabinol niet voldoende door wetenschappelijk bewijs gestaafd, de formulering van die aanbeveling sluit niet uit dat de berekeningswijze van die grenswaarde van 0,2 % delta-9-tetrahydrocannabinol niet op uiteenlopende wijze kan worden geïnterpreteerd, en de technische uitvoering van die aanbeveling zal moeilijk zijn om redenen van technische en administratieve capaciteit.”
Op de drieënzestigste zitting van de VN-Commissie Verdovende Middelen (van 2 tot en met 4 december 2020) is het betreffende voorstel van de WHO met een grote meerderheid verworpen.28.
4.8.5
In het licht van deze ontwikkelingen moet worden aangenomen dat de meerderheid van de staten die partij zijn bij het Enkelvoudig Verdrag – waaronder dus ook lidstaten van de Europese Unie – dit verdrag tegenwoordig zo uitlegt dat preparaten die ten hoogste 0,2% THC bevatten niet generiek buiten het Enkelvoudig Verdrag vallen, waarbij in verband met het vereiste controleniveau ook acht is geslagen op redenen van technische en administratieve capaciteit. Ook dit doet in nog sterkere mate de vraag rijzen of wel, zoals in de cassatiemiddelen betoogd, het vrij verkeer zich verzet tegen strafbaarstelling van de invoer en het aanwezig hebben van hennep met een THC-gehalte van minder dan 0,2% (dan wel naar huidig recht 0,3%) vanwege de omstandigheid dat alleen al vanwege dit THC-gehalte vast staat dat sprake is van goederen die op grond van het Unierecht vrij mogen worden verhandeld.
4.8.6
In dit verband kan ook worden gewezen op een uitspraak van het Ierse High Court van 25 juli 202429.in een zaak waarin, anders dan in deze Nederlandse zaak, geen onbewerkte hennep, maar CBD vanuit Spanje was ingevoerd en waarin de verdachte werd vervolgd wegens overtreding van de Misuse of Drugs Act 1977. De verdediging deed in die zaak een beroep op het vrij verkeer van goederen als bedoeld in artikel 34 VWEU omdat het THC-gehalte van het CBD-product lager was dan 0,2% en stelde in dat verband dat de CBD niet als een verdovend middel als bedoeld in het Enkelvoudig Verdrag kon worden aangemerkt.
Het High Court oordeelde in de eerste plaats dat niet aan het Kanavape-arrest kan worden ontleend dat hennepproducten met een laag THC-gehalte buiten de reikwijdte van het Enkelvoudig Verdrag vallen. Het High Court oordeelde verder dat, ook als veronderstellenderwijs zou moeten worden aangenomen dat het Hof van Justitie in het Kanavape-arrest wel van zo’n uitleg van het Enkelvoudig Verdrag is uitgegaan, in de betreffende Ierse zaak geen beroep kan worden gedaan op het vrij verkeer van goederen als bedoeld in artikel 34 VWEU. Het High Court verwees in dat verband onder meer naar de onder 4.8.3 en 4.8.4 bedoelde ontwikkelingen en de verplichting die uit het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht volgt om met die ontwikkelingen rekening te houden bij de uitleg van het Enkelvoudig Verdrag. Het High Court overwoog in dat verband onder meer:
“50. The contracting parties to the Single Convention on Narcotic Drugs expressly rejected an amendment which would have excluded preparations containing not more than 0.2 percent of delta-9-tetrahydrocannabinol from measures of control. Having regard to this legislative history, the Single Convention on Narcotic Drugs cannot sensibly be interpreted as excluding from its ambit preparations which fall below this threshold. To apply such an interpretation would be to disregard the express intentions of the contracting parties as expressed in December 2020 and would bring about the precise interpretation which they chose to reject. It follows, therefore, that a substance or preparation which contains even a low level of THC comes within the concept of a narcotic drug under the Single Convention on Narcotic Drugs, and, by logical extension, is not a good which is entitled to benefit from the principle of the free movement of goods under Article 34 TFEU.”
4.8.7
Naast de hiervoor geschetste ontwikkelingen met betrekking tot de uitleg van het Enkelvoudig Verdrag is in het licht van de voorliggende zaak ook van belang dat het in deze zaak niet gaat om CBD, maar om onbewerkte hennep. Het is niet evident dat de overwegingen in het Kanavape-arrest ook van toepassing zijn op die onbewerkte hennep. Zoals ook het Duitse Bundesgerichtshof in zijn uitspraak van 23 juni 202230.heeft geoordeeld, kunnen uit het Kanavape-arrest niet zonder meer algemene conclusies worden getrokken over de vraag of hennepplantdelen met een laag THC-gehalte als verdovende middelen moeten worden aangemerkt.31.
4.8.8
Een essentieel verschil is dat, anders dan bij de CBD die in het Kanavape-arrest aan de orde was, in geval van onbewerkte hennep Verordeningen (EU) nr. 1307/2013 (vervangen door Verordening (EU) 2021/2115) en nr. 1308/2013 van toepassing zijn. Dit betekent dat de vraag of de invoer of het aanwezig hebben van hennep is toegestaan, verband houdt met een landbouwsector die onder een gemeenschappelijke marktordening valt, en dat die vraag moet worden beantwoord aan de hand van de genoemde verordeningen.32.
4.9
Gelet hierop en op wat onder 4.4 en 4.5 is overwogen over de manier waarop de voorschriften over de gemeenschappelijke marktordening , in het bijzonder in het licht van de onder 3 weergegeven bepalingen uit Verordening (EU) 2021/2115 en de Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126, de grenzen voor de legaliteit van (gedragingen met betrekking tot) die hennep afbakenen, komt het de Hoge Raad voor dat de enkele omstandigheden dat (i) het THC-gehalte lager is dan de onder 2.5.1 bedoelde drempelwaarde (op dit moment 0,3%) en (ii) de hennep in Nederland ingevoerd is uit een andere lidstaat waar de hennep in overeenstemming met de daar geldende wetgeving is geteeld, onvoldoende is voor het aannemen van een exceptie op basis van het Unierecht. In afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de onder 5 vermelde prejudiciële vragen, gaat de Hoge Raad er daarom van uit dat alleen een exceptie op basis van het Unierecht, zoals bedoeld onder 2.5.1, moet worden aangenomen als voldaan is aan de onder 4.5.1 vermelde voorwaarden.
5. Verzoek om een prejudiciële beslissing
5.1.
Uit wat hiervoor onder 2.4 en 2.5 is overwogen volgt dat het hier vragen betreft van uitleg van Unierecht die relevant zijn voor de uitkomst van het geschil (in het bijzonder de vraag of en in hoeverre in het concrete geval artikel 11 in samenhang met artikel 3 Opiumwet buiten toepassing moet worden gelaten vanwege strijd met het Unierecht). Hoewel de Hoge Raad – met het oog op lopende zaken – een voorlopig oordeel heeft gegeven over deze vragen, kan niet worden gezegd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de manier waarop deze vragen moeten worden beantwoord, en ook niet dat deze vragen in de rechtspraak van het Hof van Justitie beantwoording hebben gevonden. De Hoge Raad zal daarom aan dat Hof de hierna te vermelden prejudiciële vragen voorleggen.
5.2
De eerste prejudiciële vraag luidt:
Brengt de enkele omstandigheid dat sprake is van hennep (Cannabis sativa L) die in een lidstaat van de Europese Unie is geteeld met zaad van een ras dat is opgenomen in de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen als bedoeld in Richtlijn 2002/53/EG met zich dat het Unierecht – in het bijzonder artikel 1 Verordening (EU) nr. 1308/2013, artikel 4 lid 4, tweede alinea, Verordening (EU) 2021/2115 en/of artikel 34 en 36 VWEU – in de weg staat aan de toepassing op die hennep van een nationale regeling, zoals die geldt op grond van artikel 11 in samenhang met artikel 3 Opiumwet,33.die onder meer het aanwezig hebben en het invoeren van (onbewerkte) hennep (Cannabis sativa L) vanuit een andere lidstaat verbiedt?
Om de redenen die onder 4.4 en 4.5 zijn besproken, komt het de Hoge Raad voorlopig voor dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.
5.3
De tweede prejudiciële vraag luidt:
Als de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord, brengen dan wel de omstandigheden dat
(i) de hennep is geteeld overeenkomstig de voorschriften die voortvloeien uit artikel 2 en 5 Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126, in het bijzonder de voorschriften over de melding van de teelt bij de daartoe aangewezen autoriteiten, het soort zaad waarmee wordt geteeld en het moment waarop wordt geoogst, en
(ii) het THC-gehalte van die hennep niet hoger is dan de drempelwaarde die overeenkomstig artikel 4 lid 4, tweede alinea, Verordening (EU) 2021/2115 is vastgesteld (op dit moment 0,3%),
met zich dat het Unierecht – in het bijzonder artikel 1 Verordening (EU) nr. 1308/2013, artikel 4 lid 4, tweede alinea, Verordening (EU) 2021/2115 en/of artikel 34 en 36 VWEU – in de weg staat aan de toepassing op die hennep van een nationale regeling, zoals die geldt op grond van artikel 11 in samenhang met artikel 3 Opiumwet, die onder meer het aanwezig hebben en het invoeren van (onbewerkte) hennep (Cannabis sativa L) vanuit een andere lidstaat verbiedt?
Om de redenen die onder 4.4 en 4.5 zijn besproken, komt het de Hoge Raad voor dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, ongeacht of de hennep in Nederland is geteeld dan wel in een andere lidstaat van de Europese Unie is geteeld en vanuit die lidstaat in Nederland is ingevoerd.
5.4
De derde prejudiciële vraag luidt:
Als de hennep vanuit een andere lidstaat van de Europese Unie in Nederland is ingevoerd, maar deze hennep niet is geteeld overeenkomstig de (teelt)voorschriften die voortvloeien uit Verordening (EU) 2021/2115 en de Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126 is nog de volgende vraag van belang:
Staat het Unierecht – in het bijzonder de Richtlijnen 2002/53/EG en 2002/57/EG, de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 en 2021/2115, de Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126 en/of artikel 35, 36 en 38 VWEU – in de weg aan een nationale regeling, zoals die geldt op grond van artikel 11 in samenhang met artikel 3 Opiumwet, die onder meer het aanwezig hebben en het invoeren van (onbewerkte) hennep (Cannabis sativa L) verbiedt, als die verboden betrekking hebben op een geval waarin
- het THC-gehalte van die hennep niet hoger is dan de drempelwaarde die overeenkomstig artikel 4 lid 4, tweede alinea, Verordening (EU) 2021/2115 is vastgesteld (op dit moment 0,3%), en
- de teelt van die hennep ten tijde van die teelt in overeenstemming was met de in de andere lidstaat geldende (lokale) wetgeving?
Om de redenen die onder 4.8 zijn besproken, komt het de Hoge Raad voor dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord in het licht van wat onder 4.4 en 4.5 is overwogen.
5.5
Alvorens verder te beslissen verzoekt de Hoge Raad het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak te doen over de hiervoor vermelde vragen.
6. Beslissing
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie naar aanleiding van het bovenomschreven verzoek uitspraak zal hebben gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, F. Posthumus, R. Kuiper en H.G. Sevenster, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑02‑2026
Voor zover zou moeten worden aangenomen dat de verdediging daarbij het oog had op de destijds in de regio Navarra geldende regeling, waarin hennep die geteeld werd door ‘cannabisclubs’ was gelegaliseerd, is van belang dat die regeling naderhand ongrondwettig werd verklaard. Vgl. de briefing voor het Europese Parlement van april 2024 door P. Bakowski, ‘Recreational use of cannabis, Laws and policies in selected EU Member States’, PE 762.307, p. 7 en 8.
PbEU C, C/2026/298.
Het besliskader ziet niet op gevallen waarin de hennep geteeld wordt overeenkomstig de regels die voortvloeien uit de Wet experiment gesloten coffeeshopketen.
Hoewel artikel 4 van deze verordening nog niet gold op het moment van de bewezenverklaarde feiten, toen de drempelwaarde op grond van Verordening (EU) nr. 1307/2013 0,2 % was, gaat de Hoge Raad op grond van het lex mitior-beginsel in deze zaak uit van de voor de verdachte meest gunstige drempelwaarde van 0,3 % die geldt op grond van artikel 4 van de Verordening 2021/2115.
Artikel 3 en 5 Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126 zijn, op de punten die hier aan de orde zijn, in de kern gelijk aan de bepalingen, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde golden op grond van artikel 45 lid 1 en 4 van de Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PbEU 2014, L 227, p. 69-124; hierna: Uitvoeringsverordening (EU) 809/2014).
Dit betreft de bepaling zoals die geldt sinds inwerkingtreding op 1 juli 2025 van de Wet van 29 januari 2025 tot wijziging van de Opiumwet in verband met het toevoegen van een derde lijst met als doel het tegengaan van de productie van en de handel in nieuwe psychoactieve stoffen en enkele andere wijzigingen, Stb. 2025, 32, welke bepaling op het aan de orde zijnde punt niet verschilt van de tekst, zoals die gold ten tijde van het bewezenverklaarde.
Vgl. artikel 38 lid 3 van het VWEU in samenhang met bijlage I (hoofdstuk 57.01) bij dat verdrag, waaruit volgt dat “hennep (Cannabis sativa), ruw, geroot, gezwingeld, gehekeld of anders bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (rafelingen daaronder begrepen)” onder het toepassingsbereik van het gemeenschappelijk landbouwbeleid valt.
Vgl. HvJ EU 4 oktober 2024, C–793/22 (Biohemp Concept SRL), punt 41.
Vgl. onder meer artikel 4 Verordening (EU) 2021/2115. In de zaak van het Biohemp-arrest ging het om de GLB-steun zoals bedoeld in artikel 17 van de Verordening (EU) nr. 1305/2013.
Vgl. het Biohemp-arrest, punt 46 tot en met 49.
Vgl. het Biohemp-arrest, punt 63.
Vgl. het Biohemp-arrest, punt 57.
Vgl. HR 31 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2114, rechtsoverweging 7.4, over het THC-gehalte van de hennep.
Vgl. Hof van Justitie 16 januari 2003, C-462/01 (Strafzaak tegen Ulf Hammarsten), punt 34 en 35.
Hof van Justitie 16 januari 2003, C-462/01 (Strafzaak tegen Ulf Hammarsten), punt 38.
Het betreft meer specifiek de voorwaarden die destijds golden op grond van artikel 32 lid 6 en artikel 35 lid 3 Verordening (EU) nr. 1307/2013 en die nu gelden op grond van Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126 of Verordening (EU) 2021/2115.
Vgl. artikel 3 van de Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126.
Vgl. de voorwaarden die destijds golden op grond van artikel 17 lid 7 van de Uitvoeringsverordening (EU) 809/2014 en die nu gelden op grond van artikel 10 lid 2 aanhef en onder e van de in Nederland geldende Uitvoeringsregeling GLB 2023, welke regeling strekt tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 2021/2115 en Verordening (EU) nr. 2021/2116.
Vgl. artikel 5 Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126.
Vgl. artikel 10 Uitvoeringsregeling GLB 2023.
Zie over die exceptie onder 2.5.1.
Vgl. punt 74 en 76 van het Kanavape-arrest.
Vgl. punt 77 van het Kanavape-arrest.
Zie over het voorstel en het stemadvies namens de Europese Unie daarover Besluit (EU) 2021/3 van de Raad van 23 november 2020, PbEU 2021, L 4, p. 1-6.
Commission on Narcotic Drugs, Report on the reconvened sixty-third session (2-4 December 2020), Economic and Social Council, Official Records, 2020, Supplement No. 8A, E/2020/28/Add.1, E/CN.7/2020/15/Add.1, onder 49.
[2024] IEHC 463, (Denise Lynch tegen Minister for Health c.s.). Het tegen deze uitspraak aangetekende beroep is verworpen; zie de uitspraak van de Court of Appeal van 31 oktober 2025, [2025] IECA 216.
ECLI:DE:BGH:2022:230622B5STR490.21.0 (5 StR 490/21), rechtsoverwegingen 7 tot en met 12. In de Duitse strafzaak ging het om bloemtoppen met een laag THC-gehalte en hoog CBD-gehalte (zogenoemde “CBD-Blüten”) die vanuit Spanje waren ingevoerd die volgens de verdediging legaal zouden zijn geteeld. Het Bundesgerichtshof (hierna: BGH) oordeelde dat ook als zou moeten worden aangenomen dat de hennep in Spanje legaal is geproduceerd, bestraffing van de handel in die hennep niet strijdig is met artikel 34 en 36 VWEU. Het BGH nam bij dat oordeel onder meer in aanmerking dat het Landgericht in die zaak op basis van een deskundigenbericht had vastgesteld dat bij verhitting van de CBD-Blüten het THC-gehalte daarvan kan worden verhoogd.
Vgl., in verband met de (Unierechtelijke) problematiek die in deze zaak aan de orde is, ook Cour de cassation 23 juni 2021, ECLI:FR:CCASS:2021:CR00810 (waarin werd overwogen dat artikel 34 en 36 VWEU, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in het Kanavape-arrest, zich verzetten tegen een nationale regeling die het in de handel brengen verbiedt van CBD die rechtmatig in een andere lidstaat is geproduceerd, wanneer het wordt gewonnen uit de Cannabis sativa-plant in haar geheel en niet enkel uit de vezels en de zaden ervan, tenzij die regeling geschikt is om de verwezenlijking van het doel van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van dat doel) en Conseil d'État 29 december 2022, ECLI:FR:CECHR:2022:444887.20221229 (waarin is geoordeeld dat het in die zaak aan de orde zijnde nationale verbod op het in de handel brengen van onbewerkte bloemen en bladeren van rassen van Cannabis sativa L met een THC-gehalte van minder dan 0,3% niet evenredig was en daarom nietig moest worden verklaard).
Vgl. de conclusie van de advocaat-generaal Keulen bij dit arrest onder 70.
Hier en hierna betreft het de regeling, zoals deze geldt in samenhang met artikel 8 Opiumwet en artikel 12 Opiumwetbesluit.
Conclusie 01‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling wegens onder meer medeplegen opzettelijk binnen grondgebied brengen en medeplegen opzettelijk aanwezig hebben van hennep, art. 3.A en 3.C Opiumwet. Eerste middel betreft overschrijding inzendtermijn in cassatie. Tweede middel bevat uos-klacht over buiten toepassing laten Opiumwet omdat hennep afkomstig is van plantenrassen die staan vermeld op door de EU uitgevaardigde gemeenschappelijke rassenlijst. Derde middel bevat de klacht dat het hof in strijd met Unierecht (vrij verkeer van goederen ex 34 VWEU) heeft geoordeeld dat bezit en binnen grondgebied brengen van elk deel van de cannabisplant, ongeacht THC-gehalte en afwezigheid geestverruimende effecten, strafbaar is. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 en 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 23/01263.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01262
Zitting 1 juli 2025
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 29 maart 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. ‘De eendaadse samenloop van: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel’, 2. ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ en 3. ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’, veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft de onttrekking aan het verkeer bevolen van de op de beslaglijst vermelde stoffen die vallen onder de Opiumwet en het hof heeft de teruggave aan de verdachte gelast van de op de beslaglijst vermelde stoffen die niet vallen onder de Opiumwet.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/01263. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.J.A.P. van Breukelen, advocaat in Arnhem, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Bespreking van het eerste middel
4. Het eerste middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
5. Het cassatieberoep is ingesteld op 30 maart 2023. De stukken van het geding zijn op 12 juli 2024 bij de Hoge Raad ingekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden meer dan zeven maanden is overschreden. Gelet op de opgelegde straf kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.1.
6. Het middel slaagt maar leidt niet tot cassatie.
Het tweede en derde middel
7. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het namens de verdachte ingenomen en uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het bij hem aangetroffen materiaal niet onder de Opiumwet valt. Het derde middel bevat de klacht dat het hof in strijd met het recht van de Europese Unie heeft geoordeeld dat elk deel van de cannabisplant waaraan de hars niet is onttrokken met uitzondering van de zaden valt onder het bereik van art. 3 jo. 11 Opiumwet en daarmee dat het bezit ervan dan wel het binnen het grondgebied van Nederland brengen ervan strafbaar is, ongeacht het THC-gehalte ervan en ongeacht het gegeven dat de betreffende plantendelen geen geestverruimende effecten hebben.
8. Voordat ik deze middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 en de daarop betrekking hebbende bewijsmiddelen weer, alsmede overwegingen van het hof. Ook citeer ik uit het proces-verbaal van de terechtzitting en een rapport van het NFI dat zich bij de stukken van het geding bevindt. En ik ga in op het Europees recht waar de steller van het middel zich op beroept, en op de Opiumwet en de Zaaizaad- en plantgoedwet (en daarop gebaseerde regelgeving).
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen, overwegingen van het hof, proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, rapport NFI
9. Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:
‘1.
hij in de periode van 20 april 2017 tot en met 21 april 2017 te [plaats] en [plaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) en aanwezig heeft gehad ongeveer 7 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.
hij op 21 april 2017 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;’
10. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1.
Proces-verbaal van overdracht d.d. 21 april 2017, (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op 20 april 2017 bevond ik, [verbalisant 2] , mij bij [A] (hierna te noemen: [A] ), te [plaats] . Ik was aldaar belast met de controle van pakketten welke werden ingevoerd en uitgevoerd.
Omstreeks 07.55 uur werd ik aangesproken door een chauffeur van [A] . Ik hoorde dat hij tegen mij zei dat hij in zijn auto vier pakketten had geladen waar vermoedelijk wiet in zat en dat hij dat wist omdat hij de geur herkende. Op mijn verzoek heeft de chauffeur de pakketten uit zijn auto gehaald en bij mij gebracht. Ik zag dat één pakket geopend was en zag daarin de mij ambtshalve bekende toppen van hennepplanten. Tevens rook ik de mij ambtshalve bekende geur van hennep.
