Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/7.2.2
7.2.2 Enkele uitgangspunten bij het aangaan van overeenkomsten met derden en het verrichten van beschikkingshandelingen jegens derden
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583654:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Dat is anders voor de overeenkomsten die worden aangegaan met de schuldenaar. Zie hierna nr. 469.
Vgl. t.a.v. bewind, M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 493, toelichting bij art. 3.6.1.2 Ontw.BW art. 3.6.1.4a Ontw.BW): 'Men bedenke bij dit alles tenslotte nog dat bewind over een goed nimmer de bevoegdheid van de rechthebbende aantast om obligatoire rechtshandelingen tot beschikking over dat goed aan te gaan, doch ten hoogste in de weg staat aan nakoming door hem van de uit die rechtshandeling voortvloeiende verplichting tot beschikking en aan verhaal van de daaruit voortspruitende schulden op het bewindvermogen.' Vgl. ook Kamerstukken II 1978-1979, 15 350, nr. 3, p. 14; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 451; Van Es 2009, p. 330 e.v. Art. 6:222 BW (dat onder meer bepaalt dat een aanbod niet vervalt doordat een der partijen de bevoegdheid tot het sluiten van de overeenkomst verliest als gevolg van een bewind) is in dit opzicht niet begrijpelijk. Vgl. de oorspronkelijke, wel begrijpelijke redactie van deze bepaling in het Ontwerp Meijers (Parl. Gesch. Boek 6, p. 886), die zich beperkte tot handelingsonbekwaamheid, en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 887, waarin de uitbreiding tot bewind wordt toegelicht, maar niet begrijpelijk wordt gemaakt, omdat de verwijzingen naar de regeling van bewind alleen betrekking hebben op de beschikkingsonbevoegdheid van degene wiens goederen onder bewind zijn gesteld.
Bijvoorbeeld, een derde mag geen overeenkomst in eigen naam aangaan ten aanzien van andermans goed als sprake is van tegenstrijdig belang. Deze bepalingen beschermen op het belang van de rechthebbende van het desbetreffende goed. Zie bijvoorbeeld art. 7:416 lid 1 Go 7:424) BW, art. 3:68 Go 3:78) BW. De rechtsgevolgen zijn verschillend. Zie o.a. Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV* 2009, nr. 235; Asser/Kortmann 5-Ill 1994, nr. 140; Asser/Kortmann 2-1 2004, nr. 15. Zie ook art. 3:43 lid 1 sub a BW. Een rechthebbende kan in sommige gevallen door het aangaan van een overeenkomst zijn vermogen niet binden. Dergelijke bepalingen beschermen het belang van de rechthebbende van het goed zelf, dan wel het belang van andere belanghebbenden, zoals zijn schuldeisers. Hoewel een geldige overeenkomst tot stand komt, worden daardoor niet de gebruikelijke rechtsgevolgen in het leven geroepen. Zie bijvoorbeeld art. 1:440 lid 1, 4:168 lid 1 en 4:174-4:176 BW (bewind), art. 24 Fw (faillissement) en art. 4:223 BW (vereffening).
Vgl. art. 4:174 lid 1 BW dat bepaalt dat de rechthebbende aansprakelijk is voor alle schulden die voortspruiten uit rechtshandelingen die de bewindvoerder in zijn hoedanigheid in naam van de rechthebbende verricht.
Dat levert voor de verplichtingen uit de overeenkomst geen problemen op als de derde ook bevoegd is om deze verplichtingen na te komen. Bijvoorbeeld, de pandhouder die in eigen naam een executiekoopovereenkomst aangaat (art. 3:248 lid 1 BW), is bevoegd om het verkochte goed over te dragen aan de executiekoper en kan derhalve zijn verplichting als verkoper nakomen (art. 7:9 jo 7:47 BW). De vruchtgebruiker die in eigen naam een zaak verhuurt (art. 3:217 BW), is bevoegd om het verhuurde ter beschikking te stellen en kan derhalve zijn verplichting als verhuurder nakomen (art. 7:203 BW).
Zie bijvoorbeeld art. 6:142 BW (borgtocht), art. 6:251 BW (kwalitatieve rechten), art. 6:252 BW (kwalitatieve verplichtingen), art. 7:948 BW (verzekering), art. 7:226 BW (huur) en beheersregeling (art. 3:168 BW). De bepalingen zijn uitzonderingen op de 'hoofdregel' zoals geformuleerd in HR 3 maart 1905, W 8191 (Blaauboer/Berlips). Gelet op de veelheid aan uitzonderingen, is het de vraag wat is overgebleven van deze hoofdregel.
