Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.6.1
2.6.1 Freie Aneignung (§958 BGB) en het Aneignungsrecht
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644795:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wolff/Raiser (1957), p. 294; Wieling JZ/1985, 516.
Dieren werden in het privaatrecht vóór 1990 beschouwd als zaken. Sinds dat jaar zijn ze door de invoering van §90a BGB dat niet meer, ofschoon de regels over zaken, tenzij anders in de wet is bepaald, nog steeds van toepassing zijn op dieren. Zie: MüKoBGB/Stresemann BGB §90a BGB.
§958 BGB lid 1: “Wer eine herrenlose bewegliche Sache in Eigenbesitz nimmt, erwirbt das Eigentum an der Sache.”
§958 lid 2: “Das Eigentum wird nicht erworben, wenn die Aneignung gesetzlich verboten ist oder wenn durch die Besitzergreifung das Aneignungsrecht eines anderen verletzt wird.” Een geval waarin toe-eigening verboden is door de wet, is bijvoorbeeld op grond van een natuurwet die bepaalt dat jagen op en het zich toe-eigenen van bepaald wild verboden is.
Heck (1994), p. 268: “In der Kulturwelt stehen die wertvollen Sachgüter im Eigentum oder im Aneignungsrecht.”
Heck (1994), p. 268.
Heck (1994), p. 268.
Wieling JZ/1985, p. 516.
Jakobs/Schubert (1985), p. 689-690. Oorspronkelijk was bepaald dat degene die zich de zaak onrechtmatig had toegeëigend eigenaar werd van de toegeëigende zaak. De toe-eigeningsgerechtigde kon het bezit bij deze eigenaar opeisen en zo alsnog de eigendom verkrijgen: “Wird durch die Zueignung das Zueignungsrecht eines Anderer verletzt, so ist der Zueignungsberechtigte befugt, das Eigenthum des unberechtigten Erwerbers durch Besitsergreifung sich anzueigenn.” Dit rechtsgevolg werd door de Tweede Commissie van het BGB uiteindelijk verworpen. Ze stelde dat: “(…) im Falle der Zueignung durch einen Unberechtigten die Sache herrenlos bleibt.” Zie ook: Jansen, NTBR 2016/8.
Heck (1994), p. 268.
Wolff/Raiser (1957), p. 294-295. Slechts een enkeling stelt dat de Aneignungsberechtigte geen zakelijke actie heeft: MüKoBGB/Oechsler BGB §958 Rn 9-12; Spyridakis (1966), p. 128) heeft het bijvoorbeeld over een “obligatorisches Aneignungsrecht”. Wieling stelt echter dat het recht op toe-eigening geen obligatoir recht zou kúnnen zijn. Een obligatoir recht is immers een recht, waarmee een levering van de schuldenaar is te eisen. Maar de schuldenaar of beter gezegd de gedaagde bij het Aneignungsrecht kan en zal niet iets leveren. Hij hoeft bijvoorbeeld niet een zaak over te dragen. De Aneignungs-gerechtigde verkrijgt de eigendom door toe-eigening: Wieling, JZ/1985, p. 516, voetnoot 66.
Wieling (2007), §11 IV 2 b; Wieling, JZ/1985, p. 516; Zie ook: Staudinger/C Heinze (2020) BGB §958 Rn 14; Palandt/Bassenge BGB §958 Rn 5.
Wolff/Raiser (1957), p. 294-295.
Heck (1994), p. 270; Baur/Stürner (2009), p. 734; Wilhelm (2016), p. 500; Zie over de voorgeschiedenis van het Aneignungsrecht van de jager: Jansen, NTBR 2016/8.
§771 Zivilprozessordnung (ZPO); Wieling, JZ/1985, p. 516.