Ik zag dat op elk pakket een etiket bevestigd was. Ik zag dat op elk etiket onder andere het volgende vermeld stond:
- canamo industrial;
- ship to: mother nature finest;
- [a-straat 1] [plaats] .
Nadat de pakketten aan mij, [verbalisant 1] , overhandigd waren, rook ik de mij ambtshalve bekende geur van hennep en zag ik in het geopende pakket de mij ambtshalve bekende henneptoppen. Tevens zag ik dat op een pakket een aantal documenten bevestigd was in vermoedelijk de Spaanse taal.
Ik heb vervolgens contact opgenomen met de politie te [plaats] en de informatie inzake de aangetroffen pakketten met henneptoppen doorgegeven.
Op 21 april 2017 omstreeks 08.30 uur werd ik gebeld door collega [verbalisant 3] van de politie welke mij mededeelde dat de pakketten overgedragen konden worden aan de politie.
2.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 april 2017, (…), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 4] :
Op 21 april 2017 werd door mij informatie verkregen dat personeel van de douanedienst [plaats] bij de koeriersdienst [A] te [plaats] 4 dozen uit Spanje had onderschept met vermoedelijk gedroogde henneptoppen.
Deze dozen waren geadresseerd aan: [B] , gevestigd te [plaats] , [a-straat 1] .
In overleg met de officier van justitie werd besloten een gecontroleerde levering te laten plaatsvinden van deze 4 pakketten op bovengenoemd adres.
Op 21 april 2017, omstreeks 13.45 uur, werden bovenomschreven pakketten door mij afgeleverd op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Bij aankomst zag ik dat dit een winkelpand was. Ik ben de winkel binnengelopen. Ik zag dat in de winkel een man aanwezig was. Ik deelde hem mede dat ik namens [A] 4 pakketten kwam afleveren. De man deelde mij mede dat hij op deze pakketten zat te wachten. Ik heb de 4 pakketten uit de transportauto gehaald en in de winkel gezet.
Ik verzocht de man op de afleveringslijst zijn naam en handtekening te zetten achter de pakketnummers. Ik zag dat de man de naam [verdachte] noteerde en onder zijn naam een handtekening plaatste.
Na aflevering van de pakketten heb ik de winkel verlaten.
3.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 april 2017, (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :
Op 21 april 2017 omstreeks 14.05 uur hebben wij samen met overige collega’s het bedrijfspand gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] betreden ter inbeslagneming.
Wij zagen dat het adres een winkelpand betrof.
Op een van de bankstellen zagen wij drie dozen staan die wij herkenden als de dozen die behoren bij de gecontroleerde aflevering. Deze drie dozen werden in beslag genomen.
Links tegen de wand van deze ruimte bevond zich een houten kast met verschillende legplanken. In de linkerwand van deze ruimte was een gedeelte van de kast naar achter bewogen en fungeerde zo als een deur. Deze deur stond open. Achter deze deur was nog een ruimte. Langs de wanden waren stellingen ingericht. In het midden van de ruimte stond eveneens een stellingkast. In de stellingen en stellingkasten zagen wij afgesloten plastic bakken staan, alle met inhoud. Op de vloer rechts naast de middelste stellingkast stond een stapel met plastic bakken. In de rechterwand van de ruimte, gezien vanuit de deuropening, zagen wij nog een doorgang. Deze doorgang gaf toegang tot een vierde ruimte. Ook in deze ruimte stonden twee stapels met plastic bakken. Ook zagen wij meerdere plastic zakken met daarin goederen lijkend op takken. In deze vierde ruimte stond links naast de ingang een bureau. Op dit bureau stonden verschillende plastic bakken en glazen flesjes. Vanuit de ruimte met de banken kon je rechtdoor verder naar achteren in het pand. Wij zagen dat hier een keukengedeelte was gesitueerd. Links van de keuken zagen wij een deur die openstond. Bij het binnentreden van deze kamer zagen wij dat deze kamer een kantoor betrof met hierin een bureau en diverse mappen en foto’s. Tevens trof ik, [verbalisant 5] , de vierde doos aan die ik terug herkende als een van de dozen die behoorde bij de gecontroleerde aflevering. Ik, [verbalisant 5] , zag dat deze doos geopend was. Ik, [verbalisant 5] , zag dat de inhoud van deze doos plantenmateriaal betrof die ik terug herkende als hennepplanten. Ik herkende de planten ambtshalve aan de geur en uiterlijke kenmerken.
Omstreeks 15.00 uur zagen wij, [verbalisant 6] en [verbalisant 5] , dat er een, voor ons onbekende vrouw, in het pand was. Zij bleek na eigen zeggen de vrouw van de eerder aangehouden man en mede-eigenaresse van de zaak te zijn. De vrouw betrof [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] , de vrouw van de verdachte). [medeverdachte] is door collega’s ter plaatse aangehouden.
4.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 april 2017, (…), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 7] :
Op 21 april 2017 werd mij aan het afdelingsbureau te [plaats] een inbeslaggenomen stof aangeboden, welke ik herkende als zijnde hennep, aangeboden door opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , met het verzoek een onderzoek in te stellen naar de aard van deze stof.
Ik zag daarbij dat: een kartonnen doos met daarin planten materiaal afkomstig van hennepplanten zat.
Door mij werd voornoemde stof getest met de M.M.C. International B.V. Cannabis Test. Ik zag dat de test positief reageerde op de aanwezigheid van hennep producten en/of derivaten daarvan.
Hennep is vermeld op lijst II, behorende bij de Opiumwet.
5.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2017, (…), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 9] :
Op 23 april 2017 werd mij aan het afdelingsbureau te [plaats] vier dozen met als inhoud plantenmateriaal, welke ik herkende als zijnde hennep, aangeboden met het verzoek om een onderzoek in te stellen. Door [verbalisant 7] was al 1 doos onderzocht (het hof begrijpt: de inhoud van de onderzochte kartonnen doos uit bewijsmiddel 4)
Doos 1 heb ik gewogen met een weegschaal. Ik zag dat het gewicht 3.30 kilo was. Doos 1 heb ik geleegd. Ik heb deze lege doos gewogen met een weegschaal. Ik zag dat het gewicht van de lege doos 0.80 kilo was.
Doos 2 heb ik gewogen met een weegschaal. Ik zag dat het gewicht 3.25 kilo was.
Doos 3 heb ik gewogen met een weegschaal. Ik zag dat het gewicht 3.30 kilo was.
Doos 4 heb ik gewogen met een weegschaal. Ik zag dat het gewicht 3.25 kilo was.
Door mij werd de inhoud van doos 2, 3 en 4 getest met de M.M.C. International B.V. Cannabis Test.
Ik zag dat de testen positief reageerden op de aanwezigheid van hennep producten en/of derivaten daarvan.
6.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2017, (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 5] :
Op 26 april 2017 werd mij, [verbalisant 8] , plantenmateriaal aangeboden door [verbalisant 5] met het verzoek de aard van het plantenmateriaal vast te stellen. Het plantenmateriaal werd op 21 april 2017 inbeslaggenomen op het adres [a-straat 1] te [plaats] .
Al het aangeboden materiaal zat in plastic bakken of zakken en is meegenomen zoals het ter plaatse werd aangetroffen. Iedere eenheid, dus zak of bak, was voorzien van een sticker met nummer dat relateert naar de plaats waar het is aangetroffen.
Ik heb eerst alle eenheden onderzocht op geur en op uiterlijke kenmerken.
Hierna heb ik de eenheden gesorteerd die gelijkend waren qua uiterlijke kenmerken en geur. Te weten:
Nummers 1-8, 10-18.
Rek 1 nummers 3-5, 9-16, 19, 21, 23.
Rek 2 nummers 1, 4-6, 8-11, 13-22.
Rek 3 nummers 1, 4-22.
Rek 4 nummers 12-16, 18-23, 27.
Stapel nummers 1-9.
Los zak nummers 1-2, 4.
Ik zag en rook dat het plantenmateriaal mij bekend voorkwam als delen van de hennepplant, namelijk blad, stelen, stammen en bloemen.
In enkele eenheden werden ook zakjes poeder en enkele zakjes zaden, vermoedelijk hennepzaden, aangetroffen.
Door mij werd willekeurig enkele van voornoemde hennepdelen getest met de M.M.C. International B.V. Cannabis Test.
Ik testte de hennepdelen met de volgende aanduiding:
1) Nummer 12
2) Rek 1 nummer 9
3) Rek 1 nummer 13
4) Rek 2 nummer 1
5) Rek 2 nummer 22
6) Rek 4 nummer 27
Nadat ik het in beslaggenomen plantenmateriaal/testmateriaal in de testbuis had gebracht, zag ik dat de in de testbuis aanwezig kristallen verkleurden naar de op de testbuis aangegeven kleur, hetwelk duidde op de aanwezigheid van hennep, strafbaar gesteld op lijst II van de Opiumwet.
(…)
Hierna heb ik de andere eenheden gesorteerd op geur en uiterlijke kenmerken. De volgende eenheden waren qua geur en uiterlijk gelijkend:
Rek 1 nummers 2, 17, 22.
Rek 4 nummers 25, 31.
Ik zag dat het materiaal bestond uit poeder met vezels. Ik rook de voor mij bekende en duidelijke hennepgeur.
Door mij werd willekeurig een van voornoemde eenheden/hennepdelen getest met de M.M.C. International B.V. Cannabis Test. Ik testte de hennepdelen/eenheid met de volgende aanduiding: 7) Rek 1 nummer 2.
Nadat ik het in beslaggenomen plantenmateriaal/testmateriaal in de testbuis had gebracht, zag ik dat de in de testbuis aanwezig kristallen verkleurden naar de op de testbuis aangegeven kleur, hetwelk duidde op de aanwezigheid van hennep.
Hierna heb ik de andere eenheden, de zakjes poeder zoals eerder omschreven, gesorteerd. Deze zakjes poeder waren gelijkend qua uiterlijke kenmerken en geur, te weten:
Rek 2 nummers 10, 18, 20-21.
Rek 4 nummers 19, 23-24, 26.
Ik zag dat het materiaal bestond uit poeder. Ik rook de voor mij bekende en duidelijke hennepgeur. Door mij werden willekeurig enkele van voornoemde eenheden/hennepdelen getest met de M.M.C. International B.V. Cannabis Test. Ik testte de hennepdelen met de volgende aanduiding:
8) Rek 2 nummer 10.
9) Rek 4 nummer 24.
Nadat ik het in beslaggenomen plantenmateriaal/testmateriaal in de testbuis had gebracht, zag ik dat de in de testbuis aanwezig kristallen verkleurden naar de op de testbuis aangegeven kleur, hetwelk duidde op de aanwezigheid van hennep.
7.
Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 april 2017, (…), voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :
Het verhoor wordt afgenomen op de wijze van vraag verbalisant (V), opmerking verbalisant (O) en antwoord verdachte (A).
V: Wat voor bedrijf hebben jullie?
A: Natuurproducten. Wij maken (...) thee, olie, (...).
V: Hebben jullie een ontheffing voor medicinale hennep bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, afdeling CIBG?
A: Weet ik niet. Wat wij hebben is CBD olie in de vrije handel.
V: Waar halen jullie de producten vandaan?
A: Wij produceren zelf. We werken samen met artsen en ziekenhuizen.
V: Wat hebben jullie vandaag binnen gekregen via de post?
A: Ik was op de hoogte dat er een pakket uit Spanje zou komen van vezelhennep.
8.
Een schriftelijk bescheid, te weten de handgeschreven aantekeningen, die (…) afkomstig zijn uit de inbeslaggenomen administratie van [verdachte] , (…), voor zover inhoudende:
Hennep tunnels
1 zak, 1e oogst +/- 1200 gram
1 zak 2e oogst +/- 1200 gram
½ zak 28 aug +/- 600 gram
½ zak 28 aug +/- 600 gram
Geknipt 30-8, gedroogd in de zon op stoep +/- 8 uur. Daarna op zolder gedroogd 858 gram. Geoogst 3-09 eerst gedroogd onder afdak en vanaf 10-09 op zolder gedroogd 1257 gram.
Stengels-toppen blad voorste tunnel
Geknipt 05-09, 2 dagen op stoep gedroogd
Vanaf 08-09 op zolder gedroogd
Hennep voorste tunnel, geknipt 04-09
Op zolder gedroogd
Samen: 1439 gram.
(...)
Mannetjes, middelste tunnel, geoogst 10-09
Gedroogd op zolder 1141 gram
Mannetjes, voorste + achterste tunnel, geoogst 10-09
Gedroogd op zolder 870 gram
9.
De verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 15 maart 2023, voor zover inhoudende:
De door de politie aangetroffen en inbeslaggenomen hennepplantdelen waren van ons. Wij hadden hennep uit eigen kweek en kochten industriële hennep. Onze winkel ‘ [B] ’ leverde producten die bestemd waren voor de consumptie. (...) De advocaat-generaal vraagt mij naar de notities op pagina 128 van het procesdossier. Ik zie daarop handschriften van mezelf en van mijn vrouw. Die 1200 gram bij de aantekening ‘1e oogst 1200 gram’ ziet op de eerste oogst en wat er is gewogen. Dat betreft industriële hennep. De advocaat-generaal vraagt mij nogmaals waar de 1200 gram exact op ziet. Dat betreft ruw planten materiaal. (...) De advocaat-generaal vraagt mij wat een tunnel is. Dat doe je voor bepaalde weersomstandigheden, mocht dat nodig zijn. Daarmee scherm je af voor regen, water of wind. Als je zegt een tunnel, dan is dat een welbekende tunnel. In de kersenteelt is dat bijvoorbeeld een paal en dan een boogje met een stuk plastic, al dan niet open gegooid. U, voorzitter, vraagt mij om wat voor tunnel het in dit geval gaat. Ik heb het van mijn zus haar kersenteelt afgekeken. Het is een improvisatie daarvan. We hadden namelijk een tunnelkast die opengemaakt was, zodat de functie als tunnelkast verviel, maar wel als beschutting gebruikt kon worden.
(…)
U vraagt mij naar de dozen uit Spanje. [betrokkene 1] bood mij samples van industriële hennep aan. We hebben hierover gesproken. Ik zei tegen [betrokkene 1] dat samples altijd welkom waren. Je hebt behoorlijk wat nodig om te testen. Ik test iets voordat ik het inkoop. Een sample van 11 kilo is gebruikelijk. [betrokkene 1] heeft hierin bemiddeld. We ontvingen een track-and-trace code van [betrokkene 1] . Toen zagen we dat het pakket uit Spanje kwam. We hebben hierop verder geen actie ondernomen. Toen de dozen werden geleverd heb ik ze aangenomen. Op de dozen uit Spanje stond de aanduiding ‘industriële hennep’. Toen de politie kwam, had ik één van de dozen geopend.
10.
Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Onderzoek aan materiaal van hennepplanten in beslag genomen in [plaats] op 21 april 2019 (het hof begrijpt: 2017)’ d.d. 10 december 2019, aanvraagnummer 003 en 004, opgemaakt door de NFI-deskundige dr. [deskundige] , voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:
(…)
Zaaksgegevens
Parketnummer: 01/860193-18, 01/860194-18
Verdachten: [verdachte] , [medeverdachte]
(…)
1. Te onderzoeken materiaal
(BFK: tabel)
Verkregen informatie
Bij aanvraag 003 is het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, van 11 januari 2019 gevoegd met parketnummer 01/860193-18. Hierin staat vermeld:
“De rechtbank verwijst de zaak naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde het Nederlands Forensisch Instituut nader onderzoek te laten doen naar de onder verdachte inbeslaggenomen plantdelen en de plantdelen die zijn aangetroffen in de vanuit Spanje aan verdachte geleverde dozen met plantdelen te determineren en daarvan voor zover mogelijk het ras van de planten vast te stellen.”
In september zijn vier bemonsteringen ontvangen met daarbij een nieuw aanvraagformulier (004). Hierop staat de volgende omschrijving:
“Bij verdachte werden diverse baken en dozen met planten aangetroffen. Het bleek hier om hennepplanten te gaan. Door verdachte en zijn verdediging wordt aangevoerd dat het hier enkel gaat om rassen die nauwelijks THC bevatten. Deze rassen zouden vallen onder de uitzondering van rassen die gekweekt mogen worden voor onder meer vezelproductie.”
(…)
Conclusie
(...)
Wel is vastgesteld dat het DNA van de deelmonsters en bemonsteringen [AALT0206NL], [AAEJ1951NL], [AALE4408NL] en [AALE4409NL] codeert voor het ‘vezel-type’ van Cannabis.
11.
Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Vervolg onderzoek aan materiaal van hennepplanten in beslag genomen in [plaats] op 21 april 2019 (het hof begrijpt: 2017)’ d.d. 20 mei 2020, aanvraagnummer 005 en 006, opgemaakt door de NFI-deskundige dr. [deskundige] , voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:
(…)
Zaaksgegevens
Parketnummer: 01/860193-18, 01/860194-18
Verdachten: [verdachte] , [medeverdachte]
(…)
In aanvraag 005 zijn 99 uniek gecodeerde gripzakjes met daarin botanisch materiaal aangeleverd. In aanvraag 006 zijn 82 uniek gecodeerde gripzakjes met daarin botanisch materiaal aangeleverd. Op het aanvraagformulier staat de volgende omschrijving:
Bij verdachte werden diverse bakken en dozen met planten aangetroffen. Het bleek hier om hennepplanten te gaan. Door verdachte en zijn verdediging wordt aangevoerd dat het hier enkel gaat om rassen die nauwelijks THC bevatten. Eerder werden al vier bemonsteringen aangeboden voor eenzelfde onderzoek. De rechtbank wil echter dat alle inbeslaggenomen plantenresten worden gedetermineerd. Deze plantenresten bevonden zich in 64 bakjes en 4 dozen. In de bakjes werden meerdere verschillende plantenresten aangetroffen waardoor een veelvoud aan bemonsteringen is ontstaan.
(…)
Tabel 1 Overzicht te onderzoeken materiaal (aangeleverd in aanvraag 005)
SIN Omschrijving FO Resultaten onderzoek NFI
Beschrijving NFI plant type
(…)
AAMG7779NL 3,9 gram plantmateriaal Gedroogde stengels met Cannabis drugs
uit doos 4 aangehechte wortels
(…)
AAMG7783NL 5.2 gram plantmateriaal Groene gedroogde bloeiwijze Cannabis drugs
uit bakje “rek 4 bak 12” met zaden
(…)
AAMG7806NL 3.3 gram plantmateriaal Groene gedroogde bloeiwijze Cannabis drugs
uit bakje “rek 3 bak 5” met zaden
(…)
AAMG7810NL 4 gram plantmateriaal Groene gedroogde Cannabis drugs
uit bakje “rek 3 bak 10” bladfragmenten
(…)
AAEI11843NL 0,7 gram plantmateriaal Groene gedroogde Cannabis drugs
uit bakje “rek 1 bak 18” bladfragmenten met zaden
(…)
AAEI1802NL 3,5 gram plantmateriaal Groene gedroogde Cannabis drugs
uit bakje “rek 3 bak 21” bladfragmenten
(…)
AAMG1368NL 0,88 gram planten- Groene gedroogde stengels Cannabis drugs materiaal uit met enkele
draadkool 3: r4-18 bloemfragmenten
(…)
AAMG1359NL 0,15 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs
materiaal uit bladfragmenten
draadkool 3: r4-19
(…)
AAMY0423NL 1,4 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs
materiaal uit bloeiwijze met zaden
draadkool 5: r3-6
Tabel 2 Overzicht te onderzoeken materiaal (aangeleverd in aanvraag 006)
SIN Omschrijving FO Resultaten onderzoek NFI
Beschrijving NFI plant type
AAMG1355NL 2,5 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs
materiaal uit bladfragmenten met zaden
draadkool 3: r3-4a
(…)
AAMG1373NL 2,35 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs
materiaal uit bladfragmenten met zaden
draadkool 3: zak 1
(…)
AAJJ5516NL 1,88 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs
materiaal uit bloeiwijze met zaden
draadkool 3: zak 2
(…)
AAMY1735NL 3,5 gram planten- Drie zakjes met in ieder Cannabis drugs
materiaal uit groene gedroogde
draadkool 3: rek 2-9 bladfragmenten met zaden
(…)
AAMY0364NL 0,48 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs
materiaal uit bladfragmenten met zaden
draadkool 5: r4-21
(…)
AAMY0386NL 0,14 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs
materiaal uit bladfragmenten met zaden
draadkool 5: r3-20
(…)
AAMY0389NL 1,51 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs
materiaal uit bladfragmenten met zaden
draadkool 5: r3-8
(…)
AAJJ5518NL 5,89 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs
materiaal uit bloeiwijze met zaden
draadkool 5: r4-23c
(…)
7 Conclusie
(...)
Er is vastgesteld dat het DNA van 142 deelmonsters codeert voor het ‘vezel-type’ van Cannabis.
(...)
Tevens is vastgesteld dat het DNA van twintig deelmonsters codeert voor het ‘drugs-type’ van Cannabis.
12.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 27 november 2020, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] :
Wij leveren aan zorginstellingen en er zijn artsen en specialisten uit ziekenhuizen die goedkeuren dat hun cliënten onze producten gebruiken. Ik monitor daarbij hoe het gaat met cliënten terwijl ze ondertussen ook reguliere zorg krijgen.
13.
Een schriftelijk bescheid, te weten een door de verdediging in hoger beroep ingebracht document “Uitwerking gesprek 02-09-2017 tussen [verdachte] , [medeverdachte] en [verbalisant 5] Team Recherche […] , geluidsopname nr. 018 (ophalen spullen op het politiebureau [plaats] )’ voor zover inhoudende als opmerkingen van ‘ [verdachte] ’ (het hof begrijpt: [verdachte] ):
[verdachte] : De artsen kijken mee wat gebeurt er aan veranderingen, doen wij ook. Wij stemmen zelfs af op medicijnen. Dus mensen krijgen een persoonlijk 1 op 1 iets. In een keer waren wij de communicatie kwijt, dus een arts belt mij op en die zegt wat gaan we doen. Wij houden de zaakjes goed op orde. Zelfs het [ziekenhuis] (het hof begrijpt: het [ziekenhuis] ) stuurt mensen naar ons toe.