Zie ook art. 7:419 BW ('drittschade'), en HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 (Stolte/Schiphoff}, m.nt. GJS. Krachtens art. 7:424 BW kunnen art. 7:419-7:421 BW ook van overeenkomstige toepassing zijn op andere rechtsverhoudingen krachtens welke de ene partij verplicht of bevoegd is voor rekening van de andere partij rechtshandelingen te verrichten, zoals bijvoorbeeld een zaakwaarnemer of een bewindvoerder die in eigen naam voor rekening van de rechthebbende een overeenkomst aangaat. Zie Asser/Kortmann 5-III 1994, nr. 127; Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 19; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV* 2009, nr. 301; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 443, nt. 671. Anders (mogelijk): Bartels 2006, p. 796.
Bijvoorbeeld, als een curator in eigen naam een overeenkomst aangaat ten behoeve van de faillissementsboedel, vallen de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst niet in zijn vermogen, maar in het faillissementsvermogen. Zie Kortmann 1997b, p. 317, nt. 6. Als een vruchtgebruiker in eigen naam een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het in vruchtgebruik gegeven goed, zoals een verzekeringsovereenkomst of huurovereenkomst, is hij alleen bevoegd tot vernietiging van deze overeenkomst als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van het in vruchtgebruik gegeven goed. Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 657. Niet (alleen) zijn eigen belang bij de vernietiging is derhalve doorslaggevend, maar (ook) dat van de hoofdgerechtigde.
Vgl. o.a. Van Achterberg 1999, nr. 4; Verhagen & Rongen 2001, p. 7.
Zie Groefsema 1993, p. 39 e.v.; Smits 1994, p. 494; J.J.A. de Groot 1995, p. 315; Kortmann 2000, p. 140-141; Bartels 2003, p. 214-216; Bartels 2004, p. 57 e.v. (p. 62-63); Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 136; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV* 2009, nr. 251. Vgl. HR 14 november 2008, NJ 2009, 137. Anders: Van Boom 1994, p. 865; Asser/Kortmann 5-III 1994, nr. 154; Leijten 1996, p. 425; Aertsen 1997, p. 460; S.Y.Th. Meijer 1999, p. 196-198; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 299-302; Reehuis 2004, nr. 37 en 97.
Zie Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 136.
Zie bijvoorbeeld Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 299-302; Reehuis 2004, nr. 37 en 97; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV* 2009, nr. 251.
Voor het verkrijgen van goederen gelden andere regels. Zie hiervóór nr. 90 e.v.
Zie o.a. hiervóór nr. 133.
414. Iedere persoon kan altijd in eigen naam een overeenkomst (art. 6:213 lid 1 BW en art. 6:217 BW) met een derde aangaan met betrekking tot een goed, ongeacht of hij daarvan de rechthebbende is.1 De rechthebbende die bevoegdheden ten aanzien van zijn goed mist, blijft bevoegd om een overeenkomst met betrekking tot dat goed aan te gaan.2 Ook onbekwame personen, minderjarigen en degenen die onder curatele zijn gesteld, zijn daartoe in beginsel bevoegd, ook al zijn de rechtshandelingen die zij hebben verricht zonder de toestemming van hun wettelijke vertegenwoordiger, vernietigbaar (art. 3:32 lid 1 BW). Slechts in enkele gevallen kan geen overeenkomst worden aangegaan, of worden daaraan niet de gevolgen verbonden die het recht gewoonlijk aan het aangaan van overeenkomsten verbindt.3
Een persoon kan alleen in andermans naam een overeenkomst aangaan als hij daartoe (krachtens de wet, rechterlijke uitspraak of rechtshandeling) vertegenwoordigingsbevoegd is gemaakt.