Het Aneignungsrecht in het Duitse recht is van inheemse oorsprong. Het behoorde tot de zogenaamde Koninklijke rechten (Regalien) zoals het jachtrecht, het visserijrecht en het mijnrecht.1 De Aneignungs-gerechtigde had het recht om zich wilde dieren, vissen of mineralen toe te eigenen en zo daarvan de eigendom te verkrijgen. Deze zaken2 behoorden aan niemand toe. Zij waren herrenlose Sache oftewel res nullius. Dit toe-eigenen van een res nullius door inbezitneming (occupatio) wordt in het Duitse recht aangeduid met de term “freie Aneignung”. De grondslag ervan is te vinden in §958 BGB.3 Het staat een ieder vrij zich een zaak toe te eigenen die aan niemand toebehoort. Dit is alleen niet het geval als de toe-eigening bij wet verboden is of indien de toe-eigening een inbreuk maakt op een Aneignungsrecht van een ander.4 De meeste zaken die waarde vertegenwoordigen, zijn niet meer via occupatio te verkrijgen, aangezien deze geen res nullius meer zijn, maar aan iemand in eigendom toebehoren.5 Het eigendomsrecht op de zaak voorkomt in dat geval dat zij door “freie Aneignung” in eigendom verkregen kunnen worden door een ander. Hetzelfde geldt voor het Aneignungsrecht. De gerechtigde wordt door dat recht beschermd tegen een “freie Aneignung”. Deze beschermingsfunctie was oorspronkelijk een belangrijke functie die het Aneignungsrecht vervulde. Waar het eigendomsrecht alleen kan rusten op een specifiek object, was dit voor het Aneignungsrecht geen vereiste. Voor de gevallen waarin het object nog niet bekend was, bood het Aneignungsrecht uitkomst.6 Een voorbeeld.
Jagers kregen een bepaald district toegewezen om op wilde dieren te jagen. Aangezien vóór de jacht niet duidelijk was welke dieren aan de jagers zouden toekomen, verkregen zij door die onduidelijkheid het Aneignungsrecht.7 De dieren waren immers niet aan één district gebonden, maar zij begaven zich in verschillende districten. Als een dier de grens passeerde waardoor het ene district werd verlaten en het andere werd betreden, dan verwisselde niet de eigendom, het dier was een res nullius, maar het Aneignungsrecht.8 Een hert was bijvoorbeeld een herrenlose bewegliche Sache waarop het Aneignungsrecht rustte bij een jager uit het district waarin het dier zich begaf. Wanneer een stroper het hert doodde en het in bezit had genomen, dan werd hij echter geen eigenaar, ondanks het feit dat het dier herrenlos was. Het toe-eigenen door de stroper was in strijd met het Aneignungsrecht van de jager. Het hert blijft een res nullius, de inbezitneming van de jager ten spijt: „Das Eigenthum wird nicht erworben (oder: Die Sache bleibt herrenlos), wenn durch die Zueignung das Zueignungsrecht eines Anderen verletzt werden würde.”9
Uit het voorbeeld blijkt dat het Aneignungsrecht “Germaanse” wortels heeft. Het Romeinse recht kende immers deze “beschermingsvorm” niet. Alleen het eigendomsrecht zette een occupatio buiten werking. Als een zaak een res nullius was, dan verkreeg de occupant de eigendom van de zaak door inbezitneming.10
Volgens de heersende leer is het Aneignungsrecht te beschouwen als een “eigenartiges dingliches Recht an herrenloser Sache”.11 De inbezitneming van een res nullius heeft niet tot gevolg dat het Aneignungsrecht tenietgaat. Sommige juristen stellen dat de Aneignungs-gerechtigde de bezitter kan aanspreken met een analoge revindicatie.12 Het recht is zo te beschouwen als een pre-eigendomsrecht dat nauwelijks verschilt van het eigendomsrecht. Met deze analoge revindicatie zou men dan het bezit van de zaak kunnen opeisen. Anderen zijn van mening dat men met de actie uit het Aneignungsrecht eist dat de bezitter het wegnemen van de zaak moet dulden.13 Door de inbezitneming wordt het Aneignungsrecht getransformeerd tot een eigendomsrecht.
Betoogd is dat het eigendomsrecht in bepaalde gevallen ook eerder kan ontstaan, namelijk op het ogenblik dat de zaak geïndividualiseerd is.14 Als bijvoorbeeld de stroper het hert in het gebied van de jager (Aneignungsberechtigte) neerhaalt, is het dier een geïndividualiseerd bepaalbaar object. Het hert is op het jachtterrein van de jager gestorven en zal uit zichzelf niet meer van het terrein af gaan. De reden om de jager niet het eigendomsrecht maar een Aneignungsrecht toe te kennen, is daarmee opgeheven: het object is bekend. Dat specifieke hert mag de jager zich toe-eigenen. De jager kan dan tegen de stroper de revindicatie (§985 BGB) instellen. Of het eigendomsrecht pas ontstaat op het ogenblik van bezitsverkrijging of niet, echt grote verschillen tussen de geopperde opvattingen zijn er niet. Mocht de stroper failliet gaan, dan heeft de Aneignungsberechtigte een vordering om te voorkomen dat de zaak tijdens de executie kan worden verkocht.15