Spanje is wat dat betreft een sample dat ons toe is gestuurd he. Ik zocht een andere grondstof bij de grondstof die ik al ter beschikking had.
De gemeente is eigenlijk vanaf het moment dat ik voor patiënten op ging staan met het project ‘Gratis blowen’ tegen mij geweest. Want ik zou de verkeerde intenties hebben growshop bla bla bla. Nou ik ben een wietkweker al heel mijn leven. Ik kweek al 35 jaar bekant wiet. Daar ben ik mee opgegroeid. Alleen hebben wij keuzes gemaakt om voor patiënten op te gaan staan en op te komen vooral.
14.
De foto, (..) (het hof begrijpt: een foto van een van de dozen uit Spanje):
Het hof neemt op de foto’s een groot etiket op een doos waar met als opschrift “Cañamo industrial’ (het hof begrijpt: een groot etiket op de dozen uit Spanje, waarbij de tekst “Cañamo industrial’ in het Nederlands betekent industriële hennep)
15.
De foto, (…) (het hof begrijpt: een foto van een van de dozen uit Spanje):
Het hof neemt op de foto een groot etiket waar met als opschrift: [C] , [plaats] Spain’ en ‘Ship to: [B] , [a-straat 1] [plaats] , Netherlands’.
16.
De foto, (…) (het hof begrijpt: foto’s van de vier dozen uit Spanje):
Het hof neemt op de foto’s waar een viertal dozen met daarin takken met bladeren.
17.
De foto’s, (…) (het hof begrijpt: foto’s van op 21 april 2017 bij het bedrijf van verdachte en zijn medeverdachte aangetroffen en inbeslaggenomen materiaal):
Het hof neemt op de foto’s op pagina 148 waar een grote hoeveelheid doorzichtige plastic bakken met inhoud.
Verder neemt het hof op de foto’s op dossierpagina’s 149 tot en met 154 waar dat in de op die foto’s weergegeven bakken onder meer takken, bladeren en andere plantdelen te zien zijn.’
11. Met betrekking tot de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 en de op te leggen straf heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
‘Bewijsoverwegingen
(…)
Ten aanzien van feit 2
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het gedrag van de verdachte en [medeverdachte] valt onder de reikwijdte van de strafbepalingen van de Opiumwet en dat de uitzondering van artikel 12 van het Opiumwetbesluit niet van toepassing is.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde. Daartoe is samengevat aangevoerd dat het bij de verdachte aangetroffen materiaal enerzijds niet onder de Opiumwet valt, hetgeen tot vrijspraak moet leiden en voor het overige dat de exceptie van artikel 12 van het Opiumwetbesluit van toepassing is. De verdediging heeft daarbij verwezen naar de licentie voor het CBD-project, zoals opgenomen als bijlage 2 bij de pleitnota, waaruit zou volgen dat de verdachte over een deel van de aangetroffen en inbeslaggenomen hennepplantdelen mocht beschikken, nu deze afkomstig waren uit eigen kweek in het kader van dit CBD-project. Tevens stelt de verdediging zich op het standpunt dat op basis van het dossier volstrekt onduidelijk is wat het gewicht van de aangetroffen producten is. Het vaststellen van een exacte hoeveelheid anders dan ‘meer dan 30 gram’ is dan ook onmogelijk.
(…)
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Artikel 3 van de Opiumwet luidt als volgt:
‘Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
D. te vervaardigen.’
Op lijst II van de Opiumwet is onder meer vermeld:
‘Hennep: elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waarvan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden.
Voorts luidt artikel 12 van het Opiumwetbesluit als volgt:
"De verboden, gesteld in artikel 3, aanhef en onder B, van de wet, gelden niet voor hennep die kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod op het telen van hennep slechts geldt voor zover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht."
In de toelichting op het Opiumwetbesluit (Stb. 2002, 624) wordt onder meer overwogen:
"In artikel 12 is een uitzondering gemaakt op de verboden van de Opiumwet voor de handelingen die noodzakelijk zijn voor het gehele industriële proces van de teelt van de vezelhennep op het veld tot de verwerking van de plant tot eindproducten in de fabriek. Ook de vermeerdering van de vezelhennepplant wordt onder dit proces begrepen. Het gaat om de handelingen: telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren. Door te kiezen voor het begrip volle grond en open lucht is bewerkstelligd dat degenen die hennep telen voor bewustzijnsbeïnvloedend gebruik onder plastic of in kassen of andere ruimten waar het dak geheel of gedeeltelijk geopend kan worden, zich niet op deze vrijstelling kunnen beroepen. Iedereen die hennep binnen teelt alsmede ieder die hennep teelt voor andere doeleinden dan vezelproductie of zaadwinning voor vezelrassen moet in het bezit zijn van een opiumwetontheffing. Dit vergemakkelijkt de bewijsvoering."
In zijn arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2337 (r.o. 2.5) heeft de Hoge Raad overwogen dat op grond van de totstandkomingsgeschiedenis van het Opiumwetbesluit moet worden aangenomen dat de exceptie als bedoeld in artikel 12 van het Opiumwetbesluit ook geldt ten aanzien van het aanwezig hebben van hennep als bedoeld in art. 3, aanhef en onder C, Opiumwet, indien en voor zover die gedraging onlosmakelijk verbonden is met het productieproces van de vezelhennep en aan de overige eisen van art. 12 Opiumwetbesluit is voldaan.
Het hof begrijpt uit de bewijsmiddelen − in onderling verband en samenhang beschouwd − dat de verdachte en [medeverdachte] producten (waaronder CBD-olie) van hennepplantdelen maakten en leverden aan cliënten/patiënten van artsen/ziekenhuizen/zorginstellingen, dat die producten bestemd waren voor de consumptie door deze cliënten/patiënten en dat het niet anders kan zijn dan dat die consumptie erop is gericht te helpen om klachten te verminderen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte en [medeverdachte] − zoals zij in hoger beroep naar voren hebben gebracht en uit stukken in het kader van een procedure met betrekking tot bijzondere bijstand blijkt die door de verdediging in eerste aanleg zijn overgelegd (bijlage bij pleitnotitie) − ter behandeling van hun eigen lichamelijke en psychische klachten al jarenlang cannabisproducten (cannabisolie) gebruiken en dat zij bij de werking daarvan veel baat hebben. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de handelingen van de verdachte alsmede [medeverdachte] met betrekking tot de in hun bedrijf aangetroffen hennepplantdelen gericht waren op de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2337 r.o. 2.6). Van dergelijke handelingen is ook overigens niet gebleken. De verdachte komt dan ook geen beroep toe op de exceptie van artikel 12 van het Opiumwetbesluit. Het verweer wordt verworpen.
Voor zover door en namens de verdachte in hoger beroep naar voren is gebracht dat een deel van de aangetroffen en inbeslaggenomen hennepplantdelen afkomstig is uit eigen kweek die in het kader van het “CBD project” zou zijn toegestaan en de verdachte en [medeverdachte] daarover mochten beschikken, overweegt het hof het volgende. Bij de door de verdediging ter terechtzitting overgelegde stukken bevindt zich een licentie "CBD project” op naam van verdachte ‘ [medeverdachte] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte]). Als geldigheidsduur wordt vermeld de periode tot en met 31 december 2016. Het hof begrijpt hieruit dat de geldigheidsduur van de licentie ten tijde van het tenlastegelegde al ruimschoots was verstreken. Bovendien wordt in de licentie, onder verwijzing naar artikel 12 van het Opiumwetbesluit, voorgeschreven dat de teelt in het kader van het project moet plaatsvinden in de volle grond en in de open lucht. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, toen de handgeschreven notities op pagina 128 van het procesdossier aan hem werden voorgehouden, verklaard dat de hennepteelt plaatsvond in tunnels, en dat daarvan gebruik werd gemaakt van een opengemaakte tunnelkast, die als beschutting gebruikt kon worden tegen regen, water of wind. Uit de hiervoor weergegeven toelichting op het Opiumwetbesluit volgt echter dat degenen die hennep telen onder plastic of in kassen of andere ruimten waar het dak geheel of gedeeltelijk geopend kan worden, zich niet op deze vrijstelling kunnen beroepen (en derhalve ook niet op de licentie van het ‘CBD-project’).
Ook in zoverre faalt het door de verdediging gevoerde verweer.
Het hof overweegt met betrekking tot het gewicht van de aangetroffen hennep nog als volgt. Hoewel het exacte gewicht van de aangetroffen hennep op grond van het dossier onduidelijk is, en dit ten voordele van de verdachte zal worden meegenomen bij de strafoplegging, is het hof − gelet op de foto’s in het dossier met daarop het inbeslaggenomen materiaal alsmede de monsternemingen en conclusies van het NFI − van oordeel dat in ieder geval vast is komen te staan dat de verdachte en [medeverdachte] aanzienlijk meer dan 30 gram hennep aanwezig hadden.
(…)
Ten aanzien van feit 1
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 tenlastegelegde, voor zover dat feit betrekking heeft op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hennep, bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde. Daartoe is samengevat aangevoerd dat de verdachte geen actieve rol heeft vervuld bij de zending, nu hij niets heeft besteld. Bovendien was de verdachte niet op de hoogte dat de zending vanuit Spanje aan hem was toegezonden. Hij raakte daarvan pas op de hoogte op het moment dat hij een track-and-trace code van [betrokkene 1] ontving via Messenger. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het enkel in ontvangst nemen van de dozen niet redengevend kan zijn voor het bewijs van invoer als bedoeld in de Opiumwet. Er is geen sprake van een actieve handeling van de verdachte gericht op deze invoer.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De verdachte gebruikte voor zijn bedrijf ' [B] ’ onder meer industriële hennep. Op 21 april 2017 heeft hij vier, aan zijn bedrijf geadresseerde dozen uit Spanje met het opschrift 'Cañamo industrial’ (het hof begrijpt: industriële hennep) van de bezorger aangenomen. De verdachte en [medeverdachte] hadden vooraf een track-and-trace code ontvangen van een persoon die de verdachte eerder samples van industriële hennep had aangeboden, waarop de verdachte toen positief had gereageerd. De verdachte begreep − volgens zijn verklaring − nadat hij deze track-and-trace code had ontvangen, dat er een zending uit Spanje kwam. Hierop heeft hij niets ondernomen. Nadat hij de dozen in ontvangst had genomen, daarvoor had getekend en de dozen in zijn bedrijf had gezet, had hij er al eentje geopend toen de politie zijn bedrijf betrad.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte gelet op voornoemde feiten en omstandigheden − in samenhang met de overige inhoud van de bewijsmiddelen − met het in ontvangst nemen van dozen met hennep uit Spanje gehandeld in de zin van artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet en zich daarmee schuldig gemaakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van deze hennep.
Met de rechtbank neemt het hof bij de bewezenverklaring van dit feit − ten voordele van de verdachte − enkel de inhoud van 3 dozen (ongeveer 7 kilogram hennep) in aanmerking nu uit het dossier niet volgt dat ook de inhoud van doos nummer 2 door het NFI is onderzocht.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al haar onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen − in onderling verband en samenhang bezien − wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
(…)
Op te leggen straf
(…)
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de eendaadse samenloop van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en het aanwezig hebben van ongeveer 7 kilogram hennep, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel alsmede het tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep. Hoewel het exacte gewicht van de aangetroffen en onderzochte hennep als bedoeld onder feit 2 onvoldoende uit het dossier is komen vast te staan, volgt daaruit wel dat sprake is van een aanzienlijke hoeveelheid. Ter beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten, stelt het hof voorop dat de invoer van softdrugs de illegale handel in softdrugs in standhoudt, alsmede dat het allerlei maatschappelijk ongewenste effecten veroorzaakt, waarmee de openbare orde ernstig kan worden ondermijnd. Voorts is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het psychische aandoeningen betreft, doch dat een en ander (mede) afhankelijk is van de hoogte van het THC-gehalte van de hennep. In dit verband neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat de bij de verdachte aangetroffen en onderzochte hennep grotendeels een laag THC-gehalte bevatte. Het hof zal daarmee in het voordeel van de verdachte rekening houden bij de straftoemeting.’
12. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehouden op 15 maart 2023 houdt onder meer het volgende in:
‘Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
Het klopt dat ik van mening ben dat ik niks fout heb gedaan, omdat het om industriële hennep ging.
U houdt mij mijn verklaring voor die ik op 27 november 2020 ter terechtzitting van de rechtbank heb afgelegd, onder meer inhoudende dat de hennepplanten die ik aanwezig had, voor eigen gebruik en voor de winkel waren bestemd, dat die hennep wordt verwerkt in shampoo en olie en dat de overige resten van de planten worden gebruikt voor thee. (…)
U deelt mij mede dat de zojuist besproken verklaring door mij zo is afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg en dat die verklaring niet ziet op het pakket met industriële hennep uit Spanje.
De door de politie aangetroffen en inbeslaggenomen hennepplantdelen waren van ons. Wij hadden hennep uit eigen kweek en kochten industriële hennep. Onze winkel ‘ [B] ’ leverde producten die bestemd waren voor de consumptie. Wij hebben vanaf dag 1 al te kennen gegeven dat hetgeen er dus op de zaak is aangetroffen, een gedeelte uit eigen kweek van legale zaden is. Die zaden hebben wij ingekocht met aankoopbon. Een gedeelte van wat is aangetroffen, is legale hennep die we hebben ingekocht en op de zaak hebben neergelegd.
Op de zaak lagen twee verschillende partijen hennep. De juiste aankoopgegevens daarvan zijn aanwezig, behalve die van de eigen kweek. Wij hebben de zaden nodig die van de eigen kweek afkomen. Dat betreft een legaal goedgekeurd hennepras. Het waren verschillende goedgekeurde henneprassen. Die zaden zijn ingekocht bij [D] . Dat is een bekend bedrijf die goed weet hoe ze ermee om moeten gaan. Het betrof het hennepras ‘USO 30’ als ik me niet vergis, en het hennepras ‘Finola', waarvan ik u een afbeelding laat zien. Wij hebben daarvan een kilogram ingekocht. Op de verpakking staat hoe ermee moet worden omgegaan, alsook hoe justitie er tegenaan kijkt. Wij hebben dat ook aan de gemeente en aan de wijkagent gevraagd en zij zeggen ook dat deze hennep legaal kan worden gekweekt. De hennep die uit deze zaden legaal gekweekt is, lag op de zaak toen de politie kwam. Wij wilden daarvan de zaden gebruiken. (…)
Op vragen van de jongste raadsheer verklaart de verdachte als volgt.
U vraagt mij wat het doel was van de hennepzaden die ik ontving. Het doel daarvan was consumeren. De zaden bevatten een biochemische samenstelling en wij weten wat zo’n samenstelling technisch gezien zou kunnen betekenen. Het klopt niet, zoals u vraagt, dat ik zaden had om daarmee nieuwe zaden te kweken.
Als ik dat zou doen, zou ik een strafbaar gebied begaan. Ik mag alleen dit soort zaden opkweken. Die andere zaden mag ik niet opnieuw opkweken, want dan weet ik niet of het THC-gehalte onder het wettelijk toegestane gehalte blijft. Ik mag de zaden alleen consumeren en moet ieder jaar nieuwe zaden kopen, anders ga ik een risico inbrengen. In de praktijk die wij runnen, zouden wij dan enig risico betrekken en dat kan ik niet verantwoorden.
Op vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt.
Het klopt dat een deel van de hennep die in mijn bedrijfspand is aangetroffen, door ons zelf is gekweekt uit zaden die legaal zijn ingekocht. De zaden die ik inkoop om te kweken, ga ik niet gebruiken om te eten. Die zaden zijn enkel en alleen bedoeld om te kweken. Van de hennepplant die je dan kweekt heb je weer zaden die geconsumeerd kunnen worden.
Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
De hennep die in mijn bedrijfspand is aangetroffen, is te allen tijde industriële hennep, of ik die nou zelf kweek of opkoop. Bij de aangetroffen hennep zit ook hennep die ik zelf heb gekweekt.
Ik mag industriële hennep kweken als ik mij aan de regels houd.
Er hangt een meldingsplicht aan het kweken van industriële hennep. Ik heb daarvan melding aan de gemeente gedaan. Ik heb van de gemeente een terugkoppeling op papier ontvangen dat we dat zouden mogen doen. Als industrieel hennepkweker ben ik wettelijk verplicht om de door mij gekweekte hennep bij de gemeente aan te geven. Als ik subsidie wil voor mijn activiteiten, moet ik een ander traject belopen. Als ik dat niet doe met dat doel, dan zijn er geen andere richtlijnen of wetgevingen. Wij voldeden gewoon aan alle regels. Wij hebben geen controle gehad van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Wij hebben wel gesprekken gevoerd met [betrokkene 3] . Die is heel erg bekend in de wereld van de opium-houdende producten. Ik ben destijds ook met apothekers in gesprek gegaan. Wij moesten hen eerst uitleggen wat wij deden, alvorens ze geen bevooroordeelde mening hadden. Hij dacht ook dat we zouden werken met cannabis die in de coffeeshop verkrijgbaar is.
Ik werk met gecertificeerd zaad, zoals blijkt uit de aankoopbonnen.
Ik heb ook deelgenomen aan een traject en dat was bekend bij justitie. Ik zou EU-zaden toegestuurd krijgen. Daar hebben wij ons voor aangemeld. Wij hebben die zaden ontvangen en hebben ook deelgenomen aan het project. Daar zat ook een licentie bij.
Wij hebben geen hennep verwerkt tot CBD-olie. Daar ontstaan misverstanden over. CBD is een woord. Het kan voorkomen in kristalpoeder, maar ook als inhoudsstof in een plant als we praten over de cannabisplant.
Het CBD-project hield in dat er mensen gezocht werden om mee te doen aan de kweek van het legale hennep-ras. Daar wilden ze bekendheid aan geven. Als je daaraan meedeed, kreeg je de licentie, de zaai-informatie en ook de kennisgevingsinformatie naar de politie toe. Er werd duidelijk gemaakt dat het een land- en tuinbouw-ras is dat je mag kweken.
Dat project was er denk ik niet puur om hennep te kweken, maar volgens mij vooral bedoeld om er bekendheid aan te geven. In de krant stond een heel artikel over de mensen die dit hebben opgezet, maar het heeft allemaal plaatsgevonden in overleg met de gemeente.
Op verdere vragen van de jongste raadsheer verklaart de verdachte als volgt:
Ik weet niet of de intentie van het project informeren of produceren was. Ik weet niet wat de intenties waren. Ik heb mij aangemeld vooral omdat ik heel veel over deze materie weet. Ik was eigenlijk nieuwsgierig hoe zij daarin stonden. Hetzelfde geldt nu voor de cannabis. Ik heb aan het project deelgenomen. Ik heb een setje zaden ontvangen en die opgekweekt tot hennepplanten die vervolgens in beslag zijn genomen. Ik was vooral nieuwsgierig naar wat er zo anders aan was dan aan een ander Europees hennep-ras. Ik was nieuwgierig.
Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
Industriële hennep is vezelhennep.
U deelt mij mede dat er monsters zijn genomen van de bij mij in beslag genomen hennep en dat uit onderzoek daarnaar is gebleken dat een deel van het vezeltype en een deel van het drugstype was. De hennep zou in potentie tot het drugstype kunnen behoren. Als ik op biochemisch niveau ernaar kijk, zie ik dat de zaden die eruit voortkomen, een te hoog THC-gehalte zouden kunnen bevatten als je die gaat opkweken. Die zaden zijn dan mogelijk in potentie strafbaar, maar wij doen dat niet.
Ik kweek vezelhennep voor de zaden. U deelt mij mede dat de hennep ook is gebruikt in de winkel, zoals uit de stukken blijkt. Ik heb alleen de zaden gebruikt, niet de hennep. Ik heb niet het plantmateriaal gebruikt van de hennep die wij zelf hebben gekweekt, dat mag ik niet. Hoe onze organisatie eruit zag vóór de politie-inval, heb ik bij de gemeente ingediend. In een dergelijke organisatie zitten wij op geen enkel risico te wachten dat onze organisatie in gevaar zou brengen. Waarom zou ik dat doen? Voor de coffeeshop-cannabis houd ik de bonnen.
U vraagt mij of de aangetroffen hennepplanten voor eigen gebruik waren bestemd. Nee, de zaden zijn voor eigen gebruik.
Het klopt niet dat ik eerder heb gezegd dat de hennepplanten voor eigen gebruik waren. Ik heb duidelijk te kennen gegeven dat het om de zaden ging.
U vraagt mij waarom er plantenrestendelen in mijn zaak aanwezig waren. Daar zaten de zaden nog in.
Als er plantenresten in mijn zaak aanwezig waren zonder zaden, dan kan dat alleen door een handeling waarbij de zaden uit de planten zijn gehaald. Dat wordt dan gedocumenteerd. De NFI-rapporten bevestigen alles wat ik zeg,
Op verdere vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt.
U vraagt mij wat er met de plantenresten gebeurt nadat de zaden er ten behoeve van consumptie uit zijn gehaald. Daarvoor bestaan verschillende opties, maar alleen als het binnen de wetgeving valt. Ik doe er niets mee. Wij zijn niet tot de volgende stap gekomen, omdat toen de politie-inval plaatsvond. Vóór de inval was het niet in die hoedanigheid. Er zijn mensen van de gemeente bij ons over de vloer geweest. Als patiënt zijnde, ben ik al heel lang bezig met hennep.