De persoon in wiens naam de overeenkomst is aangegaan – door hemzelf in eigen naam of door een onmiddellijk vertegenwoordiger namens hem –, wordt partij bij de overeenkomst. Hij kan als schuldeiser nakoming vorderen van de vorderingen die uit hoofde van de overeenkomst ontstaan, en hij is als schuldenaar aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de overeenkomst, en bij niet-nakoming daarvoor ook verhaalsaansprakelijk.4 Dat geldt ook voor de derde die met betrekking tot andermans goed een overeenkomst is aangegaan.5 Bij niet-nakoming door de wederpartij kan hij opschorten, ontbinden, schadevergoeding vorderen enz.; hij is tot opzegging en vernietiging van de overeenkomst bevoegd. Op dit uitgangspunt bestaan uitzonderingen. Bijvoorbeeld, is door een rechthebbende een overeenkomst aangegaan ten aanzien van zijn goed, en gaat het goed op een ander over, dan kan ook de nieuwe rechthebbende aan deze overeenkomst gebonden zijn en/of daar rechten aan ontlenen.6 Is een lasthebber in eigen naam een overeenkomst aangegaan voor rekening van zijn lastgever, dan kan de lastgever onder bepaalde omstandigheden de rechten uit de overeenkomst op hem laten overgaan (art. 7:420 BW) en/of jegens de wederpartij aansprakelijk zijn voor de nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst (art. 7:421 BW).7 De uitzonderingen zijn hiertoe niet beperkt.8
415. De rechthebbende van een goed is ten aanzien van zijn goed exclusief beschikkingsbevoegd. Ook op dit uitgangspunt bestaan uitzonderingen: de rechthebbende kan beschikkingsonbevoegd zijn, en een ander dan de rechthebbende beschikkingsbevoegd. De beschikkingsbevoegdheid is uiteindelijk van belang voor de vraag of een rechtsgeldige overdracht heeft plaatsgevonden. In art. 3:84 lid 1 BW wordt daarom terecht alleen het vereiste gesteld dat de persoon die een goed levert, daarover beschikkingsbevoegd dient te zijn, niet (ook) dat hij daarvan de rechthebbende dient te zijn. De bepalingen inzake de derdenbescherming en de leveringsvereisten (art. 3:86-3:95 BW) sluiten daar op aan; daarin wordt in neutrale zin gesproken over 'de partij' of over 'de vervreemder', en wordt in het midden gelaten of degene die de beschikkingshandeling heeft verricht, de rechthebbende of een ander is. Het begrip 'rechthebbende' is derhalve geen synoniem van het begrip 'vervreemder'. Evenzo is het begrip 'oude schuldeiser' geen synoniem van het begrip 'cedent'.9 Is een ander dan de rechthebbende beschikkingsbevoegd, dan beschikt hij over andermans recht. Hij bewerkstelligt daarmee dezelfde rechtsgevolgen als wanneer de rechthebbende zou hebben beschikt.
Een ander dan de rechthebbende kan ook in eigen naam over andermans goed beschikken.10 Hij kan niet alleen in eigen naam andermans roerende zaak, niet-registergoed, maar ook in eigen naam andermans registergoed of andermans vordering op naam overdragen, en in eigen naam daarop een beperkt recht vestigen. Anders dan bij het aangaan van overeenkomsten, speelt het bij het beschikken over een goed geen rol in wiens naam de beschikkingshandeling wordt verricht. Het rechtsgevolg is hetzelfde. Zowel in het geval dat de rechthebbende in eigen naam het goed levert of daarop een beperkt recht vestigt, als in het geval dat de derde deze rechtshandelingen in eigen naam verricht, vindt de overdracht van het goed plaats dan wel de vestiging van het beperkte recht.11
In de literatuur is ook anders verdedigd. Een derde zou wei in eigen naam door bezitsverschaffing andermans roerende zaak, niet-registergoed kunnen leveren, maar niet andermans vordering op naam, omdat uit art. 3:94 BW zou volgen dat de schuldeiser de akte van cessie dient te ondertekenen, en evenmin andermans registergoed, omdat uit art. 3:89 BW zou volgen dat de eigenaar de akte van levering dient te ondertekenen.12 Die zienswijze overtuigt niet. Uit art. 3:84 lid 1 BW volgt dat een ander dan de rechthebbende de beschikkingshandeling in eigen naam kan verrichten. Art. 3:94 BW sluit hierbij aan: het spreekt van 'de vervreemder', niet van 'de oude schuldeiser'; hetzelfde geldt voor art. 3:89 BW, dat van 'de partij' spreekt, niet van 'de eigenaar'. De vervreemder respectievelijk de partij is degene die de leveringshandeling verricht. Beide begrippen zijn een neutrale begrippen die in het midden laten of de rechthebbende of een ander de vervreemder is. De pandhouder die een verpande vordering in eigen naam paraat executeert (art. 3:248 BW), treedt bij de levering van de vordering op als de vervreemder. Ook het begrip 'pandgever' is een dergelijk neutraal begrip dat in het midden laat of de rechthebbende of een ander de beschikkingshandeling verricht.
Het is evenmin vereist dat als een derde over andermans goed beschikt, hij aan de wederpartij kenbaar dient te maken dat het goed niet zijn eigen goed betreft. In verband met art. 7:19 (jo 7:47) BW zal bijvoorbeeld de pandhouder naar de executiekoper toe waarschijnlijk wel kenbaar maken dat hij handelt in de hoedanigheid van pandhouder, teneinde een beroep op deze bepaling te kunnen doen. Ook de derde die over andermans registergoed beschikt, zal door het openbare register niet kunnen verbergen dat hij beschikt over andermans goed. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat de derde, zoals een curator, niet in eigen naam over het registergoed kan beschikken.13 Hetzelfde geldt voor het vestigen van beperkte rechten op goederen. Het geldt op vergelijkbare wijze voor het procederen in eigen naam ten aanzien van andermans vordering.14