Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.III.B.2.c
c. Behoefte aan coördinatie/directe doorwerking
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS473736:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Aldus D.W. Bruil, ‘De Reconstructiewet concentratiegebieden - een verbeterde Landinrichtingswet en een voorbeeld voor de Wilg?’, p. 950. Zie tevens GW.M. van Alphen, A. Driesprong, E.J. Govaers, D. Meloni, T. Tuenter, J.H.K.G Soer, Raakvlakken RO 2010, p. 230 e.v.
Aldus H.J. Leenen, J.W. van Zundert, ‘Coördinatie landinrichting en ruimtelijke ordening’.
Zie Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 3, p. 52. De provincies zouden immers, zo was de gedachte, in de (op dat moment toekomstige) Wro, de bevoegdheid krijgen tot het vaststellen van een inrichtingsplan, zulks met uitsluiting van de bevoegdheden van de gemeenteraad. Helaas blijkt de juridische vastlegging en daarmee de effectiviteit van het provinciale inrichtingsplan in de Wro echter niet geheel naar wens te zijn verlopen, zo blijkt uit H.J. Leenen, J.W. van Zundert, ‘Coördinatie landinrichting en ruimtelijke ordening’.
Blijkens art. 3.1 Wro is iedere gemeente verplicht een bestemmingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente vast te stellen. Ook voor het buitengebied derhalve. Een bepaling van gelijke strekking was te vinden in de WRO. Zie tevens J.H. Kampman, ‘Ontwikkelingen in de landinrichting’, p. 616.
Zie A.M. Buis, W.H. de Vos, JA Zevenbergen, ‘De Landinrichtingswet bevat flexibele instrumenten voor de inrichting van het landelijk gebied’, p. 552. Zie tevens H.J. Leenen, J.W. van Zundert, ‘Coördinatie landinrichting en ruimtelijke ordening’.
Zie in dit kader nader M. Lurks, De spanning tussen centralisatie en decentralisatie in de ruimtelijke ordening.
Aldus J.H. Kampman, ‘Ontwikkelingen in de landinrichting’, p. 617.
Ondanks deze nadere duiding van de juridische verhouding tussen ruimtelijke ordening en landinrichting, op prachtige wijze verbonden door de begrippen bestemming, inrichting en beheer, is, zo luidt de heersende opvatting in de literatuur, de relatie tussen beide elementen binnen de landinrichtingswetgeving (toch) te weinig concreet vormgegeven. Dit ondanks de hiervoor in onderdeel a beschreven integrale benadering die vanaf de Interimnota Landinrichting haar intrede deed.
Wat in de landinrichtingswetgeving namelijk ontbreekt, is een coördinatiebepaling, bijvoorbeeld zoals aangetroffen werd in artikel 27 RCC. Krachtens deze bepaling was directe doorwerking van een reconstructieplan mogelijk, hetgeen inhield dat delen van een reconstructieplan konden worden aangewezen als voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 21 WRO. Met het reconstructieplan strijdige ontwikkelingen die door het geldende bestemmingsplan niet werden geblokkeerd, konden op deze wijze worden tegengegaan. Tevens golden de aangewezen onderdelen van het reconstructieplan ook als vrijstelling in de zin van artikel 19 WRO, hetgeen tot gevolg had dat in het kader van het reconstructieplan wenselijke ontwikkelingen, die op basis van het geldende bestemmingsplan niet konden worden toegestaan, planologisch toch toelaatbaar werden. Door deze voorzieningen werd de uitvoering van een reconstructieplan niet geblokkeerd, ingeval gemeenten geen planologische medewerking wensten te verlenen aan het reconstructieplan. Het bestemmingsplan werd door de doorwerkingsregeling op onderdelen opzijgezet door het reconstructieplan.1 De directe doorwerking zorgde voor een effectieve coördinatie tussen landinrichting op de voet van de RCC en ruimtelijke ordening.2
Opname van een dergelijke doorwerkingsregeling binnen de kaders van de landinrichting, is tijdens de parlementaire behandeling van de WILG expliciet besproken, maar uiteindelijk is besloten af te zien van deze opname, aangezien een dergelijke voorziening niet nodig werd geacht.3 Niettemin ben ik van mening dat een directe dooorwerking van landinrichtingsplannen binnen de kaders van de WILG wel degelijk een nuttige rol zou kunnen vervullen: binnen een landinrichtingsproject kan soms onnodige vertraging ontstaan doordat bestemmingsplan (buitengebied)4 en landinrichtingsplan niet op elkaar zijn afgestemd.5 Een directe doorwerking van een inrichtingsplan richting bestemmingsplan(nen) kan dergelijke vertraging in het uitvoeringstraject voorkomen.6
Bij gebrek aan een dergelijke regeling is thans enige (mate van) coördinatie tussen landinrichting en ruimtelijke ordening zeer zeker gewenst. Een duidelijk wettelijk kader vanuit de ruimtelijke ordening is daarbij van grootbelang. Helaas blijkt dit kader en daarmee de sturing vanuit de ruimtelijke ordening richting de landinrichting, in de diverse landinrichtingswetten onvoldoende te zijn.78 Of dit ook voor de WILG geldt, zal in het navolgende onderdeel worden bezien.