Het klopt dat ik in een telefoongesprek heb gezegd dat ik al 23 jaar wietkweker ben, Dat weten de mensen in [plaats] en bij justitie ook. Je mag vijf planten hebben van de coffeeshop-cannabis, maar ik doe dat nu al een behoorlijke tijd niet meer. Ik krijg het nu van de coffeeshop via een recept van mijn huisarts. Voordien heb ik altijd via het gedoogbeleid hennep gekweekt. Dat was voor eigen gebruik.
Op verdere vragen van de jongste raadsheer verklaart de verdachte als volgt.
Het klopt dat ik aan meerdere mensen producten leverde in samenwerking met de huisarts die bepaalde producten aan hen voorschreef. U vraagt mij naar de samenstelling van die producten. U heeft daarvan toch de recepten gehad? Ik snap de vraagstelling niet.
Het klopt dat mijn partner en ik een hennepproduct gebruikten dat ons hielp bij onze eigen lichamelijke klachten. Het klopt dat de cannabis uit de reguliere coffeeshop niet hetzelfde resultaat had. Ik gebruik dat product nu nog steeds als zelfmedicatie.
Huisartsen verwijzen patiënten door naar ons. Wij zijn een informatiepunt. Ik geef als vrijwilliger voorlichting aan die mensen. Soms komen er cliënten naar ons die bepaalde producten willen uitproberen, zoals bijvoorbeeld de CBD-olie.
U vraagt of het klopt dat de huisarts bepaalde dingen voorschreef die ik kon leveren. Ik snap de vraag niet. De vraag lijkt heel simpel, maar de beantwoording daarvan is moeilijk. Ik zeg dat CBD-olie een voedingsmiddel is. Als het woord geneesmiddel valt, zitten we in een andere categorie. Een arts mag bijvoorbeeld bepaalde middelen op recept voorschrijven, zoals een bepaald type verband. Dat type verband is voor die cliënt een noodzaak. Een huisarts mag bijvoorbeeld een bepaald merk van een product voorschrijven, omdat dat voor die cliënt een bepaald voordeel oplevert. Dat is dan geen geneesmiddel. Hetgeen waar wij hier over praten is een voedingsmiddel. Een arts schrijft dan een voedingsmiddel op recept voor en ik kon dat leveren.
U vraagt mij in welke vorm ik dat kon leveren. Ik kon dat leveren in de vorm van zaden.
Op verdere vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt.
Het klopt ik gesprekken heb gevoerd met verschillende apothekers, zoals de [Apotheek A] , omdat zij een type cannabis verstrekken dat vooral een drugstype is. Zij waren destijds ook bezig om CBD-olie op de markt te gaan brengen en hadden daarvoor een octrooiaanvraag ingediend. Wijzelf hebben dat ook gedaan voor onze werkwijze. Daarover zijn destijds gesprekken gevoerd. Dit gaat specifiek over genoemde apotheker in [plaats] , maar we hebben ook gesprekken met apothekers in België gevoerd. Destijds was de vraag naar deze materie heel groot. Het waren veelal voorlichtingsgesprekken die ik voerde. We hebben ook met [Apotheek B] contact gehad. Die wilde onze producten verkopen, omdat een arts dat via die apotheker voorschreef. Dat gaat dan weer over spijsolie en dat valt ook onder voeding. Wij hebben in die winkel spijsolie verkocht.
Het klopt dat ik eerst een andere winkel had. Dat was een webwinkel. Het was mijn bedrijf. Het klopt dat mijn standpunt in de kern erop neerkomt dat er alleen industriële hennep in mijn winkel aanwezig was en dat dat is toegestaan en dat ik niks aan zaadvermeerdering doe, althans deze zaden niet verkoop omdat zij een hoger THC-gehalte hebben. Ik verkoop die zaden wel om te eten. Daar is niks illegaals aan, ook als we naar het buitenland kijken waar deze zaken ook gewoon plaatsvinden. In de landen om ons heen volgt overal vrijspraak in dit soort zaken. Dat gaat over mensen in exact dezelfde situatie als waarin wij ons bevinden. Het gaat om land- en tuinbouwgewassen. Daarover zijn internationale afspraken gemaakt. Op Europees niveau volgen overal vrijspraken. Daarom snap ik niet dat hier niet het verschil met gewone drugszaken gezien wordt. Er bestaat hennep als voeding, hennep als softdrugs en hennep als harddrugs. Bij een THC-gehalte boven de 14 procent spreek je over harddrugs.
Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
Ook kleding kan een doeleinde zijn van hennep. Aan alle verschillende doeleinden hangen bepaalde voorwaarden. Je kunt de hennepplant ook als isolatiematerieel gebruiken of als diervoeder. De toedieningsvormen zijn ongelofelijk gevarieerd.
In eerste instantie was het hele idee achter mijn bedrijf gericht op de consumptie van hennep, maar je krijgt als bedrijf te maken met reststoffen. Je kunt daar zoveel mee doen. De aanleiding voor mij was destijds dat ik een bepaalde ondersteuning nodig had voor mijn gezondheid waarvoor ik die hennepplant goed kon gebruiken. Dat heeft mij in de praktijk laten zien wat er mogelijk was. De kwaliteit van mijn leven ging erop vooruit. Het is ook cultureel erfgoed. Als ik geld wil verdienen, zou ik mezelf via de drugsbranche rijk maken, maar dan moet ik de wet overtreden.
U vraagt mij aan welke regels ik als bedrijf moet voldoen. Dat is net als ieder ander bedrijf en dat kunt u online terugzien.
Ik heb bij de politie melding gedaan van het feit dat ik mij bezighield met het kweken van industriële hennep. Waarom zou ik iets wat al 3 jaar draaide mis laten lopen door zo’n foutje? Als hennepplantenkweker, weet je heel goed de risico’s van de praktijk. De verkeerde beeldvorming is pas ontstaan als iemand het protocol niet volgde.
Op verdere vragen van de jongste raadsheer verklaart de verdachte als volgt.
Bij de hennep die binnen mijn bedrijf is aangetroffen, bestaat een onderscheid tussen eigen kweek of inkoop. Dat is nog steeds onduidelijk in het vonnis van de rechtbank. Ik ben een autist, maar hetgeen waarnaar ik moet kijken en een reactie op moet geven, is onmogelijk. U vraagt mij of, als we voormeld onderscheid terzijde stellen, het klopt dat het gaat om meerdere tientallen kilo’s hennep die in mijn winkel zijn aangetroffen. Ik weet het niet. Ik kan niet iets zeggen op basis van een aanname.
Het ging om legale hennep. Je mag 30 gram cannabis in bezit hebben, maar dat geldt alleen voor de coffeeshop-hennep.
U vraagt mij, als wel rekening wordt gehouden met voormeld onderscheid, hoeveel kilogram hennep in mijn beleving in mijn zaak aanwezig was. Dat is heel moeilijk te zeggen.
U vraagt mij of ik ongeveer een beeld kan schetsen van de hoeveelheid hennep die in mijn bedrijf aanwezig was. Ik wil alles zo graag beantwoorden, maar hoe moet ik dat doen als ik het niet weet? Ik kan overal uitleg en tekst bij geven en documentatie laten zien. Dat is ons ook toegezegd. Dat vind ik tot op de dag van vandaag nog steeds vreemd. Rechters geven ons gelijk dat dit onmogelijk is om voor ons te beoordelen, geven opnieuw een opdracht aan het Openbaar Ministerie en die opdracht wordt niet uitgevoerd. Dan moet ik vragen gaan beantwoorden over hoe en wat is wat. Als ik de daadwerkelijke informatie krijg, kan ik beoordelen hoe of wat. Het is één grote nachtmerrie als we kijken naar de stukken.
Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de verdachte als volgt.
U vraagt mij hoe het verwerken van de hennepzaden in zijn werk gaat. Dat is afhankelijk van een aantal zaken over het algemeen. Ik twijfel over het antwoord. Fresiabollen worden eigenlijk op dezelfde manier gekweekt.
Ik doe de hennepzaden in de kweekbakken met een pincet.
U vraagt mij waarom er in de stukken wordt gesproken over het drogen van de zaden. Dat gebeurt omdat iedereen een natuurlijk droogproces aanhoudt. Als je op een bepaalde datum een meting van de luchtvochtigheid doet, is dat na een tijd weer anders. Als je met vers plantmateriaal te maken hebt en je gaat een droogproces in, dan verandert het gewicht. Het moment waarop je de zaden eruit haalt, is cruciaal. De zaden hebben een afrijpingsproces nodig en het tijdstip waarop ze uit de planten worden gehaald is dus cruciaal. De handeling daarbij is enkel het eruit halen van het zaad.
Het registreren van de verschillende gewichten is van belang voor de belastingdienst in verband met de hoeveelheid plantmateriaal en hoe je dat moet inboeken.
(…)
Op verdere vragen van de advocaat-generaal verklaart de verdachte als volgt.
De advocaat-generaal vraagt mij naar de notities op pagina 128 van het procesdossier. Ik zie daarop handschriften van mezelf en van mijn vrouw. Die 1200 gram bij de aantekening ‘1e oogst 1200 gram’ ziet op de eerste oogst en wat er is gewogen. Dat betreft industriële hennep. De advocaat-generaal vraagt mij nogmaals waar de 1200 gram exact op ziet. Dat betreft ruw planten materiaal. Er is dan nog niet verder gekeken naar dat materiaal. De advocaat-generaal vraagt mij wat een tunnel is. Dat doe je voor bepaalde weersomstandigheden, mocht dat nodig zijn. Daarmee scherm je af voor regen, water of wind, Als je zegt een tunnel, dan is dat een welbekende tunnel. In de kersenteelt is dat bijvoorbeeld een paal en dan een boogje met een stuk plastic, al dan niet open gegooid.
U, voorzitter, vraagt mij om wat voor tunnel het in dit geval gaat. Ik heb het van mijn zus haar kersenteelt afgekeken. Het is een improvisatie daarvan, We hadden namelijk een tunnelkast die opengemaakt was, zodat de functie als tunnelkast verviel, maar wel als beschutting gebruikt kon worden.
Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
De notities rechtsboven heb ik ook gemaakt. Ik maakte er ook foto’s van. Ik documenteer alles. Ook voor de octrooiaanvraag is dat nodig.
U vraagt mij of ik de onder 1. ten laste gelegde partij hennep uit Spanje wel of niet zelf heb besteld. Dit wordt mij nu voor de zoveelste keer gevraagd. Alles is er al over gezegd. Zoals ik heb verklaard waren het samples voor [betrokkene 1] .
Ik heb al verklaard over hoe die hennep is besteld, maar ik weet niet in welke hoedanigheid ik dat heb verklaard. Ik weet niet meer hoe ik dat precies verwoord heb. Ik lees u iets voor uit het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank.
(…)
Na hervatting van het onderzoek verklaart de verdachte op verdere vragen van de voorzitter als volgt.
(…)
U vraagt mij naar de dozen uit Spanje. [betrokkene 1] bood mij samples van industriële hennep aan. We hebben hierover gesproken. Ik zei tegen [betrokkene 1] dat samples altijd welkom waren. Mits alles voldoet aan alle eisen, waarom niet? Ik heb de samples zelf niet besteld. Ik ken die persoon in Spanje ook niet, dus ik weet niet hoe ik dat zou moeten doen. Je hebt behoorlijk wat nodig om te testen. Ik test iets voordat ik het inkoop.
Het is gebruikelijk dat er facturen bij de samples zitten. Dat is zo voor alle stoffen. Als ik kamille in ga kopen, dan kan dat ook zo zijn. Je moet dan gewoon betalen voor zo’n sample.
U deelt mij mede dat ik bij de politie hebt verklaard dat ik zat te wachten op een pakket en vraagt mij of ik wist dat het pakket eraan kwam. Nadat ik de ‘track & trace’ code had gekregen, wist ik dat wel.
Ik had eerst met [betrokkene 1] gesproken over een app die hij aan het maken was. Dat was een app over bepaalde materie. Tijdens zo’n gesprek ging het over een sample. De hoeveelheid hennep die ik zou ontvangen is ongeveer standaard, wat ik ongeveer nodig heb. Het ging om een sample om te zien hoeveel ik iets van iets nodig heb. Ik zou van de legale voedingshennep een sample krijgen om te kijken wat ik overhoud en wat daarvan de kwaliteit is.
Ik wist niet dat het om 9 kilogram hennep zou gaan, maar het is wel gebruikelijk dat als je een dergelijke grondstof test, je behoorlijk wat nodig hebt.
Voor de zaden heb je behoorlijk wat hennep nodig om dat te kunnen testen. Het ligt aan de analyse hoeveel je dan uiteindelijk nodig hebt. Een analyse kan zoveel van iets vragen. Ik heb verschillende analyses laten uitvoeren en die vragen om een bepaalde hoeveelheid samplemateriaal.
Een sample van 11 kilo is gebruikelijk. [betrokkene 1] heeft hierin bemiddeld.
Op verdere vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt.
Wij laten de hennep analyseren om te kijken of die voldoet aan de wetgeving. Wij laten een sample van ruwe grondstof testen op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen en zware metalen. Ik kan een sample laten testen op zoveel stoffen als ik zelf wil Je moet dat wel doen als je wilt voldoen aan de Europese verplichtingen en daarover wordt ook documentatie doorgestuurd. Wij voldeden aan alle eisen voor de matrix ‘Voeding’. U vraagt mij waarom ik die analyses moest laten doen. Iedereen kan mij van alles overhandigen. Ik geloof niet alles wat mij wordt verteld. Ik deed die testen voornamelijk voor mezelf. Ik test een sample alvorens ik besluit het spul in te kopen.
U zegt mij dat ik toch niet iets test wat ik zelf niet wil inkopen. Ik snap niet wat u bedoelt. U zegt dat als u iets krijgt wat u niet wilt hebben, u dat terugstuurt. Iemand stuurt mij een legaal middel op dat ik niet zelf rechtstreeks heb besteld. U vraagt aan mij of ik zo’n grote hoeveelheid nodig heb als sample. Deze partij is niet van tevoren getest. Als ik een sample heb, zou ik die willen testen.
U vraagt mij of het zo was dat ik een sample thuis kreeg gestuurd, waarvan ik zeg dat ik die niet wilde hebben. Ik snap het niet. U vraagt aan mij of zo’n grote hoeveelheid nodig is om te testen. Dat is niet vreemd om zo’n grote hoeveelheid als sample te gebruiken. U vraagt mij of [betrokkene 1] die hoeveelheid van 9 kilogram hennep bij mij liet bezorgen omdat hij wilde dat ik die als sample zou testen. Ik denk dat hij dat zelf had willen doen. De partijen moet voldoen aan alle testen voordat ze worden opgestuurd.
De partij hennep was geadresseerd aan ons, maar ik heb zelf niks besteld. De zending staat op ons adres, maar meer kan ik er niet over zegen. Ik snap het denk ik niet.
Nadat de zending bij ons was binnengekomen, heb ik de doos geopend.
Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
Toen de dozen werden geleverd heb ik ze aangenomen. Op de dozen uit Spanje stond de aanduiding ‘industriële hennep’. Toen de politie kwam, had ik één van de dozen geopend. U vraagt mij of de partij hennep voor mij was. Op het moment dat ik ernaar keek, kwam er politie binnen. Ik zag nog dat er in het plantentopje dat ik eruit pakte zaadjes zaten, maar toen stond politie al binnen.
U deelt mij mede de korte inhoud van een telefoongesprek dat is weergegeven op bladzijde 17 van de gisteren door het hof ontvangen stukken van mijn raadsman, waarin ik zeg: ‘Spanje is wat dat betreft een sample dat ons is toegestuurd. Ik zocht een andere grondstof’. Dat gesprek vond plaats na ontvangst van die track & trace code toen ik dacht: ”Zou het die sample zijn?”
U deelt mij mede dat de rechtbank in haar vonnis zegt dat zij het verhaal over [betrokkene 1] niet gelooft, mede omdat ik daarmee pas op de zitting kwam. Ik heb dat verhaal al vanaf dag één verteld.
Ik heb het verhaal over [betrokkene 1] al op de regiezitting in eerste aanleg naar voren gebracht.
Het klopt dat ik het verhaal over [betrokkene 1] niet bij de politie heb verteld. De reden daarvan zal ik straks opgeven als ik vertel hoe ik door de politieverhoren ben gekomen. Het kan wel zijn dat ik nog meer dingen ben vergeten te vermelden bij de politie, maar ik heb alle vragen open en eerlijk beantwoord. Ik wist dat dit pakket zou komen omdat ik de track & trace code had gekregen.
U deelt mij mede dat [medeverdachte] verklaart dat er op die dag een pakket zou komen en dat er niet eerder hennep besteld zou zijn vanuit het buitenland. Als je de track & trace code ziet, dan weet je waar de zending vandaan komt, dat kun je daarop zien.
Op verdere vragen van de advocaat-generaal verklaart de verdachte als volgt.
Het adres van mijn winkel zal wel via [betrokkene 1] op het pakket uit Spanje zijn gezet. Hij heeft bemiddeld bij die zending. De voorzitter vraagt mij of [betrokkene 1] had bemiddeld voor mij. Ik denk dat zijn antwoord daarop ‘ja’ zal zijn.
De advocaat-generaal vraagt mij hoe de bestelling van deze vier dozen hennep uit Spanje precies is gelopen. Ik heb die dozen niet zelf besteld. [betrokkene 1] heeft ze mij aangeboden. Het is ter sprake gekomen in onze gesprekken. Ik heb daarover eerder verklaard wat ik nu ook weer zeg. [betrokkene 1] heeft hierin bemiddeld.
U vraagt mij hoe dat aanbieden door [betrokkene 1] is gegaan. Dat is gegaan zoals ik eerder heb verklaard. Het is in eerdere gesprekken tussen ons ter sprake gekomen dat hij een sample zou kunnen regelen. Samples zijn altijd welkom als die voldoen aan de wetgevingen. Dat heb ik ook tegen hem gezegd. Dat er uiteindelijk ook een sample bij mij terecht kwam, was min of meer verrassend. Meestal zeggen mensen van alles en doen niks.
Op een vraag van de voorzitter verklaart de verdachte dat hij de facturen van de zending uit Spanje niet heeft betaald.
Op vragen van de raadsman verklaart de verdachte als volgt.
Ik kan mij niet herinneren dat [betrokkene 1] ooit tegen mij heeft gezegd dat hij mij pakketten zou sturen waarin samples van hennep zaten.
[betrokkene 1] heeft nooit tegen mij gezegd op wat voor manier hij mij samples zou sturen. Ik heb tegen hem gezegd dat, als hij dat wilde doen, hij moest zorgen dat de documentatie op orde was.
Het is ook weer niet zo dat deze zending voor mij uit de lucht kwam vallen. Het is niet ongebruikelijk om dergelijke pakketten te ontvangen met een track & trace code.
Op verdere vragen van de jongste raadsheer verklaart de verdachte als volgt.
We ontvingen een track-and-trace code van [betrokkene 1] . Toen zagen we dat het pakket uit Spanje kwam. Er was op dat moment sprake van veel hectiek op de zaak. Onze werkzaamheden gingen gewoon door. [medeverdachte] moest op die dag naar een begrafenis. Ik was alleen aanwezig op de zaak. We hebben hierop verder geen actie ondernomen.
Op een nadere vraag van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt.
Ik weet niet of de track & trace code naar mij is gestuurd met daarbij een bericht.
Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
Ik heb voorafgaand aan deze zitting nog geprobeerd om contact met [betrokkene 1] te krijgen, maar toen bleek in de krant te staan dat hij een organisatie is begonnen in [plaats] onder de vlag van ‘Suver Nuver’. Van die organisatie hebben wij grote afstand genomen omdat die zich bezighoudt met het andere deel van de cannabisplant. Ik heb daarom geen behoefte gehad om contact met [betrokkene 1] te zoeken. Ik ben behoorlijk boos geworden toen ik dat las. Ik heb zelf geen telefoonnummer van hem.
Op verdere vragen van de advocaat-generaal verklaart de verdachte als volgt.
Ik ben behoorlijk boos geworden toen ik dat las over [betrokkene 1] , omdat ik een goed draaiende organisatie heb. Als ik met iemand spreek over samples, zeg ik altijd dat de papieren op orde moeten zijn, maar dat heeft [betrokkene 1] niet gedaan. Wij worden daardoor nu gezien als crimineel. Door die actie van hem worden wij in een verkeerd daglicht gezet. U kunt u zich wel voorstellen dat ik daarover enorm boos ben.
U deelt mij mede dat u niet begrijpt dat ik boos ben op [betrokkene 1] omdat mijn standpunt toch is dat het sowieso niet strafbaar is om een partij vezelhennep in bezit te hebben als de juiste papieren aanwezig zijn. Als alles in orde zou zijn geweest, dan had ik hier toch niet gezeten? Ik wijs ook op de reden waardoor dit is ontstaan. Het openbaar ministerie heeft er niet naar gekeken of het hier gaat om voeding of om opium-houdende hennep. De politie heeft eraan geroken en toen meteen geconstateerd dat het opiumhoudende hennep was. Vóór het testen was de conclusie al getrokken dat het om opiumhoudende hennep gaat. Normale bedrijven werken op een bepaalde manier om dit te voorkomen.
U deelt mij mede dat ik vanuit mijn standpunt toch boos zou moeten zijn op het openbaar ministerie en niet op [betrokkene 1] . Ik ben boos omdat het onkunde is. Op [betrokkene 1] ben ik boos omdat door hem mijn organisatie in gevaar is gebracht. Niet ik, maar hij heeft die hennep besteld
Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
U deelt mij mede dat ik ter terechtzitting van de rechtbank op 27 november 2020 heb verklaard dat ik even schrok toen de pakketten binnenkwamen. Dat kwam omdat de manier waarop het verpakt was, niet gebruikelijk is. Ik weet wat de regels zijn waaraan iets moet voldoen als iets wordt verpakt. Nogmaals: de douane had die test moeten uitvoeren. Het is mij niet duidelijk waar ik dan verkeerd heb gehandeld
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging en verklaart daartoe overeenkomstig de inhoud van de door hem overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
In aanvulling op de inhoud van zijn pleitnota verklaart de raadsman als volgt.
