De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/5.4.2:5.4.2 Het dupliceringsverbod vormt de enige grondslag voor de verboden uitkering
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/5.4.2
5.4.2 Het dupliceringsverbod vormt de enige grondslag voor de verboden uitkering
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232397:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Q. Keukens & L.B. Vissers, ‘Winstuitkeringen aan private investeerders in de zorg, De omzetting van een zorgstichting’ in een ‘zorg-bv’’, Onderneming en Financiering 2012(20) 1, p. 4.
Y. Scholten, De Rechtspersoon, praeadvies Broederschap der Candidaat-Notarissen, uitgebracht aan de op 15 juni 1956 gehouden vergadering, p. 118.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het leerstuk van de verboden uitkering houdt zoals gezegd in, dat de stichting niet tot doel mag hebben te voorzien in de materiële behoefte van oprichters, bestuurders etc. Het leerstuk van de verboden uitkering heeft ook tot gevolg dat de stichting geen winstuitkeringen mag doen aan investeerders in de activiteiten van een stichting,1 tenminste, als het doen van winstuitkeringen het achterliggende doel is van de stichting. Dit alles om de stichting af te bakenen van de NV en de vereniging. Dit uitgangspunt lijkt weleens uit het oog verloren te worden bij de discussie over de verboden uitkering. Het leerstuk van de verboden uitkering heeft een duidelijke oorsprong die voortkomt uit het dupliceringsverbod met de daarbij behorende betekenis. Sinds de invoering van de Wet op stichtingen is hierin niets veranderd. De verboden uitkering dient dan ook vanuit het geschetste perspectief te worden bezien. Nog steeds zijn de woorden van Y. Scholten van toepassing:
‘Als materieel onderscheid tussen stichting en NV is het thans in de wet vermelde verbod tot uitkeringen te aanvaarden, juist omdat het misbruik van de stichtingsvorm tegen gaat. De mogelijkheid van het dupliceren van zichzelf door het eigen vermogen onder te brengen in een ten behoeve van de oprichting werkende stichting om daardoor te ontkomen aan de werking van art. 1177 B.W. wordt verhinderd.’2
Alles wat niet te maken heeft met de afbakening van de stichting met de kapitaalvennootschap en de mogelijkheid van de oprichter vermogen te onttrekken aan het verhaal van zijn schuldeisers zonder dat hij de macht over dat vermogen verliest, valt niet onder het leerstuk van de verboden uitkering.