(aanvulling onder het door de griffier met de hand in de pleitnota aangebrachte cijfer 1:)
Uw hof ziet hier mijn client met veel mappen zitten. Er zijn door hem al vele stukken verstrekt en ik wil daarover graag een opmerking maken. Cliënt ziet door de bomen het bos niet meer. Het blijkt wel dat mijn cliënten een enorme administratie hebben. Als er ergens een onduidelijkheid zou zijn voor uw hof met betrekking tot de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv, wat ik wil voorkomen, dan vind ik dat het onderzoek moet worden aangehouden en dat er een bewijsopdracht aan cliënt moet komen om iets nader te onderbouwen met bewijsoverdracht. Al met al zijn we vandaag een heel eind gekomen, maar het zou oneerlijk zijn als mijn cliënt gepakt zou worden op een discrepantie en dan vind ik, dat als ergens iets onduidelijk is, hij de mogelijkheid moet krijgen om dat alsnog te verduidelijken met stukken.
Mijn cliënten hebben alles over hun bedrijf schriftelijk vastgelegd. De benodigde informatie is er.’
13. De overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in:
‘Feit 1. Medeplegen binnen het grondgebied van Nederland brengen/aanwezig hebben van 9,9 kilo hennep
4. De rechtbank is ten onrechte voorbijgegaan aan de verklaring van cliënt met betrekking tot deze verzending. Cliënt heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij niets had besteld. Cliënt heeft geen actieve rol vervuld bij de zending. De rechtbank gaat er ten onrechte aan voorbij dat, zoals aangevoerd, de zending is gefaciliteerd door [betrokkene 1] (eigenaar [E] ) en [betrokkene 2] (eigenaar [F] B.V.) uit [plaats] . Er is niets in het dossier waaruit blijkt dat cliënt wel zelf het pakket zou hebben besteld.
(…)
11. De rechtbank had op basis van de inhoud van het dossier en de verklaringen van cliënt ter zitting niet tot de conclusie kunnen komen dat cliënt wetenschap had van de herkomst en inhoud van de dozen en dat hij bij de invoer ervan een actieve rol zou hebben gespeeld.
12. Daar komt nog bij dat de import van producten die bestemd zijn voor zaadvermeerdering niet strafbaar is. Of in deze zaak überhaupt van strafbare producten die onder de Opiumwet vallen sprake is, is ten aanzien van dit feit niet aangetoond. Hetgeen ten aanzien van feit 2 nader zal worden opgemerkt is ook hier van belang.
13. Ik stel mij op het standpunt dat cliënt ( [verdachte] ) dient te worden vrijgesproken van dit feit.
Feit 2. Medeplegen opzettelijk aanwezig hebben 42,16 kilo hennep
14. Cliënten hebben zich vanaf het allereerste moment op het standpunt gesteld dat alle producten die op de tenlastelegging worden bedoeld legaal zijn. Het gaat om legaal ingekocht materiaal en vezelhennep die valt onder artikel 12 Opiumwetbesluit. Cliënten stellen zich op het standpunt dat zij niet strafbaar hebben gehandeld.
15. De rechtbank is ten onrechte voorbijgegaan op het beroep op de exceptie van artikel 12 Opiumwetbesluit.
16. Het aanwezig hebben van de bij cliënten aangetroffen en in beslag genomen producten hing, waar van toepassing, wel degelijk onlosmakelijk samen met het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van hennep die "kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod op het telen van hennep slechts geldt voorzover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht" - zoals artikel 12 Opiumwetbesluit vermeldt.
17. Reeds in 2018 bepaalde de Hoge Raad dat de reikwijdte van deze bepaling zich ook uitstrekt tot het aanwezig hebben conform art. 3 ahf/ond C.
18. In de zaak van cliënten gaat de exceptie op, nu zij conform de tekst en strekking van die bepaling hebben gehandeld. Dat de in beslag genomen producten een legale bestemming hadden is door cliënten uitvoerig uitgelegd. Tevens is ter zitting verklaard dat een deel van de producten die zijn aangetroffen en in beslag genomen zijn gekweekt in de volle grond, zoals bedoeld in het Opiumwetbesluit. De rechtbank heeft geoordeeld in haar vonnis geoordeeld dat zij geen aanleiding had hieraan te twijfelen. Hiervoor beschikten cliënten ook over een licentie, zie bijlage 2.
19. De rechtbank heeft het verweer echter verworpen en daartoe overwogen dat cliënten ‘naar eigen zeggen’ het plantenmateriaal (ook) voorhanden hadden met een andere bestemming, te weten ter zelfmedicatie en de productie van onder meer heilzame oliën en thee. Cliënten geven echter aan dat dit niet correct is.
20. Cliënten herhalen aldus in hoger beroep het standpunt dat de in beslag genomen producten uitsluitend waren bestemd voor het productieproces van vezelhennep zoals bedoeld in artikel 12 Opiumwetbesluit. Cliënten hebben dit ook nooit anders gezegd en/of bedoeld. Uit de motivering van de rechtbank noch het bewijsmiddelenoverzicht blijkt waarop de conclusie van de rechtbank is gebaseerd.
21. Het standpunt van cliënten, namelijk dat zij niet in het bezit waren van enige vorm van strafbare hennep, vindt bevestiging in de rapporten van het NFI.
22. Uit het rapport van het NFI van 29 januari 2018 volgt dat de monsters die zijn genomen van de in het pand in beslag genomen planten (delen) nauwelijks THC bevatten. Nu is het THC-gehalte an sich niet bepalend voor de vraag een product onder de Opiumwet valt, maar het extreem lage gehalte is in casu een concrete en onweerlegbare indicatie dat de planten inderdaad rassen betroffen die staan vermeld op de door de Europese Unie uitgevaardigde lijst van toegestane rassen. Dergelijke rassen zijn uitsluitend bedoeld voor de productie van hennepzaden. De in beslag genomen plantdelen zijn niet geschikt om als wiet te roken en hebben geen geestverruimend effect.
23. In het vervolgonderzoek van 20 mei 2020 zijn 181 deelmonsters onderzocht, waaraan 165 zijn geïdentificeerd als Cannabis. Van slechts 20 deelmonsters werd vastgesteld dat deze overeenkomen met het 'drugs-type', alle overige kwamen overeen met het ‘vezel-type'. Dit betekent dat de planten waarvan de deelmonsters afkomstig zijn niet de potentie hebben om veel THC te produceren. Tevens betekent dit dat deze planten van een variëteit afkomstig kunnen zijn die door de Europese Commissie is goedgekeurd. Dat strookt dus volledig met de stelling van cliënten.
24. Het enkele feit dat een zeer gering aantal onderzochte materialen testten als ‘drugstype’ is niet doorslaggevend. Deze deelmonsters betroffen de zaden. Wat er ook zij van de conclusie van het NFI, die zaden zijn niet strafbaar onder de Opiumwet.
25. Voor zover dan nog van belang merk ik op dat cliënt [verdachte] ter zitting op 27 november 2020 heeft uitgelegd dat het mogelijk is dat bij legaal opgekweekte soorten, die weer zijn voortgekomen uit legaal aangekocht zaad, een deel van de zaadjes een potentieel hoger THC-gehalte kunnen bevatten. Daarmee mag niet verder worden gekweekt en dat is ook nooit gebeurd.
26. Het merendeel van wat er in beslag is genomen is door cliënten keurig op factuur ingekocht bij diverse bedrijven. Het betreft hier überhaupt geen strafbaar materiaal. Ter illustratie is een selectie van de producten en facturen als bijlage 3 opgenomen.
27. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het aangetroffen materiaal enerzijds niet onder de Opiumwet valt, hetgeen tot vrijspraak moet leiden en voor het overige de exceptie van artikel 12 Opiumwetbesluit in deze zaken van toepassing is, zodat cliënten op grond van de Opiumwet en het Opiumwetbesluit niet strafbaar kunnen worden geacht en moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Voorwaardelijke verzoeken
28. Het chaotisch verlopen onderzoek in deze zaak wreekt zich op dit punt, nu het door de gebrekkige verslaglegging van de politie met betrekking tot de aangetroffen materialen vrijwel onmogelijk is voor cliënten om gericht te reageren op de beschuldigingen. Cliënten stellen dat een (nieuw) onderzoek ter bepaling van het DNA op de aangetroffen en in beslag genomen goederen plaats moet vinden om een vergelijking te maken met de aankoopbonnen van de ingekochte materialen zodat er te zien is wat is legaal ingekocht en wat is legaal gekweekt. Voor het geval uw hof tot een bewezenverklaring zou komen, wordt dit verzoek hierbij daarom voorwaardelijk gedaan.’
14. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een NFI-rapport van dr. [deskundige] van 20 mei 2020. Dit rapport houdt onder meer in:
‘7 Conclusie
Het is met de huidige technieken niet mogelijk de naam van de Cannabis variëteit vast te stellen waarvan de SVO's genoemd in Tabellen 1 en 2 afkomstig zijn.
Wel is vastgesteld dat het DNA van 142 deelmonsters codeert voor het 'vezel-type' van Cannabis. Het typeren van een plant als 'vezel-type', betekent dat de plant waaruit het DNA afkomstig is niet 'veel' THC kan produceren.
De Cannabis variëteiten die door de Europese Commissie zijn goedgekeurd, betreffen eveneens variëteiten waarvan het DNA codeert voor het 'vezel-type' en die eveneens niet 'veel' THC kunnen produceren (minder dan 0,2%).
Tevens is vastgesteld dat het DNA van twintig deelmonsters codeert voor het 'drugs-type' van Cannabis. Het typeren van een plant als 'drugs-type', betekent dat de plant waaruit het DNA afkomstig is onder de juiste omstandigheden 'veel' THC kan produceren. Dergelijke Cannabis variëteiten zijn niet door de Europese Commissie goedgekeurd.
Drie deelmonsters zijn als Cannabis geïdentificeerd maar konden niet als 'drugstype' of' ‘vezel-type’ worden getypeerd. Twee deelmonsters konden niet betrouwbaar worden geïdentificeerd omdat DNA van meer dan één plantensoort aanwezig bleek. Veertien deelmonsters zijn als kruiden of cultuurgewassen getypeerd (niet zijnde Cannabis).’
Europees recht
15. Artikel 34 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (verder: VWEU) luidt: ‘Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden’. Uit artikel 36 VWEU volgt dat genoemd artikel geen beletsel vormt voor ‘verboden of beperkingen van invoer (…) welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van (…) de gezondheid en het leven van personen (…). Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen’. Artikel 38, eerste lid, VWEU bepaalt dat de interne markt mede omvat ‘de landbouw, de visserij en de handel in landbouwproducten’. Uit artikel 38, tweede lid, VWEU volgt dat ‘de regels voor de instelling en de werking van de interne markt van toepassing (zijn) op de landbouwproducten’ voor zover in de artikelen 39 tot en met 44 niet anders is bepaald. Artikel 38, derde lid, VWEU houdt in dat de producten welke vallen onder de bepalingen van de artikelen 39 tot en met 44 zijn vermeld op de lijst in bijlage I. Bijlage I vermeldt onder 57.01: ‘Hennep (Cannabis sativa), ruw, geroot, gezwingeld, gehekeld of anders bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (rafelingen daaronder begrepen).’2.
16. Verordening (EEG) nr. 1308/70 bevatte een gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector vlas en hennep.3.Artikel 1 bevatte onder meer een met de omschrijving in bijlage I bij het VWEU overeenkomende omschrijving van hennep. Artikel 4 hield in dat ‘een steun’ werd ingevoerd ‘voor in de Gemeenschap geproduceerde vlas en hennep’. Verordening (EEG) nr. 1430/82 voegde daaraan toe: ‘Voor hennep wordt de steun echter slechts toegekend als de hennep wordt geproduceerd met zaad van rassen die nader te bepalen waarborgen bieden ten aanzien van het gehalte aan bedwelmende stoffen in het geoogste produkt’.4.
17. Verordening (EEG) nr. 619/71 bevatte voorschriften ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 1308/70.5.Verordening (EG) nr. 1420/98 wijzigde deze uitvoeringsvoorschriften aldus, dat de steun voortaan slechts werd toegekend ‘voor hennep die na de zaadvorming wordt geoogst en die is geteeld met gecertificeerd zaaizaad van rassen die voorkomen in een volgens de procedure van artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 1308/70 op te stellen lijst. In deze lijst worden slechts rassen opgenomen waarvan het gewicht aan THC (tetrahydrocannabinol) ten opzichte van het gewicht van een monster dat op constant gewicht is gebracht: - voor de toekenning van steun voor de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/2001, niet meer dan 0,3 % bedraagt, en - voor de toekenning van steun voor latere verkoopseizoenen, niet meer dan 0,2 %’ (artikel 3, eerste lid).’6.
18. Het HvJ EG heeft op 16 januari 2003 prejudiciële vragen beantwoord over de teelt van hennep.7.De Zweedse rechter wilde volgens het HvJ EG in wezen vernemen ‘of het gemeenschapsrecht aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die tot gevolg heeft dat de teelt en het voorhanden hebben van industriehennep wordt verboden’. Het HvJ EG stelde vast dat het uit de Zweedse regelgeving voortvloeiende ‘verbod op de teelt en het voorhanden hebben van onder de gemeenschappelijke marktordening in de sector hennep vallende industriehennep, rechtstreeks inbreuk maakt op’ de gemeenschappelijke ordening. En dat deze regeling ‘geen doelstelling van algemeen belang nastreeft die niet door de gemeenschappelijke marktordening in de sector hennep wordt gedekt’. Uit de eerste twee overwegingen van de considerans van verordening nr. 1430/82 volgde namelijk dat in het kader van de gemeenschappelijke marktordening in de sector hennep ‘rekening werd gehouden met de risico’s voor de gezondheid die het gebruik van verdovende middelen inhoudt’. Al met al oordeelde het HvJ EG dat de verordeningen nrs. 1308/70 en 619/71 ‘zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die tot gevolg heeft dat de teelt en het voorhanden hebben van de door de genoemde verordeningen bedoelde industriehennep wordt verboden.’
19. Europeesrechtelijke voorschriften inzake hennep zijn niet alleen te vinden in rechtsinstrumenten op het terrein van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Op 25 oktober 2004 werd kaderbesluit 2004/757 vastgesteld.8.Uit artikel 1 volgt dat voor de toepassing van dit kaderbesluit onder ‘drugs’ onder meer worden verstaan alle stoffen die vallen onder ‘het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961 (zoals gewijzigd bij het protocol van 1972)’. Artikel 1 van het Enkelvoudig Verdrag definieert cannabis als ‘de bloeiende of vruchtdragende toppen van de cannabisplant (met uitzondering van de zaden en bladeren indien deze niet vergezeld gaan van de toppen) waaruit de hars niet is geëxtraheerd, met welke naam ook aangeduid’.9.Cannabisplant betekent ‘iedere plant van het geslacht Cannabis’. Lijst I bij het Enkelvoudig Verdrag omvat cannabis, cannabishars, cannabisextracten en cannabistincturen.10.Kaderbesluit 2004/757 schrijft voor dat lidstaten de nodige maatregelen nemen opdat nader omschreven ‘opzettelijke gedragingen’ bestraft worden (artikel 2). Daaronder vallen onder meer het produceren en het in- en uitvoeren van drugs, het kweken van cannabisplanten en het in bezit hebben van drugs met het oog op een aantal nader omschreven activiteiten.
20. Het HvJ EU heeft op 16 december 2010 prejudiciële vragen beantwoord die zagen op de bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrij verkeer van goederen en van diensten en soft drugs.11.De verwijzende rechter wilde volgens het HvJ EU vernemen of het Unierecht zich verzet tegen een gemeentelijke regeling waarbij wordt verboden ‘niet in Nederland woonachtige personen tot de in de betrokken gemeente gelegen coffeeshops toe te laten’. Het HvJ EU overweegt, na verwijzing naar (onder meer) de verplichtingen voortvloeiend uit het Enkelvoudig Verdrag en naar Kaderbesluit 2004/757 ‘dat verdovende middelen die zich niet in een door de bevoegde autoriteiten strikt gecontroleerd circuit ten behoeve van gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden bevinden, wegens hun aard onder een volstrekt invoer- en verhandelingsverbod in alle lidstaten vallen’ (rov. 41). Het beantwoordt de geformuleerde vraag (kort gezegd) ontkennend.
21. Na dit arrest kwamen in 2013 twee verordeningen tot stand die betrekking hadden op het gemeenschappelijk landbouwbeleid en voorschriften bevatten inzake hennep. Verordening (EU) nr. 1307/2013 bevat onder meer ‘gemeenschappelijke voorschriften voor betalingen die rechtstreeks aan landbouwers worden toegewezen in het kader van de steunregelingen die in bijlage I worden vermeld’ (artikel 1).12.Artikel 32, zesde lid, van deze verordening luidt: ‘Voor de productie van hennep gebruikte arealen vormen slechts subsidiabele hectaren indien het gehalte aan tetrahydrocannabinol van de gebruikte rassen maximaal 0,2 % bedraagt’. Artikel 35, derde lid, bepaalt: ‘Teneinde de bescherming van de volksgezondheid te garanderen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin de voorschriften inzake de toekenning van betalingen afhankelijk worden gesteld van het gebruik van gecertificeerd zaad van bepaalde henneprassen en waarbij wordt voorzien in de procedure voor de vaststelling van henneprassen en voor de verificatie van het in artikel 32, lid 6, genoemde tetrahydrocannabinolgehalte ervan.’
22. Verordening (EU) nr. 1308/2013 behelst ‘een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten’.13.Tot die landbouwproducten behoort ‘Hennep (Cannabis sativa L.), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van hennep’ (artikel 1, tweede lid, onder h; bijlage I, deel VIII). Daarbij is GN-code 5302 vermeld.14.Artikel 189 van de verordening bevat bijzondere bepalingen voor de invoer van hennep. Zo moet ruwe hennep met GN-code 5302 10 00 ‘voldoen aan de voorwaarden van artikel 32, lid 6, en in artikel 35, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013’.
23. Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 bevat voorschriften tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013.15.Artikel 9 luidt: ‘Voor de toepassing van artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 zijn voor de productie van hennep gebruikte arealen slechts subsidiabel indien zij zijn ingezaaid met zaad van de rassen uit de overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad gepubliceerde gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen die geldt op 15 maart van het jaar waarvoor de betaling wordt toegekend. Het zaad moet zijn gecertificeerd overeenkomstig Richtlijn 2002/57/EG van de Raad’.
24. Richtlijn 2002/53/EG heeft betrekking op de opneming van rassen van (onder meer) ‘vezelgewassen in een gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen waarvan het zaaizaad of pootgoed in de handel mag worden gebracht volgens de bepalingen van de richtlijnen betreffende het in de handel brengen van (…) zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen’ (artikel 1, eerste lid).16.Ingevolge artikel 17 publiceert de Commissie ‘overeenkomstig de door de lidstaten verstrekte gegevens (…) onder de aanduiding “Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen” alle rassen waarvan het zaaizaad en pootgoed op grond van artikel 16 niet aan handelsbeperkingen ten aanzien van het ras zijn onderworpen’.
25. Richtlijn 2002/57/EG betreft het ‘in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen’.17.De richtlijn bevat onder meer een begripsomschrijving van ‘oliehoudende planten en vezelgewassen’ die ‘Cannabis sativa L’ omvat. De richtlijn bevat voorts begripsomschrijvingen van ‘basiszaad (hybriden)’ en ‘basiszaad (andere rassen dan hybriden)’, van ‘gecertificeerd zaad’ van (onder meer) ‘tweehuizige hennep’, en van ‘gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering’ respectievelijk ‘gecertificeerd zaad van de tweede vermeerdering’ van (onder meer) ‘eenhuizige hennep’ (artikel 2). De lidstaten moeten ingevolge de richtlijn voorschrijven dat zaad van Cannabis sativa L ‘slechts in de handel mag worden gebracht, indien het officieel is goedgekeurd als basiszaad of gecertificeerd zaad’ (artikel 3, eerste lid). Ook van ander, nader omschreven, zaad dienen lidstaten voor te schrijven dat het in de handel mag worden gebracht (artikel 4). De richtlijn en bijlagen bij de richtlijn bevatten tal van voorschriften inzake (onder meer) de zuiverheid, de minimumkiemkracht en etiketten.
26. Op 19 november 2020 beantwoordde het HvJ EU een prejudiciële vraag die zag op (hennep en) CBD en het vrij verkeer van goederen.18.De zaak draaide om Kanavape, een elektronische sigaret waarvan de vloeistof CBD bevat. Die CBD werd in Tsjechië geproduceerd, waarbij de volledige cannabisplant werd gebruikt, die ter plaatse was geteeld. De verdachten, die Kanavape verhandelden, werden vervolgd op grond van ‘wetgeving inzake giftige stoffen’. Zij voerden aan ‘dat het verbod op de handel in CBD die afkomstig is van de volledige cannabisplant, in strijd is met het Unierecht’. De verwijzende rechter wilde volgens het HvJ EU in wezen vernemen ‘of de verordeningen nr. 1307/2013 en nr. 1308/2013 en de artikelen 34 en 36 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die de handel in CBD verbiedt wanneer deze is geëxtraheerd uit de volledige cannabisplant en niet enkel uit de vezels en het zaad daarvan’.
27. Het HvJ EU legde eerst beide verordeningen uit. Het stelde vast dat CBD die is geëxtraheerd uit de volledige cannabisplant niet kan worden beschouwd als ruwe hennep. Het valt wel ‘onder post 2932 van de GS-nomenclatuur’, maar bij de ‘in bijlage I bij de Verdragen bedoelde landbouwproducten’ wordt geen melding wordt gemaakt van deze post. Daardoor kan ‘CBD dat aanwezig is in de volledige cannabisplant’ niet worden beschouwd als een product dat onder beide verordeningen valt.
27. Daarna ging het HvJ EU op de artikelen 34 en 36 VWEU in. Voortbouwend op de rechtsregel uit het arrest van 16 december 2010 stelde het HvJ EU vast dat personen die verdovende middelen verhandelen die geen deel uitmaken van een strikt gecontroleerd circuit zich bij de verkoop van cannabis niet kunnen beroepen op de toepassing van de vrijheden van verkeer of op het beginsel van non-discriminatie, en dat derhalve moet worden nagegaan ‘of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde CBD een verdovend middel is’. Daarbij gaat het erom of CBD onder het Enkelvoudig Verdrag valt.
27. Het HvJ EU overwoog dat Lijst I bij het Enkelvoudig Verdrag cannabis, cannabishars en cannabisextracten en cannabistincturen omvat. En dat een letterlijke uitleg van de bepalingen van het Enkelvoudig Verdrag zou kunnen leiden tot de vaststelling dat CBD, voor zover het wordt geëxtraheerd uit een plant van het geslacht cannabis en deze plant volledig wordt gebruikt, met inbegrip van de bloeiende of vruchtdragende toppen ervan, een cannabisextract is. Maar het HvJ EU tekende daarbij aan dat de CBD die in het hoofdgeding aan de orde was volgens de beschikbare wetenschappelijke gegevens geen psychotrope en schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens lijkt te hebben. Daarvan uitgaand zou het in strijd zijn ‘met het doel en de algemene strekking van het Enkelvoudig Verdrag indien CBD als cannabisextract onder de definitie van „verdovende middelen” in de zin van dit verdrag zou vallen’. Daarom was het HvJ EU van oordeel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde CBD geen verdovend middel in de zin van het Enkelvoudig Verdrag was. En dat de artikelen 34 en 36 VWEU daarop van toepassing waren.
27. Vervolgens stelde het HvJ EU vast dat niet werd betwist dat het verbod op verhandeling van in een andere lidstaat rechtmatig geproduceerde CBD die uit de volledige cannabisplant wordt geëxtraheerd, en niet alleen uit de vezels en het zaad ervan, een maatregel van gelijke werking is als kwantitatieve beperkingen in de zin van artikel 34 VWEU. Een verbod op het in de handel brengen ‘kan slechts worden uitgevaardigd indien het aangevoerde reële gevaar voor de volksgezondheid voldoende aannemelijk voorkomt op basis van de meest recente wetenschappelijke gegevens die op de datum van de uitvaardiging van dat verbod beschikbaar zijn’. Het HvJ EU wees er daarbij op dat is gebleken dat het verbod op verhandeling ‘niet geldt voor de verhandeling van synthetische CBD die dezelfde eigenschappen bezit als CBD die uit de volledige cannabisplant wordt geëxtraheerd en als substituut daarvoor kan worden gebruikt’.
27. Al met al concludeerde het HvJ EU dat de artikelen 34 en 36 VWEU ‘aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die de verhandeling verbiedt van in een andere lidstaat rechtmatig geproduceerde CBD die wordt geëxtraheerd uit de volledige cannabisplant en niet alleen uit de vezels en het zaad ervan, tenzij deze regeling geschikt is om de verwezenlijking van het doel van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dit doel te verwezenlijken.’
27. Nadien heeft het hof in een arrest van 4 oktober 2024 nog een prejudiciële vraag over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de verordeningen nrs. 1307/2013 en 1308/2013 beantwoord.19.De verwijzende rechter wilde volgens het HvJ EU in essentie vernemen ‘of het Unierecht betreffende het GLB aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat de teelt van hennep (Cannabis sativa) in hydrocultuursystemen in gesloten ruimten verbiedt’. Het HvJ EU leidde uit (onder meer) artikel 32, zesde lid, van verordening nr. 1307/2013 af dat de Uniewetgever ‘bijzondere aandacht heeft besteed aan het doel van bescherming van de volksgezondheid’. Het Unierecht met betrekking tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid werd aldus uitgelegd ‘dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat de teelt van hennep (Cannabis sativa) in hydrocultuursystemen in gesloten ruimten verbiedt, mits dat verbod geschikt is om het doel van bescherming van de volksgezondheid te bereiken’ en niet verder gaat dan noodzakelijk is ter bereiking van dat doel.
33. Verordening (EU) nr. 1307/2013 is inmiddels ingetrokken door verordening (EU) 2021/2115.20.Artikel 4, vierde lid, van deze verordening, dat ziet op het begrip ‘subsidiabele hectare’ houdt onder meer in: ‘Voor de productie van hennep gebruikte arealen vormen slechts subsidiabele hectaren indien het gehalte aan tetrahydrocannabinol van de gebruikte rassen maximaal 0,3 % bedraagt’.
34. Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126 vult verordening 2021/2115 aan met (onder meer) aanvullende eisen voor bepaalde ‘interventietypes’ ‘in de vorm van rechtstreekse betalingen voor de teelt van hennep en katoen’ (artikel 1).21.Lidstaten dienen de toekenning van betalingen voor de productie van hennep afhankelijk te stellen van het gebruik van zaad van henneprassen die aan een aantal eisen voldoen. Zij moeten staan op de ‘gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen’. Het THC-gehalte mag gedurende twee opeenvolgende jaren niet hoger zijn geweest dan het in artikel 4, vierde lid, tweede alinea, van Verordening (EU) 2021/2115 vastgelegde maximum. En zij moeten gecertificeerd zijn ingevolge nader omschreven richtlijnen (artikel 2).
35. De Gedelegeerde Verordening bevat ook regels voor een ‘verificatiesysteem voor de bepaling van het THC-gehalte van henneprassen’ (artikel 3). Overweging 4 houdt in dat de verificatie van het THC-gehalte noodzakelijk is ‘voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie’, maar zij is ook ‘van strategisch belang voor de bescherming van de volksgezondheid en voor de waarborging van de samenhang met andere wetgevingskaders, namelijk het strafrecht op het gebied van illegale drugshandel en de verbintenissen uit hoofde van internationale verplichtingen, zoals het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen’. Met A-G Paridaens meen ik dat hierin de gedachte besloten ligt ‘dat hennep met een THC-gehalte van minder dan 0,3 % niet schadelijk voor de volksgezondheid is’.22.
36. Ik leid uit de besproken rechtsinstrumenten en rechtspraak af dat het aanwezig hebben van hennep die gekweekt is met zaden die op de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen staan niet mag worden verboden. Richtlijn 2002/53/EG spreekt over vezelgewassen waarvan het zaaizaad in de handel mag worden gebracht. Met zaad van deze rassen ingezaaide arealen zijn al gedurende een lange reeks van jaren subsidiabel. En het HvJ EG oordeelde in het arrest van 17 januari 2003 heel in het algemeen dat de destijds toepasselijke verordeningen ‘zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die tot gevolg heeft dat de teelt en het voorhanden hebben van de door de genoemde verordeningen bedoelde industriehennep wordt verboden’.
Opiumwet en Zaaizaad- en plantgoedwet
37. De Opiumwet houdt onder meer het volgende in:
Artikel 3
‘Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
D. te vervaardigen.’
Artikel 3c
‘1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen middelen en toepassingen worden aangewezen waarvoor een in artikel 2 of 3 omschreven verbod geheel of ten dele niet geldt.’
Artikel 6
‘1. Onze Minister kan, met inachtneming van artikel 8i, eerste lid, ontheffing verlenen van een verbod als bedoeld in artikel 2 of 3. Hij kan voorts een ontheffing verlengen, wijzigen, aanvullen of intrekken.
2. Een ontheffing of een verlenging daarvan wordt verleend voor ten hoogste vijf jaren, met dien verstande dat een ontheffing van een verbod als bedoeld in artikel 2, onder A, of artikel 3, onder A, wordt verleend per geval en voor ten hoogste zes maanden.’
Artikel 8
‘1. Een ontheffing kan slechts worden verleend of verlengd indien de aanvrager ten genoegen van Onze Minister heeft aangetoond:
a. dat daarmee het belang van de volksgezondheid of dat van de gezondheid van dieren wordt gediend;
b. deze nodig te hebben voor het verrichten van wetenschappelijk of analytisch-chemisch onderzoek dan wel voor instructieve doeleinden, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet, of
c. deze nodig te hebben voor het verrichten van een handeling als bedoeld in artikel 2 of 3 krachtens een overeenkomst met:
1. een ander aan wie krachtens artikel 6, eerste lid, een ontheffing is verleend;
2. een apotheker of apotheekhoudende arts;
3. een dierenarts;
4. een instelling of persoon, aangewezen krachtens artikel 5, tweede of derde lid;
5. een houder van een in een ander land verleende vergunning of ontheffing om de desbetreffende middelen in dat land in te voeren, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet.
2. Een ontheffing kan voorts worden verleend of verlengd indien de aanvrager deze nodig heeft voor het telen van cannabis krachtens een overeenkomst met Onze Minister.’
Artikel 8h
‘Onze Minister draagt ervoor zorg dat:
a. in Nederland voldoende hennep wordt geteeld voor wetenschappelijk onderzoek naar de geneeskundige toepassing van hennep, hasjiesj en hennepolie of voor de productie van geneesmiddelen;
b. de geteelde hennep, bedoeld onder a, wordt gebruikt voor een onder a genoemd doel.’
Artikel 8i
‘1. Onze Minister verleent niet meer ontheffingen van het verbod tot teelt van hennep dan nodig is voor de in artikel 8h bedoelde doeleinden en voor de veredeling van hennep.
2. Een ontheffing van het verbod op het telen van hennep dan wel tot het verwerken, bewerken of vervoeren van hennep, hasjiesj en hennepolie voor de in artikel 8h genoemde doeleinden, wordt slechts verleend aan degene met wie Onze Minister ter zake een overeenkomst tot het verrichten van zodanige handelingen aangaat.
(…)
4. In een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid, wordt in elk geval bepaald dat de wederpartij van Onze Minister de geteelde hennep binnen vier maanden na het oogsten uitsluitend aan hem verkoopt en aflevert en de overtollige hennep vernietigt.’
Artikel 11
‘2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
3. Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
4. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder A, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
5. Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.’
Lijst II
‘hennep elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden’
38. De artikelen 3c, 6, 8, 8h en 8i Opiumwet zijn in 2003 ingevoerd.23.De betreffende wetswijziging bracht mee dat het eerdere verlofstelsel werd omgezet in een ontheffingenstelsel. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wet leidde hield onder meer in:24.
‘De teelt van hennep voor geneeskundige of wetenschappelijke doelen
Bij brief van 25 november 1998 aan de Eerste en Tweede Kamer (Kamerstukken II 1998–99, 26 200 XVI nr. 14) heeft de eerste ondergetekende een wetsontwerp tot wijziging van de Opiumwet aangekondigd waarin de bevoegdheden van een bureau voor hennepteelt worden geregeld. Deze regeling van bevoegdheden vloeit voort uit het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen (Trb. 1963, 81; 1980, 184). Dit verdrag eist dat een verdragsstaat een nationaal bureau instelt, indien hij de verbouw van de hennepplant (Cannabis sativa L.) toelaat voor de productie van hennep of hennephars. Dit bureau dient een aantal taken opgedragen te krijgen met betrekking tot de verbouw van hennep voor de productie van hennep of hennephars. Deze taken betreffen de verlening van ontheffingen, het aankopen van de oogst, het alleenrecht van de handel en het alleenrecht op het aanhouden van andere voorraden dan die welke beheerd worden door fabrikanten van cannabinoïden, medicinale hennep en henneppreparaten. Dat moet wettelijk worden vastgelegd.
(…)
Er zal naar worden gestreefd de nadelen die deze constructie met zich mee kan brengen tot een minimum te beperken. Zowel voor de verlening van ontheffingen als voor het sluiten van overeenkomsten voor de teelt van hennep en voor het produceren van een geneesmiddel daaruit is aansluiting gezocht bij het Bibob-instrumentarium. Het verlenen van de ontheffing en het sluiten van de overeenkomst zullen zoveel mogelijk samenvallen, zodat maar eenmaal een advies in het kader van de Wet BIBOB hoeft te worden gevraagd. Voorts zullen met de Inspectie voor de Gezondheidszorg praktische afspraken worden gemaakt over het controleren van de naleving van aan het verlof verbonden voorschriften en de contractverplichtingen. De aan een ontheffing te verbinden voorschriften zullen met name betrekking hebben op de plaats en wijze van opslag van de cannabis, de voorraadadministratie, en de beveiliging. De uitwerking van de voorschriften is per geval verschillend. Contractverplichtingen zullen individueel bepaald worden, maar zullen vooral te maken hebben met prijs, hoeveelheid en kwaliteit van de te leveren hennep. Voorts moet de minister ervoor zorgdragen dat er voldoende mogelijkheden zijn voor ontbinding van de overeenkomst in het geval van niet-naleving. Dit impliceert bijvoorbeeld ook dat het nationale bureau waarborgen vastlegt in de overeenkomst tegen toepassing van de geteelde hennep voor andere doelen dan die genoemd in artikel 8h, eerste lid, en tegen diefstal van de hennep.
In eerste instantie is de geteelde hennep bestemd voor medisch-wetenschappelijk onderzoek met hennep of de daaruit bereide preparaten of substanties. In een latere fase zal ook hennep voor de geneesmiddelproductie worden geteeld. Indien echter onderzoek tot de conclusie leidt dat deze middelen niet de eigenschappen hebben die hen geschikt maken voor gebruik als geneesmiddel, zal het nationale bureau worden opgeheven.’
39. Op 1 juli 2025 treedt een wet in werking die (onder meer) de artikelen 3c, eerste lid, 6 en 8 Opiumwet wijzigt.25.Deze wet leidt er onder meer toe dat aan artikel 8, eerste lid, een d-grond wordt toegevoegd die meebrengt dat een ontheffing kan worden verleend als de aanvrager aantoont deze nodig te hebben ‘voor industriële doeleinden teneinde een product te realiseren dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens deze wet’. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wet leidde houdt onder meer in:
‘Voorts wordt voorgesteld dat een ontheffing kan worden verleend wanneer de aanvrager heeft aangetoond deze nodig te hebben voor industriële doeleinden waarbij het te realiseren product voldoet aan hetgeen bij of krachtens de Opiumwet is geregeld. Het kan bijvoorbeeld gaan om de verwerking van de vezelhennepplant, waarbij een halffabricaat te veel THC bevat, maar het eindproduct niet. Het feit dat het moet gaan om industriële doeleinden betekent dat het moet gaan om de professionele, beroepsmatige, grootschalige realisatie van producten.’
40. Artikel 12 Opiumwetbesluit luidt als volgt:26.
‘De verboden, gesteld in artikel 3, aanhef en onder B, van de wet, gelden niet voor hennep die kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod op het telen van hennep slechts geldt voor zover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht.’
41. Dit artikel is als volgt toegelicht:
‘In artikel 12 is een uitzondering gemaakt op de verboden van de Opiumwet voor de handelingen die noodzakelijk zijn voor het gehele industriële proces van de teelt van de vezelhennep op het veld tot de verwerking van de plant tot eindproducten in de fabriek. Ook de vermeerdering van de vezelhennepplant wordt onder dit proces begrepen.
Het gaat om de handelingen: telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren. Door te kiezen voor het begrip volle grond en open lucht is bewerkstelligd dat degenen die hennep telen voor bewustzijnsbeïnvloedend gebruik onder plastic of in kassen of andere ruimten waar het dak geheel of gedeeltelijk geopend kan worden, zich niet op deze vrijstelling kunnen beroepen. Iedereen die hennep binnen teelt alsmede ieder die hennep teelt voor andere doeleinden dan vezelproductie of zaadwinning voor vezelrassen moet in het bezit zijn van een opiumwetontheffing. Dit vergemakkelijkt de bewijsvoering.’
42. Uw Raad heeft in een arrest van 18 december 2018 het volgende overwogen:27.
‘2.5. Op grond van de totstandkomingsgeschiedenis van het Opiumwetbesluit, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8 en 9, moet worden aangenomen dat de exceptie van art. 12 Opiumwetbesluit ook geldt ten aanzien van het aanwezig hebben van hennep als bedoeld in art. 3, aanhef en onder C, Opiumwet, indien en voor zover die gedraging onlosmakelijk verbonden is met het productieproces van de vezelhennep en aan de overige eisen van art. 12 Opiumwetbesluit is voldaan.
2.6.
Het Hof heeft geoordeeld dat art. 12 Opiumwetbesluit uitsluitend geldt ten aanzien van de in art. 3, aanhef en onder B, Opiumwet bedoelde gedragingen en niet ten aanzien van het 'aanwezig hebben' zoals bedoeld in art. 3, aanhef en onder C, Opiumwet. Daarmee heeft het Hof miskend hetgeen hiervoor onder 2.5 is overwogen. Tot cassatie behoeft dat evenwel niet te leiden. Het Hof had het verweer immers slechts kunnen verwerpen, omdat niet meer is aangevoerd dan dat de in de bewezenverklaring vermelde hennep enkel was bedoeld voor het maken van thee of CDB(-olie), terwijl de exceptie van voormelde bepaling waarop de verdediging een beroep heeft gedaan slechts betrekking heeft op de productie van vezelhennep.’
43. De Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 is, aldus de considerans, tot stand gekomen omdat het ‘wenselijk is een nieuwe regeling voor het toelaten van plantenrassen, het in de handel brengen van teeltmateriaal en het verlenen van kwekersrecht vast te stellen’.28.Daarbij is onder meer gelet op ‘diverse Europese richtlijnen met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal van verschillende soorten gewassen’. Daartoe behoorde ook richtlijn nr. 2002/53/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen.29.
44. Hoofdstuk 2 van de wet ziet op de ‘Raad voor plantenrassen’. Hoofdstuk 4 van de wet betreft ‘het rassenregister’. Daarin is vastgelegd dat er een Nederlands rassenregister is ‘dat bestemd is voor de inschrijving van rassen en opstanden’ (artikel 25). ‘Ter uitvoering van bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk of van de Europese Commissie stelt de Raad nationale lijsten samen van de in Nederland van een gewas toegelaten rassen en opstanden, op basis van de in het rassenregister opgenomen gegevens’ (artikel 26). Uit de wet volgt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels (kunnen) worden gesteld over ‘de toelating van rassen en opstanden’ (artikel 35), ‘het in de handel brengen van teeltmateriaal’ van bij de maatregel aangewezen behorende rassen en opstanden (artikel 39) alsmede ‘de teelt van gewassen’ (artikel 48a).
44. Het Besluit verhandeling teeltmateriaal is tegelijk met de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 op 1 februari 2006 in werking getreden.30.Blijkens de considerans is bij de vaststelling onder meer gelet op ‘de Europese richtlijnen met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal van verschillende soorten gewassen’. Onder ‘oliehoudende planten en vezelgewassen’ worden verstaan de ‘gewassen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van richtlijn nr. 2002/57/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen’. Landbouwgewassen zijn onder meer ‘oliehoudende planten en vezelgewassen’ (artikel 1). Het in de handel brengen van teeltmateriaal van landbouwgewassen is slechts toegestaan ‘indien is voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde regels inzake de verhandeling en de kwaliteit van teeltmateriaal’ (artikel 3). Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de voorwaarde dat teeltmateriaal van landbouwgewassen ‘uitsluitend in de handel wordt gebracht indien het afkomstig is van een ras dat of een opstand die is toegelaten en is ingeschreven in het rassenregister, dan wel is opgenomen op een vanwege de Europese Commissie vastgestelde gemeenschappelijke lijst van rassen’ (artikel 4, eerste lid, onder c).
46. De nota van toelichting bij het besluit houdt in dat ‘voor rassen en opstanden die zijn opgenomen op een gemeenschappelijke lijst van gewassen, vastgesteld door de Commissie van de Europese Gemeenschappen’ geen verplichting geldt ‘tot inschrijving in het register. Opname op een gemeenschappelijke lijst betekent namelijk dat het teeltmateriaal automatisch in alle lidstaten wordt toegelaten.’31.
47. De Regeling verhandeling teeltmateriaal houdt, in lijn daarmee, in dat teeltmateriaal van een landbouwgewas slechts in de handel wordt gebracht ‘indien het afkomstig is van een ras dat is toegelaten en is ingeschreven in het rassenregister, dan wel is opgenomen op een vanwege de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde gemeenschappelijke lijst van rassen, of is toegelaten in een van de andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig’ richtlijn 2002/53/EG (artikel 26).32.
48. Het Besluit werkzaamheden Raad voor de plantenrassen is eveneens op 1 februari 2006 in werking getreden.33.Blijkens de considerans is het besluit vastgesteld gelet op (onder meer) richtlijn 2002/53/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen. Uit deze regeling volgt dat een ras van bij ministeriële regeling aan te wijzen landbouwgewassen wordt toegelaten indien het voldoet aan een aantal voorwaarden (artikel 9). De Regeling werkzaamheden Raad voor de plantenrassen houdt onder meer in dat de landbouwgewassen bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit werkzaamheden Raad voor de plantenrassen de gewassen zijn die zijn opgenomen in de richtlijnen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van richtlijn 2002/53/EG (artikel 4 jo. artikel 1).
49. Een lijst met toegestane henneprassen is te vinden op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.34.Deze lijst komt, zo begrijp ik, overeen met de henneprassen die vermeld staan op de ‘Common catalogue of varieties of agricultural plant species – Consolidated version 27.01.2023’.35.Dat is, zo begrijp ik, de door de Europese Commissie gepubliceerde gemeenschappelijke rassenlijst.
50. Ik begrijp de verhouding tussen de regels gesteld bij en krachtens de Opiumwet enerzijds en de regels gesteld bij en krachtens de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 anderzijds mede tegen de achtergrond van de eerder weergegeven Europeesrechtelijke rechtsinstrumenten en rechtspraak aldus dat het aanwezig hebben van hennep die het resultaat is van teelt met rassen die op de gemeenschappelijke rassenlijst staan niet strafbaar is.36.
Bespreking van het tweede middel
51. De steller van het middel voert aan dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het standpunt van de verdediging dat het bij de verdachte aangetroffen materiaal in ieder geval deels niet onder de Opiumwet valt en dat dit dient te leiden tot vrijspraak. Het hof zou zijn voorbijgegaan aan de kern van het verweer, ‘namelijk dat het materiaal in kwestie afkomstig is van plantenrassen die staan vermeld op de door de Europese Unie uitgevaardigde lijst van toegestane rassen, dat dergelijke rassen uitsluitend zijn bedoeld voor de productie van hennepzaden en dat de plantendelen daarvan geen geestverruimend effect hebben’.
51. De raadsman stelt in de pleitnota bij de bespreking van feit 2 dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan ‘het beroep op de exceptie van artikel 12 Opiumwetbesluit’ (randnummer 15). De verdachte en de medeverdachte zouden ‘conform de tekst en strekking van die bepaling hebben gehandeld’ (randnummer 18). De verdachte en de medeverdachte herhalen ‘dat de in beslag genomen producten uitsluitend waren bestemd voor het productieproces van vezelhennep zoals bedoeld in artikel 12 Opiumwetbesluit’ (artikel 20). Het standpunt dat zij ‘niet in het bezit waren van enige vorm van strafbare hennep’ vindt volgens de raadsman ‘bevestiging in de rapporten van het NFI’ (randnummer 21). Uit het rapport van het NFI van 29 januari 2018 ‘volgt dat de monsters die zijn genomen van de in het pand in beslag genomen planten (delen) nauwelijks THC bevatten’, en het ‘extreem lage gehalte’ zou een ‘concrete en onweerlegbare indicatie’ zijn ‘dat de planten inderdaad rassen betroffen die staan vermeld op de door de Europese Unie uitgevaardigde lijst van toegestane rassen’ (randnummer 22). Het overgrote deel van de deelmonsters die in het vervolgonderzoek van 20 mei 2020 zijn onderzocht zou overeenkomen met het ‘vezel-type’; dat zou betekenen ‘dat deze planten van een variëteit afkomstig kunnen zijn die door de Europese Commissie is goedgekeurd’ (randnummer 23). Daarbij zouden de deelmonsters die als ‘drugstype’ testten ‘zaden’ betreffen die ‘niet strafbaar onder de Opiumwet’ zijn (randnummer 24). Het betoog loopt erop uit dat de verdediging zich op het standpunt stelt ‘dat het aangetroffen materiaal enerzijds niet onder de Opiumwet valt’ en ‘voor het overige de exceptie van artikel 12 Opiumwetbesluit in deze zaken van toepassing is’ (randnummer 27).
51. Uit de cassatieschriftuur en de pleitnota begrijp ik dat het middel zowel op de bewezenverklaring van feit 1 als op de bewezenverklaring van feit 2 ziet. Het middel spreekt over ‘het bij hem aangetroffen materiaal’. De pleitnota houdt bij feit 1 in dat niet is aangetoond of ‘in deze zaak überhaupt van strafbare producten die onder de Opiumwet vallen sprake is’ en dat hetgeen ‘ten aanzien van feit 2 nader zal worden opgemerkt (…) ook hier van belang is’ (randnummer 12).
51. Het hof heeft het aangevoerde aldus samengevat ‘dat het bij de verdachte aangetroffen materiaal enerzijds niet onder de Opiumwet valt, hetgeen tot vrijspraak moet leiden en voor het overige dat de exceptie van artikel 12 van het Opiumwetbesluit van toepassing is’. Het hof noemt de verwijzing naar de licentie voor het CBD-project als een argument dat voor dat standpunt is aangevoerd. Bij de bespreking van het verweer citeert het hof vervolgens artikel 3 van de Opiumwet en de definitie van hennep in lijst II bij de Opiumwet, artikel 12 van het Opiumwetbesluit en een deel van de toelichting daarop. En het hof wijst op het arrest van Uw Raad van 18 december 2018. Het hof beargumenteert vervolgens waarom de verdachte geen beroep toekomt op artikel 12 Opiumwetbesluit en dat de verdachte zich evenmin op de licentie van het ‘CBD-project’ kan beroepen.
51. Dat het hof in het aangevoerde eerst en vooral een beroep op artikel 12 Opiumwetbesluit heeft gezien, is begrijpelijk. Het hof heeft het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond die in dat artikel is vervat verworpen omdat niet kan worden gezegd dat de handelingen van de verdachte en de medeverdachte ‘met betrekking tot de in hun bedrijf aangetroffen hennepplantdelen gericht waren op de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep’. In cassatie wordt niet over de verwerping van het beroep op artikel 12 Opiumwetbesluit geklaagd. Waar het de steller van het middel naar ik begrijp om gaat, is of het aangevoerde (voor zover dat is gepresenteerd als een tot vrijspraak strekkend verweer) tevens een beroep op een andere grond voor straffeloosheid behelst waar het hof ook op had moeten reageren.
51. De verplichting om op een beroep op een kwalificatie-uitsluitingsgrond te beslissen en die beslissing te motiveren ligt besloten in artikel 358, derde lid, Sv en artikel 359, tweede lid, Sv. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een verweer waarop de rechter diende te beslissen zijn inhoud en strekking van het aangevoerde van belang.37.Wat de strekking van het aangevoerde betreft, is van belang dat de raadsman niet alleen aanvoert dat ‘de exceptie van artikel 12 Opiumwetbesluit in deze zaken van toepassing is’, maar ook dat het aangetroffen materiaal ‘niet onder de Opiumwet valt’. Dat is een aanwijzing dat volgens de raadsman twee gronden aan strafbaarheid in de weg staan. Wat de inhoud betreft, de argumenten waar het verweer op steunt, springt in het oog dat de pleitnota twee keer aan de lijst met toegestane rassen refereert (randnummers 22 en 23). En dat de raadsman aanvoert dat het gaat om ‘legaal ingekocht materiaal’ (randnummer 14), producten met ‘een legale bestemming’ (randnummer 18), ‘legaal opgekweekte soorten’ en ‘legaal aangekocht zaad’ (randnummer 25). Deze passages maken duidelijk dat de (wezenlijke) argumenten die de raadsman heeft aangevoerd voor het standpunt dat de verdachte en de medeverdachte niet strafbaar zijn, niet op de bestemming van de hennep betrekking hebben, die in artikel 12 Opiumwetbesluit centraal staat, maar op de herkomst: teelt met zaad dat op de gemeenschappelijke rassenlijst staat.
57. Zoals eerder aangegeven meen ik dat uit de besproken Europese rechtsinstrumenten en rechtspraak kan worden afgeleid dat het aanwezig hebben van hennep die gekweekt is met zaden die op de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen staan niet mag worden verboden. En dat de regels gesteld bij en krachtens de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 meebrengen dat het aanwezig hebben van hennep die het resultaat is van teelt met rassen die op de gemeenschappelijke rassenlijst staan niet strafbaar is. Het ligt naar het mij voorkomt in de rede daaraan een vertaling te geven met een kwalificatie-uitsluitingsgrond. De daaruit voortvloeiende beperking van de strafbaarheid gaat (onder meer) verder dan die welke uit artikel 12 Opiumwetbesluit volgt, voor zover niet wordt geëist dat de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht.38.Uit de toelichting op artikel 12 Opiumwetbesluit blijkt dat de besluitgever met de keuze voor de begrippen ‘volle grond en open lucht’ wilde bewerkstelligen ‘dat degenen die hennep telen voor bewustzijnsbeïnvloedend gebruik onder plastic of in kassen of andere ruimten waar het dak geheel of gedeeltelijk geopend kan worden, zich niet op deze vrijstelling kunnen beroepen’. Dat deze teelt voor hennep niet ziet op ‘bewustzijnsbeïnvloedend gebruik’ volgt bij deze rassen uit het lage THC-gehalte.
58. Daarvan uitgaand meen ik dat het aangevoerde niet anders kan worden opgevat dan als een beroep op deze kwalificatie-uitsluitingsgrond.39.Dat brengt mee dat het middel slaagt. De vraag is vervolgens of het slagen van de klacht tot cassatie dient te leiden.
59. De feiten en omstandigheden op basis waarvan de raadsman heeft gesteld dat de in beslag genomen planten rassen betroffen die op de door de Europese Unie uitgevaardigde lijst van toegestane rassen stonden, dwingen niet tot die conclusie. Dat volgt ook uit de door de raadsman gekozen bewoordingen, voor zover hij in de pleitnota stelt dat de planten ‘van een variëteit afkomstig kunnen zijn die door de Europese Commissie is goedgekeurd’ (randnummer 23). Wat betreft de mogelijkheden om door deskundigenonderzoek te achterhalen van welk ras sprake is, is het NFI-rapport van 20 mei 2020 relevant. Daarin wordt met zoveel woorden geconcludeerd dat het met de huidige technieken niet mogelijk is de naam van de Cannabis variëteit vast te stellen waarvan de SVO’s in de tabellen 1 en 2 afkomstig zijn.
59. Een en ander betekent evenwel niet dat elke mogelijkheid tot nader onderzoek is uitgesloten. De verdachte heeft verklaard dat de zaden zijn ingekocht bij ‘ [D] ’ en spreekt over de henneprassen ‘USO 30’ en ‘Finola’.40.Op de dozen uit Spanje stond ‘Canamo industrial’, hetgeen industriële hennep betekent, en een etiket op één van de dozen bevatte het opschrift ‘ [C] , [plaats] Spain’ (bewijsmiddelen 13 en 14). Ook dat biedt aanknopingspunten voor nader onderzoek. In dat verband is relevant dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep opmerkt dat hij met gecertificeerd zaad werkt, ‘zoals blijkt uit de aankoopbonnen’. Ik merk daarbij op dat op de verdachte niet de bewijslast rust van de aanwezigheid van een kwalificatie-uitsluitingsgrond. Op de rechter rust een verplichting om de feiten te onderzoeken.41.
61. Ik merk nog op dat ook de omstandigheid dat de verdachte niet over een ontheffing op grond van de Opiumwet beschikte, naar het mij voorkomt niet rechtvaardigt dat cassatie achterwege blijft. De omstandigheid dat een ras op de Gemeenschappelijke rassenlijst staat, brengt meen ik mee dat de straffeloosheid van het voorhanden hebben van de resultaten van die teelt niet van een ontheffing afhankelijk mag worden gesteld. De Zweedse regeling die in het arrest van 16 januari 2003 aan de orde was verbood ook (onder meer) het ‘zonder vergunning’ telen van verdovende middelen; dat de mogelijkheid bestond een vergunning te krijgen speelde in de overwegingen van het HvJ EG geen rol.
61. In verband met de omstandigheid dat een beperkt aantal deelmonsters overeenkwamen met het ‘drugs-type’ merk ik op dat de raadsman heeft aangevoerd dat het hier uitsluitend ging om zaden, en dat die zaden niet strafbaar zijn op grond van de Opiumwet. In cassatie wordt niet geklaagd dat het hof niet op die stelling heeft beslist. De stelling van de raadsman wordt bij vijf van de monsters die tot het drugstype behoorden weersproken door de omschrijving van het monster (bewijsmiddel 7). De andere monsters omvatten evenwel ook ‘zaden’; bij die monsters vindt het verweer derhalve niet zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Bij vernietiging van de bewezenverklaring kan het hof ook op dit punt alsnog duidelijkheid bieden.
61. Het middel slaagt.
Bespreking van het derde middel
64. Het derde middel bevat de klacht dat het hof in strijd met het recht van de Europese Unie heeft geoordeeld dat elk deel van de cannabisplant waaraan de hars niet is onttrokken met uitzondering van de zaden valt onder het bereik van art. 3 jo. 11 Opiumwet en daarmee dat het bezit ervan dan wel het binnen het grondgebied van Nederland brengen ervan strafbaar is, ongeacht het THC-gehalte ervan en ongeacht het gegeven dat de betreffende plantendelen geen geestverruimende effecten hebben. De steller van het middel voert aan dat het materiaal vergelijkbaar is met de CBD in de zaak waarover het HvJ EU zich in het arrest van 19 november 2020 boog. Het zou gaan om materiaal dat niet onder de definitie van cannabis uit het Enkelvoudig Verdrag valt en dat voorts niet kan worden aangemerkt als een verdovend middel in de zin van het Enkelvoudig Verdrag omdat het materiaal grotendeels geen psychotrope en schadelijke gevolgen voor de gezondheid heeft. Daarbij gaat het om materiaal uit een andere lidstaat (Spanje). De Nederlandse opiumwetgeving zou een maatregel van gelijke werking als bedoeld in artikel 34 VWEU zijn voor zover daarin het aanwezig hebben en het vanuit een andere lidstaat binnen het grondgebied van Nederland brengen strafbaar is gesteld van die delen van de cannabisplant waarvan wetenschappelijk aantoonbaar is dat zij geen geestverruimende effecten en schadelijke gevolgen voor de gezondheid hebben. Artikel 36 VWEU zou geen rechtvaardiging voor deze belemmering van het vrije handelsverkeer bieden.
64. De steller van het middel betrekt de klacht op de bewezenverklaring van (zo begrijp ik) feit 1 en feit 2. Alleen bij de hennep die opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland is gebracht is evenwel sprake van een grensoverschrijdend aspect. Ik lees de beslissingen en overwegingen van het hof aldus dat de bewezenverklaring van feit 2 slechts ziet op het opzettelijk aanwezig hebben van de andere aangetroffen hennep. Daarmee faalt het middel voor zover het ziet op feit 2.
64. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat hij in de periode van 20 tot en met 21 april 2017 tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk ongeveer 7 kilogram hennep binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en aanwezig heeft gehad. Lijst II bij de Opiumwet omschrijft ‘hennep’ als ‘elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden’. Artikel 3 Opiumwet verbiedt onder A het ‘binnen of buiten het grondgebied van Nederland’ brengen van (onder meer) ‘een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II’, en onder C het aanwezig hebben van een dergelijk middel.
64. Het HvJ EU heeft in het eerder geciteerde arrest van 19 november 2020 geoordeeld ‘dat CBD volgens de huidige stand van de (…) wetenschappelijke kennis geen psychoactieve stof bevat, zodat het in strijd zou zijn met het doel en de algemene strekking van het Enkelvoudig Verdrag indien CBD als cannabisextract onder de definitie van „verdovende middelen” in de zin van dit verdrag zou vallen.’ En dat CBD dus geen ‘verdovend middel in de zin van het Enkelvoudig Verdrag’ is.
64. Dat oordeel zou niet alleen van belang kunnen zijn voor de vraag of CBD als cannabisextract een verdovend middel is. Ik begrijp de argumentatie van het HvJ EU aldus dat het gelet op het doel van het Enkelvoudig Verdrag CBD als cannabisextract onder omstandigheden niet als verdovend middel aanmerkt. Die gedachtegang zou kunnen meebrengen dat ook cannabis (en daarmee ‘hennep’ als omschreven in lijst II bij de Opiumwet) onder omstandigheden niet als een verdovend middel kan worden aangemerkt.
64. Ik merk op dat de wetgever eerder expliciet voor een andere benadering koos. Bij de wijziging van de Opiumwet in de jaren ’70 waarbij de beide lijsten werden ingevoerd, koos de regering er bij ‘de hennepprodukten die voorkomen op lijst II’ voor om geen onderscheid te maken ‘naar gelang het THC-gehalte, daar het ondoenlijk is dit gehalte bij de opsporing vast te stellen’.42.Veroordelingen voor gedragingen met betrekking tot (vezel)hennep met een (mogelijk) laag THC-gehalte bleven tot dusverre derhalve in stand.43.
70. Naar het mij voorkomt kan een toets aan de artikelen 34 en 36 VWEU in het onderhavige geval evenwel achterwege blijven. In het eerder geciteerde arrest van 16 januari 2003 overwoog het HvJ EG reeds dat uit rechtspraak van het Hof volgt ‘dat, wanneer een geschil een onder een gemeenschappelijke marktordening vallende landbouwsector betreft, het probleem eerst uit dat gezichtspunt moet worden bezien’.44.De vraag of een veroordeling in het onderhavige geval al dan niet in strijd is met Europees recht, dient aldus primair te worden beantwoord door uitlegging van de – ten tijde van het bewezenverklaarde van kracht zijnde – Richtlijn 2002/53/EG, Richtlijn 2002/57/EG, Verordening (EU) nr. 1307/2013, Verordening (EU) nr. 1308/2013 en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014.45.Uit deze rechtsinstrumenten kan, meen ik, worden afgeleid dat het aanwezig hebben van hennep niet mag worden verboden als de hennep is gekweekt met zaad dat is vermeld op de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen. Daarvan uitgaand leidt het tweede middel tot cassatie.
71. Ik merk daarbij nog op dat een (aanvullende) toetsing aan de artikelen 34 en 36 VWEU aangewezen kan zijn in het geval de nationale regeling een doelstelling van algemeen belang nastreeft waar in het gemeenschappelijk landbouwbeleid geen rekening mee is gehouden. Maar het HvJ EU heeft in het arrest van 4 oktober 2024 al nadrukkelijk vastgesteld ‘dat de Uniewetgever, wat de teelt van hennep betreft, bijzondere aandacht heeft besteed aan het doel van bescherming van de volksgezondheid’.
71. Het derde middel faalt.
Prejudiciële vraag?
73. De steller van het middel verzoekt subsidiair om een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJ EU over de uitleg van de artikelen 34 en 36 VWEU. Naar ik meen is de uitleg die in deze context aan deze verdragsbepalingen (en aan de toepasselijke Europese richtlijnen en verordeningen) gegeven dient te worden voldoende duidelijk en is voor het stellen van een prejudiciële vraag geen aanleiding.
Afronding
74. Het derde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Het eerste en tweede middel slagen. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken. Dat tijdsverloop kan na terugwijzing bij het hof aan de orde worden gesteld. Ook overigens heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
74. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 en 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑07‑2025
Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6.2 onder C; HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, rov. 3.1.3.
Zie over deze materie eerder de conclusie van A-G Paridaens voor HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:370 (art. 81 RO), waar in deze conclusie op wordt voortgebouwd.
Verordening (EEG) nr. 1308/70 van de Raad van 29 juni 1970 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vlas en hennep, PB L 146 van 4.7.1970.
Verordening (EEG) nr. 1430/82 van de Raad van 18 mei 1982 houdende beperkende maatregelen bij invoer van hennep en hennepzaad en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1308/70 ten aanzien van hennep, PB L 162 van 12.6.1982.
Verordening (EEG) nr. 619/71 van de Raad van 22 maart 1971 houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor het verlenen van steun voor vlas en hennep, PB L 72 van 26.3.1971.
Verordening (EG) nr. 1420/98 van de Raad van 26 juni 1998 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 619/71 houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor het verlenen van steun voor vlas en hennep, PB L 190 van 4.7.1998.
HvJ EU 16 januari 2003, C-462/01 (Strafzaak tegen Ulf Hammarsten).
Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel, PB L 335 van 11.11.2004.
Trb. 1963, 81. Zie voorts Trb. 1987, 90. Zie in verband met de interpretatie van dit verdrag het Commentary on the Single Convention on Narcotic Drugs, 1961, New York 1973 (te vinden op https://www.unodc.org/).
Ik merk nog op dat art. 28, tweede lid, van het Enkelvoudig Verdrag bepaalt: ‘This Convention shall not apply to the cultivation of the cannabis plant exclusively for industrial purposes (fibre and seed) or horticultural purposes’. Zie daarover het Commentary, p. 312-315.
HvJ EU 16 december 2010, C-137/09 (Josemans).
Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad, PB L 347 van 20.12.2013.
Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, PB L 347 van 20.12.2013.
De GN (Gecombineerde Nomenclatuur) bevat de goederenindeling die door de Europese Unie voor de statistieken van de internationale handel in goederen wordt voorgeschreven. Vgl. https://www.cbs.nl/.
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening, PB L 181 van 20.6.2014.
Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke lijst van landbouwgewassen, PB L 193 van 20.7.2002.
Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen, PB L 193 van 20.7.2002.
HvJ EU 19 november 2020, C-663/18 (Strafzaak tegen B S en C A).
HvJ EU 4 oktober 2024, C-793/22 (Biohemp Concept SRL). Zie ook de voorafgaande conclusie van A-G M. Campos Sánchez-Bordona van 21 maart 2024.
Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013, PB L 435 van 6.12.2021.
Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/126 van de Commissie van 7 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad met aanvullende eisen voor bepaalde interventietypes die de lidstaten in het kader van die verordening in hun strategisch GLB-plan voor de periode 2023-2027 uitwerken, alsmede regels voor het aandeel in het kader van norm 1 inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC), PB L 20 van 31.1.2022.
Conclusie voor HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:370 (art. 81 RO), randnummer 3.6.
Wet van 13 juli 2002, Stb. 2002, 520, in werking getreden met ingang van 17 maart 2003 (Stb. 2003, 96).
Wet van 29 januari 2025, Stb. 2025, 32 (inwerkingtredingsbesluit Stb. 2025, 82).
Stb. 2002, 624.
HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2337, NJ 2019/40.
Wet van 19 februari 2005, Stb. 2005, 184.
Vgl. Kamerstukken II 2003/04, 29 650, nr. 3, p. 28.
Besluit van 8 december 2005, Stb. 654; zie het inwerkingtredingsbesluit, Stb. 2006, 41.
Stb. 2005, 654, p. 9.
Stcrt. 2006, 15.
Besluit van 8 december 2005, Stb. 653; zie het inwerkingtredingsbesluit, Stb. 2006, 41.
https://www.rvo.nl/onderwerpen/glb-2025/hennep#toegestane-henneprassen. Deze site bevat de lijst voor 2025.
B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 631 e.v.
Daar komt bij dat artikel 12 Opiumwetbesluit enkel ziet op ‘hennep die kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep’. Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2337, NJ 2019/40.
Vgl. J.O. de Bont, ‘Legaliteit van hennep met een laag THC-gehalte en daaruit geëxtraheerde CBD(-olie) bezien vanuit nationaal en Europeesrechtelijk perspectief’, NTS 2025/3, par. 4.1.
Vermoedelijk doelt de verdachte op ‘ [D] ’. Zie [internetsite] . De website vermeldt als leverbare henneprassen onder meer ‘Uso 31’ en ‘Finola’. Deze rassen zijn vermeld onder ’85. Cannabis sativa L.- Hemp’ op de ‘Common catalogue of varieties of agricultural plant species – Consolidated version 27.01.2023’; te vinden via https://food.ec.europa.eu/plants/plant-reproductive-material/plant-variety-catalogues-databases-information-systems_en.
Vgl. Keulen en Knigge, a.w., p. 633.
HR 31 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2114, NJ 1994/674. Zie verder de conclusie van A-G Bleichrodt (randnummer 14) voor HR 17 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:1412 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 RO) en de conclusie van A-G Paridaens (randnummer 24) voor HR 17 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1168 (HR: art. 81 RO ten aanzien van die klacht). Zie ook HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4154, rov. 4.4.
HvJ EG 16 januari 2003, C-462/01 (Strafzaak tegen Ulf Hammarsten), rov. 24; zie ook de conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 8 oktober 2002.
Vgl. ook HvJ EU 19 november 2020, C-663/18 (Strafzaak tegen B S en C A) waarin het HvJ EU pas aan de artikelen 34 en 36 VWEU toetst nadat het heeft vastgesteld ‘dat de verordeningen nr. 1307/2013 en nr. 1308/2013 aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op CBD’. Zie ook HvJ EU 11 maart 2021, C-400/19 (Europese Commissie t. Hongarije).
Beroepschrift 19‑09‑219
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
(strafzaken)
Inzake | : [verdachte] I C |
Onze ref. | : 23020 |
Betrokkene | : [verdachte], geb. [geboortedatum] 1975 |
Parketnr. | : 20.001668.21 |
Griffienr. HR | : 23.01262 |
Arnhem, 19 september 2024
Geeft eerbiedig te kennen:
[verdachte], wonende te [woonplaats] aan de [adres];
dat rekwirant van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch, uitgesproken op 29 maart 2023 de volgende middelen van cassatie voordraagt:
Middel I
Het recht is geschonden en / of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder is artikel 6 lid 1 van het EVRM geschonden nu de berechting in de cassatiefase niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.
Toelichting
Het cassatieberoep is ingesteld op 30 maart 2023. De stukken werden door uw griffie ontvangen op 12 juli 2024. Dat betekent dat tussen het instellen van het rechtsmiddel en het versturen van de stukken naar uw Raad meer dan acht maanden zijn verstreken. Deze overschrijding van de inzendtermijn kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening in cassatie.
Bovendien zal Uw Raad mogelijk uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Ook dit brengt mee dat alsdan de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in cassatie is overschreden.
Daarmee is de redelijke termijn in de zin van artikel 6 lid 1 van het EVRM overschreden, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering.
Middel II
Het recht is geschonden en / of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 359 lid 2 & 415 Sv geschonden doordat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het namens rekwirant ingenomen en uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het bij hem aangetroffen materiaal niet onder de Opiumwet valt, en dat dit er derhalve dient te leiden tot een vrijspraak.
Toelichting
Blijkens de ter terechtzitting van 15 maart 2023 overgelegde pleitnota is namens rekwirant onder aangevoerd (voor zover relevant):
- 22.
Uit het rapport van het NFI van 29 januari 2018 volgt dat de monsters die zijn genomen van de in het pand in beslag genomen planten (delen) nauwelijks THC bevatten. Nu is het THC-gchalte an sich niet bepalend voor de vraag een product onder de Opiumwet valt, maar het extreem lage gehalte is in casu een concrete en onweerlegbare indicatie dat de planten inderdaad rassen betroffen die staan vermeld op de door de Europese Unie uitgevaardigde lijst van toegestane rassen. Dergelijke rassen zijn uitsluitend bedoeld voor de productie van hennepzaden. De in beslag genomen plantdelen zijn niet geschikt om als wiet te roken en hebben geen geestverruimend effect.
- 23.
In het vervolgonderzoek van 20 mei 2020 zijn 181 deelmonsters onderzocht, waaraan 165 zijn geïdentificeerd als Cannabis. Van slechts 20 deelmonsters werd vastgesteld dat deze overeenkomen met het ‘drugs- type’, alle overige kwamen overeen met het ‘vezel-type’. Dit betekent dat de planten waarvan de deelmonsters afkomstig zijn niet de potentie hebben om veel THC te produceren. Tevens betekent dit dat deze planten van een variëteit afkomstig kunnen zijn die door de Europese Commissie is goedgekeurd. Dat strookt dus volledig met de stelling van cliënten.
- 24.
Het enkele feit dat een zeer gering aantal onderzochte materialen testten als ‘drugstype’ is niet doorslaggevend. Deze deelmonsters betroffen de zaden. Wat er ook zij van de conclusie van het NFI, die zaden zijn niet strafbaar onder de Opiumwet.
- 25.
Voor zover dan nog van belang merk ik op dat cliënt [verdachte] ter zitting op 27 november 2020 heeft uitgelegd dat het mogelijk is dat bij legaal opgekweekte soorten, die weer zijn voortgekomen uit legaal aangekocht zaad, een deel van de zaadjes een potentieel hoger THC-gehalte kunnen bevatten. Daarmee mag niet verder worden gekweekt en dat is ook nooit gebeurd.
- 26.
Het merendeel van wat er in beslag is genomen is door cliënten keurig op factuur ingekocht bij diverse bedrijven. Het betreft hier überhaupt geen strafbaar materiaal. Ter illustratie is een selectie van de producten en facturen als bijlage 3 opgenomen.
- 27.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat het aangetroffen materiaal enerzijds niet onder de Opiumwet valt, hetgeen tot vrijspraak moet leiden en voor het overige de exceptie van artikel 12 Opiumwetbesluit in deze zaken van toepassing is, zodat cliënten op grond, van de Opiumwet en het Opiumwetbesluit niet strafbaar kunnen worden geacht en moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het Hof heeft dit verweer ook goed begrepen. Immers, in het arrest staat onder het kopje ‘het standpunt van de verdediging’ het volgende:
‘De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde. Daartoe is samengevat aangevoerd dat het bij de verdachte aangetroffen materiaal enerzijds niet onder de Opiumwet valt, hetgeen tot vrijspraak moet leiden en voor het overige dat de exceptie van artikel 12 van het Opiumwetbesluit van toepassing is.’
Namens rekwirant is dus aangevoerd dat het aangetroffen materiaal enerzijds niet onder de Opiumwet valt en dat anderzijds de exceptie van artikel 12 Opiumwetbesluit van toepassing is.
Het standpunt van de verdediging dat het aangetroffen materiaal (enerzijds) niet onder de Opiumwet valt, kan bezwaarlijk anders worden opgevat als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht.
Hoewel het Hof uitgebreid in gaat op het al dan niet van toepassing zijn van artikel 12 Opiumwetbesluit, heeft op het Hof niet gerespondeerd op het standpunt van de verdediging dat het aangetroffen materieel (in ieder geval deels) niet onder de Opiumwet valt en dat dit diende te leiden tot een vrijspraak.
Weliswaar heeft het Hof gewezen op de definitie van hennep op lijst II van de Opiumwet en is het hof ingegaan op de licentie die rekwirant had in het kader van het ‘CBD-project’, maar het Hof is voorbijgegaan aan de kern van het verweer, namelijk dat het materiaal in kwestie afkomstig is van plantenrassen die staan vermeld op de door de Europese Unie uitgevaardigde lijst van toegestane rassen, dat dergelijke rassen uitsluitend zijn bedoeld voor de productie van hennepzaden en dat de plantendelen daarvan geen geestverruimend effect hebben. Ter onderbouwing hiervan is eveneens aangevoerd dat dit op factuur is ingekocht en het geen strafbaar materiaal betreft.
Het Hof is derhalve van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ex art. 359 lid 8 Sv nietigheid tot gevolg.
Middel III
Het recht is geschonden en / of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt nu het Hof in strijd met het recht van de Europese Unie (in het bijzonder artikel 34 en 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), heeft geoordeeld dat elk deel van de cannabisplant waaraan de hars niet is onttrokken met uitzondering van de zaden valt onder het bereik van artikel 3 jo. 11 Opiumwet en daarmee dat het bezit ervan dan wel het binnen het grondgebied brengen van Nederland brengen ervan strafbaar is, ongeacht het THC-gehalte ervan en ongeacht het gegeven dat de betreffende plantendelen geen geestverruimende effecten hebben. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans de bewezenverklaring van feit en en 2 is op dit punt onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
Zoals reeds in de toelichting op middel II besproken is op de terechtzitting bij het Hof namens rekwirant het verweer gevoerd dat het bij rekwirant aangetroffen plantmateriaal geen geestverruimend effect heeft en niet onder de Opiumwet zou vallen.
Het Hof heeft hierop geoordeeld dat het THC gehalte van het aangetroffen materiaal onder de Nederlandse wetgeving niet relevant is. Immers: op lijst II van de Opiumwet is hennep gedefinieerd als ‘elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden’. De stelling van het Hof dat het THC-gehalte er niet toe doet, vindt steun in bestendige rechtspraak van Uw Raad.1.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Opiumwet blijkt dat de wetgever er met name om doelmatigheidsredenen voor heeft gekozen de gehele plant (met uitzondering van de zaden en delen waaraan de hars is onttrokken), ongeacht het THC-gehalte, onder het bereik van de Opiumwet te brengen. Zo staat in Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Opiumwet in 1976 het volgende:2.
‘Met betrekking tot de hennepprodukten die voorkomen op lijst II wordt in het wetsontwerp geen onderscheid gemaakt naar gelang het THC-gehalte, daar het ondoenlijk is dit gehalte bij de opsporing vast te stellen.’
De enige uitzondering die de wetgever op dit uitgangspunt heeft willen maken, is te vinden in het huidige artikel 12 Opiumwetbesluit. Dit betreft de zogenaamde landbouwexceptie.
De landbouwexceptie heeft alleen betrekking op het verbod van artikel 3 lid 1 sub B, te weten het productieproces van vezelhennep. Uw Raad heeft daaraan toegevoegd dat ook het verbod van artikel 3 lid 1 sub C onder de landbouwexceptie kan vallen, mits het aanwezig hebben van de planten onlosmakelijk is verbonden met het bedoelde productieproces.3.
Dit cassatiemiddel bedoelt de vraag op te werpen of de Nederlandse wetgeving, met name voor zover daarin het invoeren, uitvoeren en aanwezig hebben van alle delen van de hennepplant (met uitzondering van de zaden en de plantendelen waaraan de hars is onttrokken) — ongeacht het THC-gehalte of het ras van de plant — strafbaar wordt gesteld, niet strijdig is met het recht van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 34 en 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (verder: VWEU).
Ten aanzien van artikel 34 VWEU geldt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (verder: Hof van Justitie EU) op 19 november 2020 in het kader van een beantwoording van een prejudiciële vraag van een Franse rechter, het juridische kader helder uiteen heeft gezet.4.
Het ging in die zaak om de invoer van CBD in Frankrijk die in een andere lidstaat rechtmatig was geproduceerd. De Franse wetgever had bepaald dat de teelt van hennep, de invoer, de uitvoer en het gebruik ervan slechts was toegestaan onder een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat alleen de vezels en het zaad van de plant werden gebruikt. De CBD in kwestie was echter geëxtraheerd uit de volledige cannabisplant en derhalve niet enkel uit de vezels en het zaad daarvan.
In een Franse strafzaak werd daarom de prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie EU of de EU-verordeningen 1307/2013 en 1308/2013 (oud) en de artikelen 34 en 36 VWEU zo moeten worden uitgelegd dat deze in de weg staan aan een nationale regeling die de handel in CBD verbiedt wanneer deze is geëxtraheerd uit de volledige cannabisplant en niet enkel uit de vezels en het zaad ervan.
Voor de beantwoording van deze prejudiciële vraag keek het Hof van Justitie EU eerst naar de vraag of CBD als een verdovend middel in de zin van eerdere rechtspraak van het Hof moest worden beschouwd. Daartoe vroeg het Hof van Justitie EU zich om te beginnen af of CBD viel onder het bereik van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961 (verder: Enkelvoudig Verdrag). In dit Enkelvoudig Verdrag wordt cannabis als volgt gedefinieerd:
- b)
‘cannabis’ betekent de bloeiende of vruchtdragende toppen van de cannabisplant (met uitzondering van de zaden en bladeren indien deze niet vergezeld gaan van de toppen) waaruit de hars niet is geëxtraheerd, met welke naam ook aangeduid;
Het Hof van Justitie EU komt vervolgens op grond van de totstandkominggeschiedenis van het Enkelvoudig Verdrag, alsmede op grond van de aard en het doel ervan, tot de conclusie dat CBD geen verdovend middel is in de zin van het Enkelvoudig Verdrag. Aan deze conclusie werd ten grondslag gelegd dat uit het dossier bleek dat de CBD in kwestie geen psychotrope en schadelijke gevolgen voor de gezondheid leek te hebben. Ook werd de CBD in kwestie gewonnen uit cannabisplanten met een THC-gehalte dat lager was dan 0,2%.5.
Het Hof van Justitie EU constateerde daarna dat het verbod op de verhandeling van in een andere lidstaat rechtmatig geproduceerd CBD die uit de volledige cannabisplant wordt geëxtraheerd, en niet alleen uit de vezels en het zaad ervan, een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen is in de zin van artikel 34 VWEU.
Een dergelijke maatregel van gelijke werking kon volgens het Hof van Justitie EU rechtvaardiging vinden in één van de in artikel 36 VWEU opgesomde gronden van algemeen belang of in dwingende vereisten. In beide gevallen dient de nationale bepaling geschikt te zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en mag hij niet verder gaan dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken.
Het Hof van Justitie EU schetste vervolgens een beoordelingskader voor de beantwoording van de vraag of een lidstaat zich kan beroepen op de uitzondering van artikel 36 VWEU.
Volgens het Hof van Justitie EU zijn de gezondheid en het leven van personen bij uitstek waarden en belangen die door het VWEU worden beschermd, en het is de taak van de lidstaten om te beslissen op welk niveau zij de bescherming van de volksgezondheid wensen te verzekeren en hoe dit dient te gebeuren. Aangezien dit niveau per lidstaat kan verschillen, beschikken de lidstaten dienaangaande over een beoordelingsruimte. Dit geldt volgens het Hof van Justitie EU in het bijzonder wanneer is aangetoond dat er in de huidige stand van het wetenschappelijk onderzoek nog onzekerheid bestaat over bepaalde stoffen die door de consument worden gebruikt.
Echter, aangezien een verbod op het in de handel brengen een ingrijpende belemmering is van het vrije handelsverkeer tussen lidstaten, kan een dergelijk verbod volgens het Hof van Justitie EU slechts worden uitgevaardigd indien het aangevoerde reële gevaar voor de volksgezondheid voldoende aannemelijk voorkomt op basis van de meest recente wetenschappelijke gegevens die beschikbaar zijn. De nationale autoriteiten die zich beroepen op artikel 36 VWEU, moeten in elk concreet geval tegen de achtergrond van de resultaten van internationaal wetenschappelijk onderzoek aantonen dat hun regeling noodzakelijk is voor een doeltreffende bescherming van de in die bepaling bedoelde belangen, en met name dat het in de handel brengen van de betrokken producten een reëel gevaar voor de volksgezondheid oplevert.
Ook moeten de lidstaten bij de uitoefening van hun beoordelingsvrijheid het evenredigheidsbeginsel in acht nemen. De middelen die zij kiezen, mogen niet verder gaan dan hetgeen daadwerkelijk noodzakelijk is om de bescherming van de volksgezondheid te waarborgen, en moeten in verhouding staan tot het nagestreefde doel, dat niet kan worden bereikt met middelen die het handelsverkeer tussen de lidstaten minder beperken.
Uiteindelijk kwam het Hof van Justitie EU tot de conclusie dat de artikelen 34 en 36 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die de verhandeling verbiedt van in een andere lidstaat rechtmatig geproduceerde CBD die wordt geëxtraheerd uit de volledige cannabisplant en niet alleen uit de vezels en het zaad ervan, tenzij deze regeling geschikt is om de verwezenlijking van het doel van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk om dit doel te verwezenlijken.
Hoewel het in de onderhavige zaak niet gaat om CBD, maar om delen van cannabisplanten, heeft het NFI op grond van DNA-onderzoek vastgesteld dat het voor het grootste gedeelte (142 van de 165 deelmonsters die waren geïdentificeerd als cannabis) ging om materiaal van het type vezel. Dit betekent dat de planten waarvan deze deelmonsters afkomstig zijn niet de potentie hebben om ‘veel’ THC te produceren. Tevens betekent dit dat dat deze planten van een variëteit afkomstig kunnen zijn die door de Europese Commissie is goedgekeurd.
Van een aantal delen (20 van de 165 deelmonsters) heeft het NFI vastgesteld dat het ging om het type drugs. Dit betekent dat de planten waarvan deze deelmonsters zijn genomen in potentie ‘veel’ THC kunnen produceren. Deze planten behoren niet tot een door de Europese Commissie goedgekeurd ras.
Zoals het Hof ook heeft vastgesteld bevatte het grootste gedeelte van het materiaal dat bij rekwirant werd aangetroffen een laag THC-gehalte. Het is een feit van algemene bekendheid dat cannabis met een laag THC-gehalte geen geestverruimende effecten heeft. Daarnaast is relevant om op te merken dat het — blijkens het in het arrest opgenomen overzicht — niet ging om de ‘bloeiende of vruchtdragende toppen’ van de cannabisplant, zoals gedefinieerd in het Enkelvoudig Verdrag, maar om andere delen van de plant, met name gedroogde bladfragmenten en stengels.
Het gaat derhalve om materiaal dat vergelijkbaar is met de CBD die in de Franse zaak waarover het Hof van Justitie EU zich boog. Het gaat om materiaal dat niet onder de definitie valt van cannabis uit het Enkelvoudig Verdrag en dat voorts niet kan worden aangemerkt als een verdovend middel in de zin van het Enkelvoudig Verdrag omdat het materiaal in kwestie grotendeels geen psychotrope en schadelijke gevolgen voor de gezondheid heeft. Ook ging het om materiaal dat afkomstig was uit een andere lidstaat, in casu Spanje.
De Nederlandse opiumwetgeving, voor zover daarin ook het aanwezig hebben en het (vanuit een andere lidstaat) binnen het grondgebied van Nederland brengen strafbaar wordt gesteld van die delen van de cannabisplant waarvan wetenschappelijk aantoonbaar is dat deze geen geestverruimende effecten en schadelijke gevolgen voor de gezondheid hebben, is derhalve in beginsel strijdig met artikel 34 VWEU omdat het een maatregel is van gelijke werking als bedoeld in dat artikel.
Artikel 36 VWEU biedt naar het oordeel van rekwirant geen rechtvaardiging voor een dergelijke belemmering van het vrije handelsverkeer. Immers: de Nederlandse wetgever heeft nooit aangetoond dat het strafbaar stellen van de hierboven bedoelde plantendelen noodzakelijk is om de bescherming van de volksgezondheid te waarborgen. Zoals hierboven besproken heeft de Nederlandse wetgever uitsluitend de gehele plant strafbaar willen stellen met het oog op een doelmatige opsporing. Laatstgenoemd belang vormt in de optiek van rekwirant geen rechtvaardiging in de zin artikel 36 VWEU.6.
Rekwirant stelt zich dan ook op het standpunt dat de Nederlandse wetgeving zoals hierboven besproken, voor zover daarin ook het aanwezig hebben en het binnen het grondgebied van Nederland brengen van delen van de cannabisplant strafbaar worden gesteld die geen geestverruimend effect hebben en die niet schadelijk zijn voor de gezondheid, strijdig is met de artikel 34 en 36 VWEU. Het Gerechtshof is dan ook ten onrechte — want in strijd met het recht van de Europese Unie — tot de conclusie gekomen dat hetgeen bewezen is verklaard onder feit 1 en 2, strafbaar is. Dit geldt in het bijzonder voor zover het gaat om die plantendelen waarvan door het NFI was vastgesteld dat deze onder het ‘vezel-type’ vielen.
Primair verzoekt rekwirant Uw Raad het bestreden arrest op bovengenoemde gronden te vernietigen.
Verzoek om het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie EU
Subsidiair verzoekt rekwirant Uw Raad op grond van artikel 267 VWEU om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie EU:
‘Moeten de artikelen 34 en 36 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die de handel, het invoeren uit een andere EU-lidstaat dan wel het aanwezig hebben verbiedt van delen van de cannabisplant waarvan is vastgesteld dat deze een THC-gehalte bevatten van minder dan 0,3% dan wel waarvan is vastgesteld dat deze afkomstig zijn van een variëteit die door de Europese Commissie is goedgekeurd als landbouwgewas?’
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J.J.A.P. van Breukelen, advocaat te Arnhem, kantoorhoudende aan de Johan de Wittlaan 2 (6828 WG), die bij deze verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
J.J.A.P. van Breukelen
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑09‑219
Bijvoorbeeld HR 31 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2114 of HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2820
18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2337 (r.o. 2.5)
In de nieuwere EU-Verordening 2021/2115 wordt een percentage van 0,3 genoemd.
In een recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2926 meende de rechtbank dat het ‘aanpakken van de georganiseerde criminaliteit en het beschermen van de openbare orde en de veiligheid’ wel een voldoende rechtvaardiging was in de zin van artikel 36 VWEU.